Hoe Nederland en Amerika steeds meer op elkaar gaan lijken

Who cares?

Vergeleken met Amerika zijn wij in Europa, en zeker in Nederland, zeer afhankelijk van de overheid. Met name wat gezondheidszorg betreft. Amerikanen zijn veel meer aangewezen op zichzelf en elkaar. Maar beide landen bewegen naar elkaar toe.

Medium essay

Ann staat op de stoep in Los Angeles. Naast haar staat een winkelwagentje met wat dekens, tassen, lege flessen, haar persoonlijk bezit. Ze ‘woont’ in Skid Row. Skid Row herbergt de grootste populatie daklozen van Amerika, tussen de drie- en zesduizend. Straten zijn gesierd met tenten en dozen waarin ze slapen. Veel mensen zijn dakloos geraakt omdat ze hun baan verloren, of omdat ze de torenhoge ziektekosten niet meer konden betalen. Naast Ann staat een bord. ‘No person shall sit, lie or sleep in or upon any street, sidewalk or other public way’, staat erop. Deze zogenaamde gemeentelijke verordening Section 41, 18 (D) stelt de politie van Los Angeles in staat om iedereen die op straat zit of slaapt, dag en nacht, zonder pardon op te pakken. De boete kan oplopen tot duizend dollar. Kun je dat niet betalen, dan ga je een half jaar de gevangenis in.

Niemand in Skid Row kan die boete betalen. En ergens anders slapen, mogen of kunnen ze ook niet. Voor hen volgt dus gevangenisstraf. Dat is Ann ook al meermalen overkomen. Maar telkens keert zij terug, precies op dezelfde plek, pal naast het bord. Ann laat zich niet wegjagen. Ann pleegt verzet. Ze kan geen kant op. En zal op een gegeven moment dus wel weer opgepakt worden. ‘Van al het geld dat de gemeenteambtenaren in haar detentie staken, hadden ze beter een echt huis voor haar kunnen kopen’, zegt Walter Fears van het Los Angeles Poverty Department. Ann staat voor de bewoners van Skid Row. Ze is uitgesloten door de samenleving, heeft geen toegang tot zorg en sociale zekerheid en leeft op gespannen voet met de autoriteiten.

Op 1 oktober betrad president Obama de rozentuin van het Witte Huis om een bijzondere aankondiging te doen. Een Republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden (de Amerikaanse Tweede Kamer) is het niet eens met zijn plannen om de zorg te hervormen. Ze gebruiken hun recht om tegen de begroting te stemmen. En een overheid zonder geld kan niet functioneren. De overheid gaat dicht. Obama greep de kans aan om Amerika uit te leggen wat hij precies bedoelt met Obamacare. ‘Tienduizenden Amerikanen sterven omdat ze geen zorgverzekering hebben.’ Een verplichte verzekering voor alle Amerikanen moet daar verandering in brengen.

Een paar dagen nadat Obama de gesloten overheid had aangekondigd, deed de Nederlandse premier Mark Rutte de Amsterdamse participatiesamenleving aan. In Oud-Zuid bezocht hij een project waar ouderen voor elkaar zorgen. Vooral als het gaat om het bieden van gezelligheid en het doen van klusjes. Ook ging hij langs bij een project in de Indische Buurt, waar mensen vouchers krijgen als ze elkaar helpen. Daar kunnen ze boodschappen mee doen, of hulp inkopen. Zo ziet de premier het graag. De verzorgingsstaat is niet langer houdbaar. De burger moet meer zelf doen, zijn eigen kracht benutten.

Dat is ook de boodschap van staatssecretaris Van Rijn. Hij vertelde diezelfde dag dat mensen meer moeten doen in ruil voor zorg. Een gepensioneerde boekhouder in een rolstoel kan mensen met schulden helpen, bijvoorbeeld. Ondertussen probeert minister van Financiën Dijsselbloem in Den Haag de participatiesamenleving ook financieel en politiek vorm te geven. Het is een komen en gaan van fractievoorzitters. Succesvol is het vooralsnog niet. Anders dan Obama heeft Rutte II wel voldoende stemmen in de Tweede Kamer, maar ontbreekt het ze aan steun in de Senaat. De overheid is dan wel niet ‘gesloten’, maar ondanks de talloze akkoorden die het kabinet reeds samenstelde, lijkt de regering verlamd. Het nieuwe akkoord mag dan voor draagvlak in de Eerste Kamer zorgen, het draagvlak onder de sociale partners brokkelt af.

Gijs is zwerfjongere in Nederland. Hij is een tijd geleden zijn ouderlijk huis ontvlucht. Hij heeft schulden en logeert bij verschillende vrienden. Maar om toegang te krijgen tot de schuldhulpverlening moet hij ingeschreven staan bij de gemeente. Bovendien kan hij dan een uitkering aanvragen. Hij heeft geen opleiding en geen werk en moet toch eten.

De gemeente kan hem pas een zogenaamd ‘postadres’ geven als hij minimaal tien nachten per maand in de daklozenopvang gaat slapen. Van daaruit kan hij dan uiteindelijk op zoek naar een woning. Maar een bestaan tussen verslaafden en daklozen is niet wat Gijs zoekt. En trouwens: hij heeft een dak boven zijn hoofd bij zijn vrienden. Dat heeft hij toch op ‘eigen kracht’ geregeld? Maar als hij zich niet aan de gemeentelijke voorwaarden houdt, kan hij zijn schulden niet aflossen en heeft hij geen uitzicht op een inkomen of werk. Gijs zit klem. Hij stuit op de bureaucratische kant van de terugtredende verzorgingsstaat. ‘Bovendien, wat kost dat wel niet voor de gemeente? Die daklozenopvang?’ vraagt hij verbaasd.

***

Zowel in de Verenigde Staten als in Nederland gaat het zorgstelsel op de schop en zijn de gemoederen verhit. Waar in de VS Obamacare, en vooral verschil in inzicht tussen het Huis van Afgevaardigden en de Senaat, reden was om de overheid te sluiten, leiden in Nederland de toenemende kosten van vooral de zorg tot een verlamming tussen coalitie en oppositie, tussen de Tweede en de Eerste Kamer. En in beide landen hebben de veranderingen grote consequenties voor mensen in het algemeen, maar vooral voor mensen met problemen, zoals Ann en Gijs. Waar Ann uitzicht heeft op een zorgverzekering blijft Gijs verstoken van basale voorzieningen.

Vanuit Nederland vonden we het Amerikaanse zorgsysteem altijd onbegrijpelijk. Onverzekerde mensen, hoge kosten, veel marktwerking. Amerikanen zullen het Nederlandse zorgsysteem ook onbegrijpelijk vinden. Veel verplichtingen, weinig markt, en veel overheid. Zo weten we in Nederland niet anders dan dat zorg verzekerd is. Het is een ‘commodity’, voor iedereen beschikbaar. In Amerika is dat anders, je was misschien verzekerd, en misschien ook niet. Vaak afhankelijk van de vraag of je het kon betalen. Beide systemen zijn vastgelopen en moeten anders.

Dat roept nieuwe vragen op. Vragen die we onszelf al lang niet meer hebben gesteld en die samenhangen met de vraag hoe solidair we zijn. En vooral: hoe we solidariteit organiseren. Het begrip solidariteit komt van solidus, dat stevig betekent. Solid, of solide, stamt ervan af. Dat zou betekenen dat solidariteit tot stevige, of stabiele samenlevingen leidt. Maar dat zegt nog niets over de vorm waarin we solidariteit gieten. We onderscheiden over het algemeen directe en indirecte solidariteit. Directe solidariteit betekent dat mensen onderling solidariteit regelen, maar ook giften aan goede doelen, het geven van geld aan daklozen, en het vrijwillig zorgen voor een zieke buurvrouw vallen eronder. Mensen bepalen zelf met wie ze wanneer solidair willen zijn en hoe ze dat vorm geven. Indirecte solidariteit daarentegen organiseert de overheid, bijvoorbeeld door afgedragen belastingen, waarmee de overheid vervolgens zorg of sociale zekerheid koopt, die ze weer aan mensen aanbiedt.

Het voordeel van directe solidariteit is dat mensen meer vrijheid hebben om te kiezen wanneer en met wie ze solidair willen zijn. Het voordeel van indirecte solidariteit is dat de overheid veel meer mensen kan bereiken en mensen gelijk behandelt. Het voordeel van directe solidariteit is dat schenkers zich goed en ontvangers zich dankbaar voelen – er ontstaat een menselijke relatie. Het nadeel van indirecte door de overheid georganiseerde solidariteit is dat ze anoniem is. Bovendien zullen mensen solidariteit op een gegeven moment als ‘recht’ gaan opvatten. Bureaucratie en protocollen vervangen de individuele relatie tussen schenker en ontvanger, van dankbaarheid zal geen sprake meer zijn.

Het voordeel van indirecte solidariteit is dat ze mensen in zekere zin ook bevrijdt. Met het betalen van belasting dragen mensen hun ‘solidaire plicht’ over aan de overheid. Vervolgens kunnen ze zich volledig op zichzelf richten, zonder zich te hoeven bekommeren om zieken en hulpbehoeftigen. Dat is immers de taak van de overheid. De andere kant van de medaille is dat indirecte solidariteit ten koste gaat van sociale betrokkenheid. Wel leidt indirecte solidariteit tot rechten, terwijl iemand zorg van een buurman nooit kan afdwingen. Indirecte en directe solidariteit hebben dus beide voor- en nadelen. Waar Gijs vooral tegen de nadelen van indirecte solidariteit op loopt, en door de overheid wordt uitgesloten, is Ann vooral slachtoffer van een systeem dat op directe solidariteit gebaseerd is. Ze woont in een wijk waar alle uitgeslotenen uiteindelijk terechtkomen.

***

De vraag hoe solidariteit wordt georganiseerd hangt sterkt samen met de cultuur van een land. Vinden mensen gelijkheid belangrijk? Of juist vrijheid? Hechten ze waarde aan de ontplooiing van het individu of juist aan het collectief? Vertrouwen ze de overheid of juist niet? En vertrouwt de overheid burgers, of juist niet? Nederland en Amerika verschillen behoorlijk als het gaat om de organisatie van de gezondheidszorg. Of misschien scherper: in de manier waarop overheid en burgers zich tot elkaar verhouden. Al in 1831 deed de Franse denker Alexis de Tocqueville (1805) een aantal opmerkelijke bevindingen over de verschillen tussen Amerika en West-Europese landen.

Om zijn gedachtegoed te begrijpen is het van belang om een onderscheid te maken tussen de democratische samenleving en de democratische overheid. Onder de democratische overheid verstaat Tocqueville de formele, statelijke kant van democratie. Rechten en wetten, checks and balances, het parlement, de regering, ambtenaren et cetera. Onder de democratische samenleving verstond hij de informele, culturele kant van democratie. Gedragen mensen zich ook democratisch? Hoe gaan ze met elkaar om? Getuigen mensen van burgerschap? Is er sprake van sociaal kapitaal? Zijn mensen in staat om hun eigen belangen te overstijgen ten gunste van het algemeen belang?

In zijn analyse is democratische cultuur, de democratische samenleving, het belangrijkste. Zonder democratische cultuur zouden democratische instituties (formele democratie) weinig zin hebben. Volgens Tocqueville was Amerika allereerst een democratische samenleving. Toen de Pilgrim Fathers aankwamen, was er nog geen staat, geen overheid, geen wetboek. Ze moesten het samen zien te rooien. Geleidelijk is daar een democratische overheid uit gegroeid. In Frankrijk (en andere West-Europese landen) ging dat anders: staten, overheden, wetten en regels waren er al. Vervolgens hebben die staten, nadat ze min of meer democratisch waren geworden omdat koningen en alleenheersers werden verjaagd, geprobeerd een democratische samenleving te ontwikkelen. Door onderwijs te bieden, en zorg. Door sociale zekerheid te organiseren en arbeidsomstandigheden te verbeteren.

Daarom, zo zegt Tocqueville, zullen Amerikanen eerst naar buren kijken, of vrienden, of straat-, wijk- of stadsgenoten, alvorens ze naar een overheid stappen. Bij Europeanen is dat precies andersom. Als ze iets overkomt, verwachten ze dat de overheid dat oplost. Een persoonlijk probleem is al snel een publiek probleem. Zo vinden we in Nederland gezondheidszorg een basisbehoefte, waar iedereen recht op heeft. In Amerika is lang niet iedereen het daarmee eens: als je een verzekering wil, moet je dat zelf maar regelen. Er zijn genoeg partijen die het aanbieden.

Tocqueville had wel moeite met de vraag welke vorm van democratie (statelijk of maatschappelijk) zijn voorkeur had. Zijn afwegingen lijken op de voor- en nadelen van solidariteit die ik hierboven noemde. Als de overheid solidariteit in de vorm van zorg organiseert, is dat over het algemeen rechtvaardiger, in ieder geval voor wie gelijkheid een belangrijke waarde vindt. Aan de andere kant leren mensen af om voor elkaar te zorgen en samen problemen op te lossen. Ze worden afhankelijk van overheden. Dat gaat weer ten koste van de vrijheid die mensen hebben om zichzelf en elkaar te ontplooien. En van de democratische cultuur, van democratie als samenleving zou je kunnen zeggen.

Aan de andere kant, als de democratische samenleving solidariteit organiseert in de vorm van zorg bestaan er weinig garanties. Mensen mogen elkaar helpen, en zullen elkaar in veel gevallen helpen, maar rechten bestaan er niet. De kans bestaat dat mensen die heel veel zorg nodig hebben, of weinig mensen kennen, niet geholpen worden. Tocqueville waarschuwt voor ‘microsamenlevingen’, waarin mensen die elkaar mogen en elkaar kennen elkaar helpen. Gated communities lijken daar het meest pregnante voorbeeld van. Maar mensen insluiten betekent automatisch dat mensen die niet aan die criteria voldoen, uitgesloten worden. Het overstijgende algemene belang verdwijnt dan. Wel zijn mensen vrij om elkaar te helpen, en te kiezen wie ze willen helpen. Ze kunnen hun eigen keuzes maken. Vrijheid gaat in culturele zin boven gelijkheid, zou je kunnen zeggen.

Die twee waarden, vrijheid en gelijkheid, definiëren precies de manier waarop in respectievelijk Amerika en Nederland vorm gegeven wordt aan de derde waarde van de Franse Revolutie: broederschap, solidariteit. In Nederland verplicht de overheid mensen deel te nemen aan zorg die voor iedereen in principe gelijk beschikbaar is. In Amerika zijn mensen in principe vrij om hun zorg te organiseren. Werkgevers mogen dat doen voor werknemers, werknemers mogen dat onderling doen en mensen kunnen zich zelf bij een verzekeraar melden.

***

Natuurlijk is de vergelijking van Tocqueville lang geleden geformuleerd en behoorlijk zwart-wit. Maar de grote lijnen zijn nog steeds te herkennen. Vergeleken met Amerika zijn wij in Europa, en zeker in Nederland, zeer afhankelijk van de overheid. Onlangs maakte NRC Handelsblad bekend dat negentig procent van de Nederlanders op de een of andere manier inkomensondersteuning van de overheid krijgt. Van hypotheekrenteaftrek tot kinderbijslag, van huurtoeslag tot studiefinanciering, van zorgtoeslag tot een uitkering. En in vergelijking met Nederland zijn Amerikanen veel meer afhankelijk van zichzelf en elkaar.

Maar belangrijker: wat we in de afgelopen jaren hebben gezien is dat zowel het Nederlandse systeem van een weldadige democratische verzorgingsstaat als de verzorgende Amerikaanse democratische samenleving tegen zijn grenzen aan loopt. In Nederland zijn de kosten van de door de overheid gereguleerde zorg gigantisch uit de pan gerezen. Als de overheid niet ingrijpt, betalen Nederlanders in 2020 meer dan twintig procent van hun bruto inkomen aan zorg, naast de andere belastingen die ze moeten betalen. Daarnaast heeft Nederland tegen die tijd meer verpleegkundigen en ander medisch geschoold personeel nodig dan het land kan opleiden. Met andere woorden, het zorgsysteem is in de toekomst in praktische en financiële zin onhoudbaar. Nederlanders vragen collectief meer zorg dan ze individueel kunnen betalen. Ze lijken de negatieve consequenties van hun eigen handelen op elkaar af te wentelen.

En dat is precies waar de Amerikanen bang voor zijn. Gaan de zorgkosten stijgen als de overheid zorg gaat regelen? En waarom zou de overheid dat beter kunnen dan de Amerikanen zelf? De ironie wil dat de zorg in Nederland goedkoper is dan in Amerika. Omdat de overheid de prijs reguleert en er gezamenlijk ingekocht kan worden, kan de overheid goede (en goedkope deals) met aanbieders maken. Maar Nederlanders consumeren wel veel zorg. De prijs mag dan relatief laag zijn, de vraag is groot. Door zorg naar de gemeenten te decentraliseren hoopt de rijksoverheid de zorg goedkoper te maken. Die zogenaamde decentralisatie gaat gepaard met efficiency-kortingen (gemeenten krijgen minder geld dan het rijk had) en rechten op zorg komen te vervallen. Wel krijgt de gemeente de plicht om inwoners te verzorgen, maar hoe ‘hard’ die plicht is als gemeenten het niet meer kunnen betalen moet nog blijken.

Kortom, om de stijgende zorgvraag af te remmen, krijgen Nederlanders minder rechten, en krijgen gemeenten minder geld om wat er overblijft te organiseren. Wel krijgen ze meer mogelijkheden om burgers te controleren. Immers, de burger participeert niet alleen, de burger fraudeert ook. Gijs wordt daar het slachtoffer van. Het systeem van rechten, plichten en verplichtingen is zo duur geworden dat bezuinigingen noodzakelijk zijn. Het bureaucratische systeem dat nodig was om de zorg te organiseren kan echter nauwelijks met eigen kracht en verantwoordelijkheid omgaan. Het dwingt Gijs paradoxaal genoeg om gebruik te maken van een daklozenopvang, terwijl hij dat niet nodig heeft.

De Amerikanen laten aan de andere kant van het spectrum een failliet van het systeem zien. Ze mogen dan vrij zijn om zelf zorg te regelen, velen kunnen het niet betalen en lopen onverzekerd rond. Naar schatting is vijftien procent van de Amerikanen niet verzekerd. In wijken als Skid Row komen mensen samen die uitgesloten zijn van sociale voorzieningen die ze niet konden betalen en van maatschappelijke netwerken die hen niet wilden accepteren. De verhalen zijn bekend. Niet geopereerd kunnen worden omdat je het niet kunt betalen. Torenhoge verzekeringspremies. Een tweede baan nemen om je zorg te kunnen bekostigen. De Patient Protection and Affordable Care Act (Obamacare) moet soelaas bieden. Een verplichte verzekering voor iedereen en een acceptatieplicht voor verzekeraars, zodat ook iedereen gezondheidszorg kan krijgen. Want voorheen was het zo dat verzekeraars mensen met preconditions (ziekten die mensen al onder de leden hadden) konden weigeren.

Maar daarmee perkt Obamacare ook de vrijheid van Amerikanen in. En dat is het voornaamste strijdpunt van de tegenstanders van Obamacare. Zonder een ‘verplichte’ verzekering zal een acceptatieplicht echter niet werken, dan zullen de meeste gezonde mensen afwachten tot ze ziek zijn voordat ze zich verzekeren. Met als gevolg dat de verzekeraar alleen maar zieke mensen verzekert en failliet gaat of de premie moet verhogen, met als gevolg dat veel mensen die niet meer kunnen betalen. Verzekeren werkt alleen als er voldoende gezonde mensen (die geen kosten maken) meebetalen. Dat is de belangrijkste reden waarom in Nederland de verzekering ook verplicht is. Dat noemen we hier solidariteit en mensen die daar niet aan meedoen ‘free riders’.

Sommige Amerikanen vinden juist dat het toppunt van vrijheid, tegelijkertijd zijn rond de vijftig miljoen Amerikanen onverzekerd. Obamacare zal de ziektekostenverzekering voor sommige mensen duurder maken. Voor zieken zal het waarschijnlijk goedkoper worden. Maar Obamacare zal ook bureaucratie nodig hebben om het systeem uit te voeren. Ann zal ongetwijfeld liever met die bureaucratie te maken krijgen dan met de regel dat ze niet op straat mag slapen, waar ze nu tegen protesteert.

Waar de Nederlandse overheid dus werkt met het korten van budgetten, het schrappen van rechten en het decentraliseren van zorg, werkt de Amerikaanse overheid juist met verplichtingen, nieuwe rechten en het centraliseren van zorg. Waar in Nederland gemeenten bezuinigingen moeten realiseren en burgers meer zelf moeten doen, regelt de Amerikaanse overheid alles vanuit Washington en vergroot ze de budgetten. Waar het in Nederland de komende tijd de uitdaging is om van ‘het gelijk behandelen van gelijke gevallen’ te switchen naar het ‘ongelijk behandelen van gevallen naarmate ze verschillen’, probeert Obama juist een meer gelijke behandeling te bewerkstelligen.

Wat we dus feitelijk zien is dat Nederland en Amerika naar elkaar toe bewegen. In Nederland trekt de verzorgingsstaat zich terug en legt de overheid steeds meer nadruk op ‘eigen kracht’ van burgers die ‘samenredzaam’ voor elkaar moeten zorgen, op de democratische samenleving kortom. Aan de andere kant zien we dat de Amerikaanse overheid juist de ‘gebrekkige eigen kracht’ en ‘samenredzaamheid’ van de Amerikanen met Obamacare probeert te compenseren. Of, in andere woorden: de Nederlandse overheid probeert de nadelige effecten van afgedwongen indirecte solidariteit op te vangen met vrijwillige, maatschappelijke directe solidariteit; de Amerikaanse overheid de nadelige effecten van maatschappelijke, directe solidariteit met indirecte en afgedwongen solidariteit. Waar Obamacare iedereen gelijke zorg wil bieden, verhoogt de Nederlandse overheid het eigen risico, waardoor mensen zelf medeverantwoordelijk worden voor hun zorguitgaven en er juist verschillen zullen ontstaan. Waar Amerika ontdekte dat directe solidariteit leidde tot uitsluiting, lijkt de Nederlandse overheid te vertrouwen op eigen kracht van de burger. Waar de Nederlandse overheid rechten schrapt, biedt de Amerikaanse overheid garanties.

Interessant is de vraag waar de twee voormalige uitersten elkaar raken. Natuurlijk kan Amerika wel wat meer overheidsregulering gebruiken, al is het alleen al om de inkoopprijs van zorg omlaag te brengen. En natuurlijk is de Nederlandse burger verwend. Hoe kun je verwachten dat de gemeenschap wel voor je ouders zorgt als je dat zelf niet meer wil doen? Beide landen lijken op zoek naar een nieuw evenwicht tussen burger en overheid, tussen indirecte solidariteit en directe solidariteit. Juist daarom zijn de debatten over de nieuwe ontwikkelingen zo hevig. Zo suggereerde Sarah Palin dat Obama ‘death penals’ zou instellen om te bepalen of mensen niet te oud waren om zorg te krijgen. Of erger: dat de overheid zou bepalen wanneer je aan je einde toe was. Maar ook in Nederland was de discussie ongemeend fel toen het kabinet-Rutte II voorstelde om de zorgverzekeringspremie inkomensafhankelijk te maken. Hele gezinnen zouden failliet gaan, zo was de communis opinio. Sommige Republikeinen vrezen dat de overheid failliet gaat door Obamacare en de rest van Amerika in haar val meesleept. Om die reden dreigen sommige Republikeinen de verhoging van het schuldenplafond, dat voor 17 oktober op de agenda staat, te blokkeren. Als dat gebeurt, komt het land in nog veel grotere problemen.

Het debat is volstrekt gepolitiseerd en kent slechts voor- en tegenstanders. In slaap gesust door een decennialange status-quo schudt de crisis ons nu wakker. We moeten opnieuw leren bezien met wie we solidair willen zijn en onder welke voorwaarden en hoe we dat organiseren. De systemen waar Nederland en Amerika in de tweede helft van de twintigste eeuw aan gewend zijn geraakt zijn aan vernieuwing toe. Maar het debat is vooral zo heftig omdat, zoals Tocqueville ons leerde, het gaat om vrijheid en gelijkheid. En met name in de zorg zijn vrijheid en gelijkheid als voorwaarden voor broederschap noodzakelijke waarden.

In Nederland stolden die waarden in een dikke laag rechten, protocollen, richtlijnen en regels, kortom, bureaucratie. In Amerika stolden die waarden in sociale conventies, dogma’s en taboes die de democratische samenleving mogelijk maakten. In beide landen raakten ze langzamerhand onzichtbaar. En nu de zorgsystemen aan vernieuwing toe zijn, komen ze weer aan de oppervlakte. En dus moeten we het weer over onze fundamentele waarden hebben. En dat is precies wat we verleerd zijn. Vandaar de polarisatie. Vandaar de politieke verlamming. Het debat roept centrifugale in plaats van middelpuntvliedende krachten op en dat is nauwelijks een basis om een nieuw systeem op te bouwen.

De zorg is bij uitstek een domein om dat om te draaien. Omdat zorg voor elkaar wellicht het nobelste is wat de samenleving en de overheid ooit hebben voortgebracht. Het gesprek over met wie we nog solidair willen zijn, zal met horten en stoten gaan, met vallen en opstaan. Daar zullen we aan moeten wennen, in de zorg zelf, maar ook in de wetenschap, de journalistiek, de kunst. Vooral omdat de status-quo in beide landen geen duurzaam alternatief meer is. Verandering is precies wat de zorg, zowel in Nederland als in Amerika, nodig heeft. Allereerst voor Ann, Gijs en hun lotgenoten.


Albert Jan Kruiter is oprichter van het Instituut voor Publieke Waarden en Sociaal Hospitaal en medeauteur van Rondje voor de Publieke Zaak (RMO, 2013). Dit essay kwam tot stand in samenwerking met acteursgroep Wunderbaum. Onder de noemer The New Forest (thenewforest.nl) onderzoekt Wunderbaum de komende vier jaar de mogelijkheden van een alternatieve samenleving. De afgelopen maand waren ze in Los Angeles waar ze samen met het Los Angeles Poverty Department in Skid Row de voorstelling Hospital maakten, waarin ze de toekomst van de zorg verkennen. Hospital is 16 en 17 november te zien in de Rotterdamse Schouwburg

Beeld: Jason Redmond / Reuters