Whoeaah!

Het podium staat vol kaarsjes. Dat belooft gezellig te worden. De Melkweg is afgeladen. Zelfs het balkon staat volgepakt. In het donker veel gestaltes met lang haar. Erg veel haar. Kenmerk van metal.

Grote reuzen maken high fives met bekenden. Bij de bar enkelen uit de verste hoeken van het land. Bevinden wij ons hier op het archetypische metal-concert vol blanke mannen in spijkerpak, zwart mouwloos shirtje en een pokdalige vriendin? Nee.
Sinds het ideale fotomodel weer een ondervoede anorexiapatiënte à la Twiggy is en reclame iets leuk kinky-achtigs moet hebben, heeft het genre metal een esthetisch opstekertje gekregen en een nieuwe generatie fans begeesterd. Zij lopen vanavond in keurig verzorgde korte punkkapsels, lange baggy korte broeken en fleurig gekleurde T-shirts. Tevens geschikt om in te hiphoppen of te skaten.
Ook is er vanavond een aanzienlijk aantal onvolgroeiden aanwezig. Aaneengeschurkt begeven ze zich door de zaal. De puistjes kleuren extra rood. Een gespannen glimlach op de toet.
Dan dimmen de laatste lichten.
‘Whoeaah!’
Zo, begonnen. Daar staat Soulfly. Een ongelooflijke takkeherrie slaat het publiek vol in het gezicht. De geluidsgolven zijn massief, beuken als een stormram tegen het trommelvlies. Na ongeveer een minuut herstellen de oren zich iets en beginnen ze weer te horen. Eerst nemen ze vaag verschillen waar. Dan onderscheiden ze in de massa een drum, gitaren en zang.
Het valt te betwijfelen of dat voor iedereen geldt. Van voor het podium tot achterin bij de bar krioelt het publiek als een reuzenmierenhoop. Maar dan met botsen. Dit is niet het ouderwetse hakwerk met alleen hoofd en haar. Lichaam, hoofd en armen bewegen hier elk in een eigen ritme. Alledrie met een rotgang.
'Een oog voor een oog!’ brult de massa in trance mee, 'Pijn… haat… pijn.’ Zanger/gitarist Max Cavalera en z'n mannen komen uit de Braziliaanse sloppen en gebruiken ritmes uit het regenwoud en Caribische stijlen als samba en salsa. Cavalera brult als een Mongoolse keelzanger die zich heeft vergist en in plaats van de boven- de onderkant van zijn luchtpijp gebruikt. 'Um, dois, três, quatro…’ en een vreemde taal volgt. Een deel van een indianenliedje. Dan Engels, hij brult ergens diep vandaan: 'Jullie stam - Mijn stam. Jullie leven - Ons leven. Jullie God - Onze God. Jullie stam - Onze stam.’
De drummer, zijn rood gepunte haar staat wijd uit, ontdekt de meest waanzinnige ritmes. De bassist springt consequent op elke eerste tel van de maat hoog op. De andere gitarist houdt continu zijn gele haartooi in beweging. Boven, beneden, op elk plekje in de zaal staan de mensen mee te schudden. Zij die stilstaan omvatten met kracht een reling. Alle blote armen staan gespannen. Alles is kracht. Zelfs de lucht voelt krachtig van geluid.
Even is er lucht. Alleen trommels. 'Bumba! Bumba!’ schreeuwt de Melkweg mee. Als uit een enkele mond. Als een stam. Een stam die haat. Het concert is een agressieve brul van begin tot na de toegift.
Na afloop staren mensen glazig voor zich uit. Echt praten lukt niet - in verband met het horen.
De jongsten gaan het eerst naar huis.

  • Trio Bier - Dans met mij. Alleen de bandnaam is erg. De smartlappen op deze cd horen thuis op een feestje waar iedereen iets te veel drinkt. Veel accordeon en mondharmonika. De muziek van Amsterdam verandert ook. Die wordt warmer, broeieriger. +/- Public Enemy - He Got Game. Ze zijn weer bij elkaar. Gemaakt voor de film He Got Game van Spike Lee, de andere schrik van blank Amerika. Niet minder dan tien jaar geleden, wel begint de taal van de revolutie lichtelijk te irriteren.