Het klimaatinferno van Californië

‘Whoesj weg’

In Californië bepaalt klimaatverandering het leven van miljoenen mensen. Niet alleen de allesverwoestende branden nemen toe, ook de zeespiegel zal bovengemiddeld snel stijgen. Klimaatkosten worden onbeheersbaar. De staat biedt ons een kijkje in de toekomst.

De Woolsey-branden in Malibu, Californië, 9 november 2019 © Ringo H.W Chiu / AP Photo / ANP

Als het noodlot toeslaat, verwacht je dat niet op een plaats als deze. Op anderhalf uur rijden van Los Angeles, rond de oude Spaanse missiepost Santa Barbara, ligt een van de mooiste stukken kust van de Verenigde Staten. Makelaars vergeten nooit om de bijnaam ‘Californische Rivièra’ te laten vallen, of de namen van wie hier zijn neergestreken. Het is er vijf graden koeler dan en vijfmaal zo rustig als in de stad en het landschap is adembenemend: een smalle strook met palmen en grote huizen tussen de Stille Oceaan en het ruige, steile achterland. De prachtige Mountain Drive kronkelt hier tussen de eiken, cactussen en rotsblokken van Santa Barbara naar boven en dan oostwaarts, de droge heuvels in. In 2018 braken die af en bedolven, aan het einde van Cold Spring Creek, het stadje Montecito.

‘Wat er gebeurde was onvoorstelbaar. Het was nauwelijks voor te stellen wat er toen allemaal naar beneden is gespoeld’, zegt Dave Holzman, een advocaat uit Santa Barbara. ‘Ik fiets graag met vrienden op Mountain Drive naar boven. Maar toen de weg heropend werd, lag die op sommige stukken tien meter lager. Op het ergste stuk was de grond tot zestig meter diep weggespoeld, gewoon een enorm gat in de heuvel. Er waren rotsblokken meegegaan zo groot als bestelwagens. Alles wat in het pad van de stroom lag, was weg.’

Tientallen mensen werden bedolven onder hun huizen of spoelden mee de oceaan in. Er waren 23 doden, twee van hen werden nooit gevonden, schoonmaak- en schadekosten bedroegen 230 miljoen dollar en Santa Barbara was wekenlang afgesloten voor verkeer, de snelweg bedolven onder meters modder.

Een grote brand, een paar weken eerder, had de heuvels boven Montecito verzwakt: de begroeiing die de grond van de heuvels vasthoudt was erdoor verdwenen. De Thomas Fire was de grootste ooit in de geschiedenis van Californië. Een gebied bijna zo groot als de provincie Utrecht ging in vlammen op, ruim honderdduizend mensen werden geëvacueerd, bestrijding kostte tweehonderd miljoen dollar, de schade ruim twee miljard. Een half jaar na de ontbranding werd de Thomas Fire ten einde verklaard. De volgende grootste brand begon toen net. Inmiddels, twee jaar later, is de Thomas Fire gezakt naar plek zes; elk jaar komen er grotere branden bij.

‘Toen ik hier dertig jaar geleden kwam wonen was er een brand, en toen twintig jaar niets. Maar in de laatste tien jaar kan ik me zeven grote branden herinneren, het is nu eigenlijk elk jaar’, zegt Holzman. ‘We horen er ook steeds over, je ruikt in het vuurseizoen altijd wel rook, soms kun je moeilijk ademen en regent het as. In de avonden worden de hemel en de zon oranje, het ziet er heel raar en eng uit. Ik ken zo vier, vijf mensen wier huis is afgebrand. Ik woon aan de rand van de stad en ik ben in het vuurseizoen constant alert. We zijn al een paar keer geëvacueerd en bij harde wind ben ik altijd bezorgd. Als het heet is, sluit het elektriciteitsbedrijf soms de stroom af, want hun palen vliegen spontaan in de fik. Ik heb het een keer met eigen ogen gezien vanuit de voortuin. Die paal en de draden die eraan hingen vlogen gewoon, “whoesj”, uit zichzelf in brand, sissend en met vonken die eruit vlogen en een boom aanstaken. Het werd geblust, maar zo begint het dus.’

De angst en onzekerheid die het leven van Dave Holzman zijn binnengedrongen, beheersen de levens van miljoenen mensen in de belangrijkste staat van de VS. Een op de acht Amerikanen woont er, en als Californië een land was zou de economie de vijfde van de wereld zijn. Californië is al ruim anderhalve eeuw de ultieme bestemming voor de Amerikaanse droom, sinds er rond 1850 goud werd ontdekt. Een eeuw geleden woonden er 3,5 miljoen mensen, nu twaalfmaal zoveel, en over dertig jaar komt er waarschijnlijk nog eens de helft van het huidige aantal bij. Maar daar staat een andere trend tegenover. De stabiliteit van het leven in Californië erodeert nu het klimaat er in snel tempo heter en droger wordt. Wind- en neerslagpatronen veranderen, de seizoenen verleggen zich en het zeeniveau stijgt. In Californië is de toekomst van de wereld aangebroken.

Nergens gaat dat sneller dan in Santa Barbara. Samen met de buurprovincie Ventura warmt Santa Barbara sneller op dan elke andere provincie in de VS. Sinds 1895 steeg de gemiddelde temperatuur met 2,3 graden Celsius. De maximale klimaatopwarming die de wereld heeft afgesproken in de klimaatakkoorden van Parijs, heeft zich in Santa Barbara dus al voltrokken. En het tempo van die opwarming is de afgelopen vijf jaar nog geaccelereerd. Klimaatmodellen voorspellen dat het aantal extreem hete dagen over dertig jaar al dubbel zo hoog is als nu.

‘We weten niet precies waarom het hier zo snel gaat. Maar elk deel van Californië warmt op in een alarmerend tempo’, zegt Samantha Stevenson, een jonge wetenschapper aan het prachtig gelegen klimaatinstituut van UC Santa Barbara, met vrij uitzicht over de oceaan. ‘Californië lijkt bij uitstek vatbaar voor klimaatverandering. Wat er gebeurt, is dat de basissituatie verandert. We krijgen een heter en droger klimaat, en dat versnelt problemen zoals de verdamping van vocht uit het landoppervlak en het uitdrogen van de bodem. We krijgen daardoor langere en intensere droogtes. Dat verhoogt onder meer het risico van natuurbranden.’

Dat risico heeft niets theoretisch meer. Deze maand ging Californië een nieuw tijdperk in: dat van de ‘gigavuren’. De brand met de naam August Complex was de eerste die groter was dan een miljoen acres, de in de VS gebruikte oppervlaktemaat. Voorgaande branden werden altijd geteld in duizenden acres, en heetten daarom ‘megavuren’. De schaal van het probleem tart het voorstellingsvermogen van brandbestrijders in de staat. August Complex was ruim dubbel zo groot als de vorige grootste brand, en even groot als alle natuurbranden in Californië bij elkaar in zelfs nog recente jaren. Het brandrecord wordt dit jaar opnieuw verpulverd. De teller staat al op ruim vier miljoen acres, ruim dubbel zo veel als het vorige jaarrecord, en er zijn nog maanden te gaan.

Een kwart van de Californiërs woont in brandgevaarlijk gebied. Veel van hen volgen hun weer-app even obsessief als Nederlanders: niet voor een teken van zon, maar voor elk teken van neerslag. Regens zorgen echter weer voor hun eigen probleem. ‘Warmere lucht houdt meer vocht vast, en dat valt ook weer neer’, legt Stevenson uit. ‘De gemiddelde neerslag in Californië verandert niet zoveel, maar de manier waarop het valt wel. We krijgen langere droge periodes en een langer vuurseizoen, maar ook intensere neerslag wanneer het wél regent. In Californië neemt niet alleen de kans op extreme gebeurtenissen toe, ook de kans dat verschillende extreme gebeurtenissen tegelijk plaatsvinden groeit. Zoals in Santa Barbara in 2018.’

Wie zich bewust is van de risico’s en de mogelijkheden heeft om daarop in te spelen, handelt zoals Alex Pate. De dertiger met twee dochters, twee honden en een auto die in Nederland een monstertruck zou heten (hij moet springen om in te stappen), legt het uit in de achtertuin van zijn huis in de aan zee gelegen wijk Campanil. Pate heeft zijn huis net gekocht – hij is nog volop aan het klussen – maar ging niet over één nacht ijs. Dat zou ook onverstandig zijn, met een dichtbegroeide heuvel achter zijn huis en een beekbedding (met nu een lief stroompje) aan de andere kant van de straat.

‘Ik heb overal risicoanalyses van deze wijk opgevraagd’, zegt hij. ‘De rotsgrond is hier stevig en schudt relatief weinig bij een aardbeving. Als er een modderstroom door de kreek naar beneden komt, stroomt die vanwege een bocht over aan de overkant en niet aan de onze. Een tsunami komt van de andere kant, maar die volgt ook de kreekbedding en raakt in geen enkel scenario ons huis. En hier achter de heuvel zit de wijk Hope Ranch, met al die kasten van huizen. Die laten ze niet zomaar branden. Ik reken op hem daar.’ Hij grijnst en wijst naar een enorm huis op een heuveltop. Volgens lokale geruchten werd dat veertig jaar geleden gekocht door de puissant rijke sjah van Perzië, na zijn vlucht voor de revolutie in Iran.

Pate weet waar hij het over heeft als hij zegt dat hij op zijn rijke buren rekent. Hij werkte namelijk ooit voor de Private Clients-afdeling van verzekeraar aig. Private Clients is een chique woord voor ‘megarijken’. Het is de categorie klanten die jaarlijks een kwart miljoen dollar of meer betaalt aan verzekeringspremie. Wat je voor zoveel geld te verzekeren hebt? Volgens aig per klant gemiddeld negentien voertuigen, 1,7 miljoen dollar aan sieraden, bijna twintig miljoen aan kunst, en negen huizen in verschillende landen.

De grenszone tussen stad en natuur is vaak hardcore 'Trump-country'. En dus staan er telkens nieuwe huizen klaar om af te fikken

Je polis van een kwart miljoen dekt niet alleen brandschade, je krijgt er ook privébrandweer voor. Die komt langs, geeft tips over brandveiligheid en haalt struiken en andere ‘brandstof’ weg bij je huis. Bij een natuurbrand komen ze om tochtroosters te verzegelen en brandwerend schuim over je huis te sproeien, terwijl je je uit de voeten maakt of wordt opgehaald. Niet naar een stretcher in een gymlokaal, naast andere getroffenen, maar naar een vijfsterrenhotel dat de verzekeraar regelt. En ja, er zijn ook bluswagens: een zo’n verzekeraar zegt er 53 beschikbaar te hebben voor zo’n duizend verzekerde landhuizen.

Travis Zehntner bij de overblijfselen van het huis waar een vriendin omkwam door een modder­stroom. Montecito, Californië, 11 januari 2018 © Brian van de Brug / Los Angeles Times / Polaris / ANP

Privébrandweer is uitgegroeid tot een serieuze bedrijfstak, met lobbyisten en een beroepsvereniging. Ze ontstond in de jaren tachtig, als reactie op de bezuinigingen op openbare diensten onder president Ronald Reagan. Eerst lieten de brandweerbedrijven zich inhuren door overheden, bij natuurbranden. Later kwamen daar grote bedrijven bij die hun gebouwen wilden beschermen of zich afdekken tegen schadeclaims. (Veel branden worden namelijk veroorzaakt door verouderde kabels en transformators. Elektriciteitsbedrijf PG&E ging daardoor vorig jaar failliet aan schadeclaims.) Maar in deze eeuw heeft de privébrandweer haar aandacht verlegd naar de megarijken van de Amerikaanse westkust. En de sector groeit als kool.

Dat kwam onder het vergrootglas te liggen door twee grote vuren die op dezelfde dag ontbrandden in 2018: de Woolsey Fire bij de extreem rijke wijk Hidden Hills in Los Angeles, en de Camp Fire in een afgelegen, arme streek, bij het stadje Paradise. Bij Paradise werd de brand onder meer bestreden door gevangenen, voor 1 dollar per uur, die werden bewaakt met geweren. In Hidden Hills ontfermde privébrandweer zich over het zestig miljoen kostende landhuis van Kim Kardashian en Kanye West en de villa van supermodel Bella Hadid. Toen daar kritiek op kwam, regelde Kardashian een talkshow om te vertellen hoe ze de brandweer had ingehuurd om ‘de hele gemeenschap’ te beschermen – lariekoek natuurlijk.

Privébrandweer is sindsdien een omstreden onderwerp in Californië. De gewone brandweer heeft een hekel aan ze, omdat ze niet bijdragen aan de algemene brandbestrijding, maar wel optellen bij de individuen van wie de locatie bekend moet zijn. ‘Het is gewoon nog een verantwoordelijkheid erbij voor het hoofdkwartier’, aldus een brandweerchef tegen maandblad The Atlantic. Maar de discussie heeft ook een ideologische kant. ‘Op winst gerichte productie van branddiensten genereert lagere kosten dan overheidsvoorzieningen, voor gelijke niveaus van opbrengst’, betoogde de libertaire econoom Fred McChesney. En dat is een belangrijk symbolisch punt. Als je kunt aantonen dat je zelfs geen overheid nodig hebt voor zoiets fundamenteels als de brandweer, dan heb je de staat wellicht nodig voor niets.

Aan de andere kant van het ideologische spectrum blaast privébrandweer nieuw leven in het beruchte pleidooi van de activistische historicus Mike Davis. In 1995 schreef hij het provocatieve wetenschappelijke artikel ‘The Case For Letting Malibu Burn’. ‘De rijkste en armste landschappen van Zuid-Californië zijn ironisch genoeg vergelijkbaar in de frequentie van ontvlambare rampen’, stelde Davis. Hij onderbouwde dat inwoners van Los Angeles’ beruchte achterbuurt Skid Row een groter gevaar liepen door vuur dan die van het steenrijke Malibu. Maar die laatsten profiteren van een breed palet aan verzekeringen, subsidies, regels, media-aandacht en een reuzenleger brandweer; de eersten niet. Dat kost de gemeenschap heel veel geld, terwijl de rijken van Malibu ervoor kiezen om in brandgevaarlijk gebied te wonen. Dat wordt niet erkend, schreef Davis: ‘Politici en media hebben een probleem van landgebruik gecamoufleerd in een neutraal discours over natuurlijke gevaren en publieke veiligheid.’

Wie die analyse over het heden legt, ziet dat dit akelig veel geldigheid heeft voor de branden van dit moment. Als dure Californische huizen door vuur worden bedreigd, is dat altijd omdat ze bij het mooiste uitzicht staan: aan de rand van de natuur. Vanuit brandoogpunt kun je niet op een slechtere plek bouwen dan in Malibu en Santa Barbara. Deze en andere rijke gemeentes liggen aan grote natuurgebieden, benedenwinds van de Santa Ana-winden: harde, extreem droge en hete winden die elke nazomer ’s nachts vanuit Amerika’s woestijnen over Californië naar zee blazen. Zij jagen elk vonkje aan tot een vuurzee.

Maar de branden, en het ‘landgebruik’ naast brandbare natuur, zijn steeds meer een probleem voor minder rijke Californiërs. Een centraal probleem is betaalbare woonruimte. Huren zijn astronomisch in populaire steden, en uit de hele staat vluchten inwoners naar goedkopere buurstaten of ze raken dakloos (in Los Angeles leven vijftigduizend mensen op straat). Californië dwingt daarom al decennia agressief af dat gemeentes woningen bijbouwen. Gemeentes doen dat doorgaans waar dat het goedkoopst en gemakkelijkst is: op onbewoonde grond, aan de rand of buiten de bebouwde kom – in een grenszone tussen steden en natuur die geografen wildland-urban interface (wui) noemen. Zo worden bij San Diego tienduizend huizen gebouwd in gebied dat als ‘extreem brandgevaarlijk’ gekwalificeerd staat. Die slaapwijken zijn bij een natuurbrand het eerste aan de beurt.

Deze woningbouw in gevaarlijk gebied is essentieel om Californië’s vuurproblemen te begrijpen. Even boven de stad Santa Rosa woedde in 1964 de Hanley Fire; zo’n honderd huizen brandden af. In 2017 brandde ruwweg hetzelfde gebied nog eens af door de Tubbs Fire. Nu verwoestte dat bijna zesduizend huizen, met als gevolg bijna anderhalf miljard dollar schade. En daarna gebeurt altijd hetzelfde. Iedereen is ontsteld, een handvol economen en ecologen pleit om niet op dezelfde plek terug te bouwen, maar dakloos geworden families zetten het (gekozen) stadsbestuur, meestal via de media, onder druk. Vaak komen daar clichés bij over ‘nooit opgeven’ als essentie van Amerika en woede tegen de overheid die zou verbieden je huis te herbouwen – de wui is vaak hardcore Trump-country. En dus staan er steeds meer huizen klaar om af te fikken – en als ze affikken, weer opnieuw.

Daar komt nog bij dat blussen zorgt voor ergere branden. Dit ontdekte de federale bossendienst pas na een halve eeuw. Elke natuurbrand blussen betekent dat steeds meer brandstof zich in de natuur ophoopt. Normaal brandde die weg in beperkte branden – de natuur brandt in Californië namelijk altijd al. Sterker: meer dan de helft van de Californische natuur is ‘brandafhankelijk’, die moet af en toe branden om het ecosysteem in stand te houden. De rest is ‘vuuraangepast’. Maar mensen zijn dat niet. Dus komen er steeds meer wijken die niet mogen branden in of pal naast natuur die moet branden. Omdat er toch steeds wordt geblust, worden die branden groter en de natuur droger. Branden geven bovendien steeds meer rook, waardoor het ongezond is om buiten te zijn. Daar komt dan nog eens klimaatverandering overheen.

‘Er is niet één unieke reden waarom de zaken in Californië zo snel zo slecht zijn geworden’, zegt ook klimaatwetenschapper Daniel Swain van UC Los Angeles, in een telefonisch gesprek. ‘De onderliggende langetermijnfactoren bij natuurbranden, zoals de erfenis van het bosbeleid en de groei van woonwijken in risicogebieden, spelen al decennia op de achtergrond. Die zijn de afgelopen tien jaar niet opeens versneld. Maar iedereen ziet dat de natuurbranden wel snel zijn verergerd. Er is de laatste jaren een duidelijke acceleratie. Allerlei zaken grijpen in elkaar. De hogere temperaturen zorgen voor een drogere grond en drogere vegetatie. Het regenseizoen wordt korter en de zomer langer, waardoor de Santa Ana-winden in de herfst al gaan waaien voordat het geregend heeft. Het is een heel slechte combinatie.’

Swain vervolgt: ‘En toch voltrekken deze klimaatveranderingen zich lineair. Wat zorgwekkend is aan Californië, is dat kleine stappen in klimaatverandering er de laatste tien jaar zulke grote effecten hadden vergeleken met andere plekken. Het lijkt erop dat de kleine stapjes in de verandering van Californië’s klimaat van jaar op jaar nu grote, niet-lineaire gevolgen beginnen te krijgen op ecosystemen en het risico op extreme gebeurtenissen. En ik zie helaas geen bewijs dat suggereert dat we binnenkort een soort plateau gaan bereiken.’

‘Dat is belangrijk’, zegt hij, ‘omdat mensen vaak spreken over een “nieuw normaal”. Dat suggereert dat we een nieuw evenwicht hebben bereikt, maar ik zie geen reden waarom we niet voorgoed in deze richting zouden doorgaan. Dat suggereren onze klimaatmodellen. Elk jaar is weer slechter dan het vorige. Het is duidelijk dat we het einde van die trend niet hebben bereikt, en we weten niet waar dat einde is. Pas als we de uitstoot van CO2 sterk omlaag brengen, kunnen we verbetering verwachten.’

Broad Beach, bij Malibu, is een wrede woordgrap geworden: bij hoogtij stap je van de strandtrap zo het water in

Maar hoezeer de situatie ook om verandering vraagt, de inwoners en de overheden van Californië lijken als verlamd toe te kijken, en steeds terug te keren naar de weg waarvan vaststaat dat die meer schade gaat geven. Dat geldt voor grote beslissingen – waar je tienduizend woningen gaat bouwen – en voor kleine. Zo probeerde Santa Barbara om zijn CO2-uitstoot vijftien procent omlaag te brengen, nadat Californië dat in 2015 had gevraagd. Santa Barbara lijkt daar een uitgelezen plek voor: de opwarming is er urgent en merkbaar, en de bewoners zijn milieubewust (de stad geldt als de geboortegrond van de moderne milieubeweging). Een werkgroep adviseerde daarop betaald parkeren in te voeren in het centrum omdat gratis parkeerruimte tot meer autogebruik leidt. Het leidde tot een storm van protest: inwoners die gratis parkeren de essentie van Californië vonden, de olie- en auto-industrie die campagnes sponsorde. De stad liet het plan varen, wat tot gevolg had dat in 2017 niet een afname maar een toename van CO2-uitstoot te meten was.

Het Californische kuststadje Pacifica na een hevige storm. 26 januari 2016 © Josh Edelson / AFP / ANP

Het is maar een kleine anekdote, maar wel een die aangeeft hoezeer de richtingaanwijzers steeds maar richting meer klimaatellende blijven staan, onder druk van mondige burgers die het klimaat graag willen helpen als dat niets kost, bedrijven die niets willen veranderen en politici die herkozen willen worden. Maar toch trekt één partij die wankele toren misschien onderuit – mogelijk zelfs binnenkort. En dat zijn de grote verzekeraars.

Want wie pikt uiteindelijk de rekening op van die steeds heftiger branden? Mensen zelf, de staat, maar afgelopen jaren moesten ook verzekeraars flink incasseren – een verzekeraar moest naar verluidt een kwart eeuw aan bedrijfswinst uitkeren aan brandschade in 2018. Daarom gooiden zij verzekeringspremies voor risicowoningen in 2019 omhoog – naar een bedrag dat het daadwerkelijke risico reflecteert van wonen in gevaarlijk gebied. Toen burgers boos bij de staat aanklopten, verbood Californië de premieverhogingen. De verzekeraars reageerden voorspelbaar: ze schreven in de hoogste risicogebieden geen polissen meer uit. Huiseigenaren kregen plotseling schriftelijk meegedeeld dat hun huis niet meer verzekerd zou zijn tegen brand.

Nu was er geen bezorgdheid meer, maar paniek. Als een huis onverzekerbaar is, stort de waarde in en wordt het onverkoopbaar. Dat zou economisch de nekslag zijn voor miljoenen Californiërs en het woning- en daklozenprobleem in één klap veel erger maken. En dus verbood Californië verzekeraars simpelweg om klanten te laten vallen. Maar dat verbod geldt voor één jaar en is niet verlengbaar. In december verloopt het. Door allerlei partijen wordt nu met grote belangstelling naar Californië gekeken. Klimaatverandering treft alle delen van de wereld, en Californië is een laboratorium. Wat komt daaruit? En wat gebeurt er met de samenleving als de klimaatkosten onbeheersbaar worden?

De uitkomst van de strijd om de rekening van vuur wijst wellicht de weg voor die van een waarschijnlijk op termijn nog kostbaarder probleem in Californië: water. In Santa Barbara is een voorproefje van dat probleem te zien bij een wandeling over de kliffen die de Universiteit van Californië scheiden van de oceaan. Het is een onwaarschijnlijk mooie plek, begroeid met dennen, duingras en kustplanten en met pelikanen die traag boven de golven langs glijden.

Elke avond druppelt het hier vol met studenten die komen drinken en de zon in zee willen zien zakken. Maar het plateau eindigt abrupt, met een loodrechte wand tot het strand. Elk jaar vallen er een paar dronken studenten van af. Zorgwekkender is het puin van de afgebroken stukken klif dat opgehoopt ligt tegen de voet. Dat probleem wordt serieus als je de studentenhuizen bereikt die op de kliffen zijn gebouwd. Ze staan te dichtbij – of beter, de rand is te dicht bij de studentenhuizen gekomen. Op de campus zelf is het probleem nog niet urgent, maar dat verandert bij de studentenhuizen aan Del Playa Drive. Aan de straat lijken ze normaal, maar hun achterkant hangt soms letterlijk over de rand, steunend op palen in de rotsen eronder. De eerste huizen zijn al gesloten en afgebroken, want de zee komt dichterbij. Op sommige plekken in Californië met anderhalve meter per jaar – nu al.

De omvang van dit probleem is niet op het eerste gezicht duidelijk, ook niet voor de meeste Californiërs, want de zee was in hun beleving altijd grillig. Maar onderzoek wijst uit dat de oceaan de afgelopen zeventig jaar juist relatief rustig was, en dat die periode mogelijk ten einde komt. Door een gunstige windrichting en koeler water langs de westkust bleef de zeespiegelstijging in Californië de afgelopen eeuw lager dan het gemiddelde in de wereld. Maar het water langs de Amerikaanse westkust warmt nu snel op. Klimaatmodellen voorspellen dat Californië in deze eeuw een bovengemiddelde stijging van het zeeniveau moet verwachten.

Californië is gebouwd tot aan de zee: huizen op kliffen en op stranden, zakendistricten tot aan de kades, snelwegen en spoor langs de waterrand. Al die infrastructuur ligt vast. Maar de zee stijgt, en overal moet dat onroerend goed worden beschermd. Dat klinkt makkelijker – en goedkoper – dan het is. In het zakendistrict van San Francisco staat een slordige honderd miljard aan onroerend goed, achter een afbrokkelende zeewering vol essentiële kabels en leidingen. De kosten voor verhoging en onderhoud zijn minstens twee miljard dollar. De hele baai van San Francisco tegen extreme klimaatscenario’s beschermen, kost volgens een studie 450 miljard: elfduizend dollar per Californiër. En dat is één stuk van ruim dertienhonderd kilometer kust.

Langs die hele kust proberen huiseigenaren, bedrijven en overheden hun onroerend goed te beschermen tegen erosie. Daarbij kwamen Californiërs er al doende achter dat wanneer je kustbescherming aanlegt, de zee het zand dat ervoor ligt wegspoelt. Oftewel: een promenade, stenen wand of blokkenpier die je achter een strand legt, ligt na een aantal jaren vrij aan zee. Kustbescherming eet het strand op. Dit probleem is groter dan het lijkt. Iedere huiseigenaar en elke gemeente ziet het beschermen van een woning hier en een restaurant daar als een klein, lokaal probleem, maar nu al ligt voor dertig procent van de Zuid-Californische kust enige vorm van kustbescherming. Doemdenkers waarschuwen voor een gebarricadeerde staat achter een zeewal van Mexico tot Oregon.

En dat kost meer dan alleen het geld voor beton en versteviging. Niets is zo bepalend voor Californiërs als het strand, maar het idee dat die stranden er gewoon ‘liggen’ is onzin. Ze zijn constant in beweging: bij stormen neemt de zee zand mee en dumpt het ergens anders, kliffen brokkelen af en vullen het zand aan. Barricades verstoren dat proces en leiden tot veel zand op onhandige plekken – het strand van Santa Monica is honderdvijftig meter breder geworden – en heel veel kale rotsen elders. Toen die stranden verdwenen, begonnen veel gemeentes zand te storten. Maar dat is nutteloos. Toen San Diego 17,5 miljoen dollar aan zand stortte, was dat binnen een jaar weg. Steenrijke gemeentes zoals Del Mar doen het toch, elk jaar weer, als een kosmetisch wegwerpproduct. Maar zand is een schaars en duur goed geworden, en voor de meeste gemeentes is dat onhaalbaar. En dus verdwijnen de iconische stranden. Broad Beach, bij Malibu, is een wrede woordgrap geworden: bij hoogtij stap je van de strandtrap zo het water in.

Wat het water betreft geldt dezelfde bestuurs- en gedragsverlamming als bij het vuur. Overal waar het probleem opspeelt, komen mensen woest in het geweer en beginnen ze eindeloze procedures. Ventura was twee decennia bezig met het verplaatsen van zijn eigen parkeerplaats. Als er privé-eigenaars in het spel zijn, wordt er vaak geruzied tot er onmiddellijk levensgevaar dreigt of de boel simpelweg in zee stort.

Nergens is dat zo duidelijk als in Pacifica, een onder San Francisco gelegen stadje dat als lakmoesproef wordt gezien. In de jaren zeventig liep er strand langs de volledige lengte, onder de dure huizen op de kliffen. Maar toen kwamen de zeeweringen, verdwenen de stranden en begonnen de kliffen af te brokkelen. Nu zijn openbare discussies schreeuwwedstrijden over wie waarvoor moet opdraaien en wanneer. In 2016 liet de gemeente na een storm een dozijn huizen en drie appartementencomplexen sluiten en afbreken, met de rekening voor de gemeenschap. Het stormseizoen van 2019 kostte ook weer de helft van een normale jaarrekening. En zo gaat het elk jaar. De huiseigenaren eisen dat de gemeente hun huis beschermt, en anders uitkoopt. Maar een Californiër met wie ik dat besprak, vatte de meerderheidsopinie als volgt samen: ‘Dus ik zou elk jaar moeten betalen zodat een miljonair nog wat langer van zijn uitzicht kan genieten en ons strand voor altijd verdwijnt, en hem aan het eind uitkopen zodat hij ergens anders in een villa kan wonen? Nee bedankt!’

Het probleem is simpelweg onbetaalbaar. Na orkaan Sandy aan de oostkust van de VS kocht de staat New York voor 120 miljoen dollar driehonderd huiseigenaren uit op Staten Island. In Malibu koop je daarvoor een villa of tien. En dus ruziën huiseigenaren, de staat en verzekeraars door tot de natuur de zaak overneemt. Het dorp Gleason Beach wordt daarom wel voorgesteld als het toekomstvisioen van Californië. Negen onverzekerbare ex-droomhuizen, ooit miljoenen waard, hangen daar boven zee, met de brokstukken van hun terrassen en hun kapotgeslagen kustwering onder aan de klif, te wachten op wat onvermijdelijk is. Sommige bewoners zijn weggegaan, anderen rollen dagelijks de dobbelsteen.

‘De rampen die Californië treffen, illustreren dat mensen meer bezig zijn met wat er gebeurd is, dan met wat er komen gaat’, zegt klimaatwetenschapper Samantha Stevenson. ‘Ze praten over wie het moet opruimen, herbouwen of betalen. Maar dit gaat steeds vaker gebeuren. In Californië, in de hele wereld. Ook West-Europa krijgt volgens klimaatmodellen te maken met ernstige verdroging. Het benadrukt de noodzaak om collectief over klimaatverandering na te denken. Niet in de toekomst, want het voltrekt zich nu.’