Wie bederft welk feestje?

Het nimmer eindigende debat over de crisis in de kritiek wordt ook de laatste weken weer vurig gevoerd. Wat is de betekenis, en de rol van de serieuze literatuurbeschouwing in een tijd dat kranten en tijdschriften hun oren steeds meer laten hangen naar het publiek?

Medium opening groene d d kritiek

De Finse componist Jean Sibelius had een standaardantwoord als hij werd geconfronteerd met zuinige kritieken op zijn werk. ‘Er is nog nooit een standbeeld opgericht voor een criticus’, zei hij dan en daarmee drukte hij de minachting uit die veel kunstenaars voor critici koesteren. Mislukte kunstenaars zouden het zijn, verachtelijke broodschrijvers, opportunisten die meewaaien met de wind die in hun knusse coterietje waait. Lafhartig, lui, cynisch, rancuneus, giftig, machtsbelust, kneedbaar, omkoopbaar – het is maar een handvol van de lelijke adjectieven die op het gilde van de boekbesprekers zijn geplakt. Onafhankelijk is de criticus vooral in eigen ogen; anderen hebben nooit een hoge pet van zijn soevereiniteit op gehad.

Lees er Verloren illusies van Honoré de Balzac maar op na. De roman verscheen in delen rond 1840 en speelt zich twintig jaar daarvoor af, in de tijd dat de ene na de andere krant het licht ziet en het in elkaar draaien van smeuïge columns en kritieken een manier is om een mooie maîtresse te onderhouden, elke avond in een restaurant te dineren en koetsen te huren van waaruit je kunt neerkijken op mensen die jou als nieuwkomer in de grote stad eerst niet zagen staan.

In Verloren illusies trekt Julien Chardon, een jonge dichter uit de provincie, naar Parijs om zijn geluk te beproeven en leert al snel dat boeken voor boekhandelaren en uitgevers hetzelfde zijn als katoenen mutsen voor mutsenverkopers. Omdat hij geen ‘martelaar van de eeuwige roem’ wil worden kiest hij voor het snelle succes van de journalistiek. Balzac, die zelf ook uitgever, journalist en broodschrijver was geweest, put vast uit eigen ervaring als hij beschrijft hoe journalisten zich laten fêteren door actrices in ruil voor een juichende recensie in de krant, hoe boekbesprekers meesterwerken kraken omdat hun hoofdredacteur dat opdraagt, en hoe een criticus in een boekhandel kakelverse boeken doorverkoopt, hij heeft aan de prospectustekst genoeg.

De Amerikaanse schrijver William Gaddis haalde met dat laatste gegeven een mooie grap uit in zijn vuistdikke debuutroman The Recognitions uit 1955. Aan het eind van het boek heeft hij een scène ingelast waarin een boekbespreker en een dichter elkaar ontmoeten in een kleermakerszaak. Ze zitten allebei zonder broek te wachten op de kleermaker, die een en ander op maat maakt, en de dichter ziet dat de criticus een ongewoon dik boek onder zijn arm heeft geklemd. Of hij dat aan het lezen is, vraagt hij. Nee, zegt de criticus, hij leest het niet, hij moet het bespreken. Waarna hij begint te klagen over zijn schamele betaling en het vooruitzicht dat het hem zijn hele avond zal kosten. Dan merkt hij op dat de dichter hopelijk niet net het boek heeft gekocht. ‘Christ, I could have given it to you, all I need is the jacket to write the review.’

De scène was een soort wraak vooraf, want de kritiek liet het inderdaad afweten. Een aantal jaren na het verschijnen van The Recognitions wijdde de amateurcriticus Jack Green (een pseudoniem) een vlammend schotschrift aan de ontvangst van de ruim negenhonderd bladzijden tellende roman, die inmiddels is gecanoniseerd als belangrijke voorloper van het Amerikaanse postmodernisme. Zijn literaire J’Accuse publiceerde Green in zijn eenmanstijdschrift newspaper, onder de veelzeggende titel ‘Fire the Bastards!’; een jaar of tien geleden verscheen het ook in boekvorm. Hij analyseerde de recensies en constateerde dat twee critici openlijk hoonden dat ze het boek niet hadden uitgelezen, maar dat veel anderen dat klaarblijkelijk ook niet hadden gedaan. Eén criticus maakte zeven flaters in zijn stuk, maar feitelijke fouten over de plot waren in vrijwel alle besprekingen te vinden, zo werd door een van de beroepslezers diabetes voor een drugsverslaving gehouden. Heel wat recensenten parafraseerden de flaptekst of plagieerden elkaar en bedienden zich van voorgebakken clichés als ‘lang’, ‘ambitieus’, ‘onbegrijpelijk’ en ‘erudiet’. Van de 55 besprekingen waren er slechts twee adequaat.

Er heeft, kortom, nooit een cultureel Arcadië bestaan, een idyllisch landschap waarin uitgevers, critici en schrijvers niets anders deden dan ernstig en belangeloos op de bres staan voor kwaliteit. Niet alleen zijn critici van oudsher van gemakzucht, slordigheid en karakterzwakte beschuldigd, ook de klacht dat de ware kunst wordt overschaduwd door de tucht van de markt is al in de negentiende eeuw te vinden. De befaamde Franse literatuurcriticus Charles Augustin Sainte-Beuve wees al in 1839 in zijn artikel La littérature industrielle op de fnuikende invloed van advertenties: ‘Hoe iets op een paar centimeter afstand te veroordelen, te kwalificeren als belabberd en ondeugdelijk, als het zich een paar centimeter lager aanprijst en uitroept tot het wonder van de eeuw?’ De Amerikaanse dichter en schrijver Edgar Allan Poe observeerde al in 1847 dat het publiek zich eerder liet leiden door prachtige verkoopcijfers dan door mooie kritieken: ‘Kritiek lijkt maar weinig effect te hebben op de populaire smaak.’ En de Amerikaanse auteur Edward Wilson ging al in 1926 zo ver te stellen dat ‘het tegenwoordig nauwelijks mogelijk is de recensies van de advertenties te onderscheiden’.

De laatste jaren worden er telkens weer op papier en in zaaltjes, in Nederland maar bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten en Engeland, verhitte debatten gevoerd over de crisis in de kritiek. Veelal gaat het dan om de toenemende commercialisering die maakt dat nieuws- en marktwaarde zwaarder wegen dan artistieke waarde en dat kranten en tijdschriften, met het oog op de lezersmarkt, hun oren steeds meer laten hangen naar het publiek, waardoor de ruimte voor kritiek krimpt ten gunste van interviews en sfeerreportages.

Het klopt ook wel dat kranten meer en meer leunen op lezersonderzoek en als dat leert dat de lezers recensies maar saaie kost vinden, is de consequentie dat de grotere beschouwing plaats maakt voor consumentenvoorlichting, voor de beknopte helderheid voorzien van sterren of ballen. Het is ook waar dat publiciteitsafdelingen steeds meer invloed proberen uit te oefenen door ‘unieke’ (groeps)interviews met grote sterren of snoepreisjes aan te bieden, op voorwaarde van aandacht op een prominente plek. Of door ‘exclusieve’ dvd-deals voor de webshop, sponsoring van festivals en lezersdagen te beklinken met de commerciële afdeling. Natuurlijk is er daardoor sprake van een vervagende grens tussen marketing en journalistiek. Maar in feite is dit ‘oud nieuws’, vooral een verheviging van de zaken die Balzac, Sainte-Beuve en Poe ook al aanroerden.

De apocalyptici en de aangepasten verdedigen twee kanten van dezelfde medaille

Het omgekeerde valt ook te beweren: de aandacht voor cultuur en literatuur in de pers, en daarmee ook de kritiek, kon groeien dankzij de ondersteuning van de markt. De besprekingen van Sainte-Beuve vonden, zo kun je zijn citaat ook lezen, een relatief groot publiek vanwege de advertenties die het periodiek waar hij voor schreef mede financierden. De culturele en literaire bijlagen die in de jaren zeventig in Nederland bij de kranten werden gevoegd en een gouden tijdperk voor de kritiek inluidden, werden geïntroduceerd omdat culturele adverteerders op die manier hun publiek wisten te vinden. Saillant is dan ook dat de mediacriticus van The Guardian, Michael Wolf, begin dit jaar op zijn blog schamperde dat de boekrecensie een ‘gedateerd genre’ is en dat literaire mensen hoe dan ook ‘allemachtig gedateerd’ zijn. Zijn argument? Het uitblijven van advertenties.

In de jaren zestig merkte Umberto Eco in zijn boek De structuur van de slechte smaak scherpzinnig op dat een van de meest merkwaardige uitvloeisels van het verschijnsel cultuurindustrie de kritiek op de cultuurindustrie zelf is. Sinds de opkomst van de burgerlijke cultuur in de loop van de achttiende eeuw distantiëren pessimisten zich met afschuw van de (massa)media die met de omhelzing van pulp hun esthetische maatstaven met voeten treden. In het voorwoord van zijn boek maakt Eco een onderscheid tussen apocalyptici en aangepasten, waarbij de eersten cultuur als iets aristocratisch en verfijnds beschouwen, iets dat lijnrecht staat tegenover de vulgariteit van de media. De aangepasten verkondigen daarentegen optimistisch dat de massamedia en ‘massakunst’ als de televisie, de film en het stripverhaal het publiek voor cultuur juist hebben verbreed.

Eco somt achtereenvolgens de beschuldigingen op van de apocalyptici en de aangepasten en dat doet hij retorisch zo geraffineerd dat het nog moeilijk kiezen is. Volgens de pessimisten richten de massamedia zich op een ‘gemiddelde smaak’, als ze zich over ‘hogere’ cultuur buigen doen ze dat op een genivelleerde manier, waarbij de lezer zich niet hoeft in te spannen. Aan een meesterwerk wordt, qua ruimte en presentatie, dezelfde aandacht besteed als aan pulp van de hand van een Bekend Persoon. Kunst wordt zogezegd gebracht als aangenaam vermaak en vrijetijdsbesteding. Volgens de optimisten komt door de massamedia juist een ervaring die eertijds alleen was weggelegd voor de rijkere klassen binnen het bereik van velen.

Maar Eco vraagt zich vervolgens af of het niet om een valse tegenstelling gaat. Vertegenwoordigen de apocalyptici niet het meest geraffineerde product dat door de massamedia ter consumptie wordt aangeboden? Het beste bewijs daarvan vindt hij de manier waarop de kritiek op de massacultuur vaak wordt verspreid in dagbladen en tijdschriften met grote oplagen. Zij is ‘zelf ook een perfect product van de massacultuur geworden, verhandeld als consumptiewaar en leesvoer voor snobs’.

Het is interessant om met de gedachten van Eco in het achterhoofd te kijken naar een debat dat in de zomer van 2012 in de Amerikaanse media speelde. Het begon met een polemisch artikel van Jacob Silverman, criticus van de New York Times, die onder de kop ‘Against Enthousiasm’ de literatuurcritici verwijt dat ze ‘soft’ zijn geworden. Er waart volgens hem een ‘flood of niceness’ door de Amerikaanse kritiek. De literaire kritiek bevindt zich in een deplorabele staat: boekenbijlagen moeten inkrimpen of worden opgeheven, en boekbesprekers denken klaarblijkelijk dat ze meer lezers trekken met stroop dan met pek en veren. Maar kritiek is geen ‘applausmachine’, zij is er voor het toekennen van waarde aan kunst en voor het betekenisvolle oordeel. Voor het articuleren van standaarden die een vitale rol spelen in de culturele dialoog.

Silverman raakte een gevoelige snaar. Laura Miller, de criticus van de website Salon, nam het juist op voor de positieve boekbespreking. Er verschijnen zo veel boeken die niet eens worden opgemerkt, stelt zij, dat je wel gek bent als je gehakt maakt van een boek waar nog niemand van heeft gehoord. Dan zeg je in feite: ‘Let me draw your attention to an obscure book that’s not worth reading and then tell you in detail why it doesn’t measure up.’

Zeker na Millers pleidooi voor positieve kritiek regende het reacties op de kwestie. Daarin zijn grofweg de stellingnamen van Eco’s apocalyptici en aangepasten terug te vinden. De apocalyptici verdedigen de ‘ware’ kritiek en hekelen de ‘rise of the cult of the noncritical’. De aangepasten bestempelen negativisme als een slechte dienst aan het publiek en stellen dat het ontmoedigen van de verkoop door lelijke recensies bovendien een vorm van broodroof is.

Als je de argumenten in het debat over positieve kritiek onder de loep neemt, zie je dat de apocalyptici en de aangepasten nog steeds twee kanten van een zelfde medaille vertegenwoordigen. Jacob Silverman richt zich in zijn afkeer van het epidemische enthousiasme in de kritiek in de eerste plaats tegen de online boekencultuur. Het internet, dat door velen als een reddingsboei wordt gezien nu de grote kranten en tijdschriften de ruimte voor kritiek beperken, ziet hij niet als een alternatief. Literaire blogs en websites worden bevolkt door amateurcritici, want geld voor een honorarium is er doorgaans niet. En, erger, het culturele landschap raakt erdoor verbrokkeld. Websites nemen de centrale rol van kranten niet over.

De aandacht voor kunst, ook voor de ‘hoge’, is alleen maar toegenomen sinds de jaren zeventig

Door de sociale media is er daarnaast een innige gemeenschap van schrijvers, uitgevers, boekhandelaars en lezers ontstaan die elkaar volgen en met retweets en ‘likes’ voortdurend over de bol aaien. Het is een permanente feestelijke boekpresentatie, waar iedereen vriendschappelijk en enthousiast is. Een Facebook-vriend feliciteer je eerder met een nieuw boek dan dat je kritisch voorbehoud gaat maken – op Facebook kun trouwens toch alleen ‘liken’. Geen wonder dat uitgevers tegenwoordig de kritiek proberen te omzeilen en zich in de blogosfeer rechtstreeks tot de lezer richten. De sceptische criticus is in die wereld degene die het feestje komt bederven.

Het feestje bederven, dat doen de negatieve kritieken ook in de ogen van Laura Miller. Of in die van schrijver en essayist Marc Reugebrink, die een maand na het Amerikaanse debat in de Vlaamse krant De Standaard schrijvers van negatieve recensies van broodroof en verraad betichtte, overigens zonder naar dat debat te verwijzen.

Het belangrijkste argument tegen negatieve kritiek komt erop neer dat het feestje al bedorven ís, niet door sikkeneurige critici, maar door de omstandigheden – en daarmee worden de aangepasten opeens apocalyptici. Vroeger nam literatuur nog een centrale plaats in. Literatuur was, in de woorden van Reugebrink, ‘gemeenschapsstichtend’, en had een belangrijke rol in het onderwijs en bij de vorming van onze culturele identiteit. De esthetiek had een ethische dimensie, het debat over literatuur oversteeg het literaire. Die context is verdwenen, er is ook nauwelijks meer een gedeelde ervaring als het gaat om literatuur.

Miller constateert dat hoogopgeleide jonge mensen in haar omgeving de bejubelde romans van Jonathan Franzen en Dave Eggers, twee van de interessantste en meest maatschappelijk geëngageerde Amerikaanse schrijvers van het moment, hooguit van horen zeggen kennen. Ze hebben niets van ze gelezen, kennen hun werk niet uit de eerste hand, waardoor kritiek op een dorre bodem valt. Met enthousiaste besprekingen red je, aldus Reugebrink, ‘de literatuur van totale verdwijning uit onze cultuur’.

De apocalyptci gaan in hun jeremiades over de ondergang van de kritiek echter graag voorbij aan de paradoxale situatie die is ontstaan als het gaat om kunst in de krant. Aan de ene kant is er inderdaad minder ruimte voor kritiek: het aantal recensies en de lengte ervan zijn ingeperkt. Aan de andere kant is de aandacht voor kunst, ook voor de ‘hoge’, alleen maar toegenomen sinds de jaren zeventig. Bij de Nederlandse kwaliteitskranten worden inmiddels dagelijkse culturele bijlagen gevoegd, die weliswaar voor een groot deel worden gevuld met interviews en reportages, maar die tegelijkertijd breed informeren over het cultuuraanbod. Plat gezegd: aan reflectie en diepte gaat er het nodige verloren, maar daar staat tegenover dat er veel wordt gewonnen aan breedte en toegankelijkheid.

In zijn essay over de massacultuur schrijft Umberto Eco over het heimwee dat hij signaleert naar de ‘renaissancemens’, type Leonardo da Vinci, die op uiteenlopende terreinen door eigen inzet grote hoogte – en diepgang – bereikte. Hij springt daarmee heen over het burgerlijke beschavingsideaal dat vanaf de Verlichting zijn intrede deed. Zeker in de twintigste eeuw zetten politiek en onderwijs, maar ook de media, zich in voor dat ideaal: zo veel mogelijk mensen moesten toegang krijgen tot cultuur, en niet tot passief vermaak, maar tot kunst die hen zou ‘verheffen’.

Volgens de apocalyptici wordt aan dat beschavingsideaal alleen nog maar lippendienst bewezen – zie de teloorgang van de kritische reflectie. Er valt echter ook te beweren dat het nog steeds bestaat, maar flink van karakter is veranderd. Tegenover de renaissancemens plaatste Eco terloops de ‘nieuwe mens’, die zich soepel beweegt tussen de klassieke en populaire cultuur en zich bovenal laat informeren door de massamedia. In de breedte dus. Bovendien waren er in de Renaissance ook niet zo veel echte renaissancemensen.

Eco’s opmerkingen lijken een voorafschaduwing te vormen van Alessandro Baricco’s prikkelende essay De barbaren van een paar jaar geleden, waarin hij de angst voor culturele verloedering die overal in het Westen heerst nader beschouwt. Hij betrekt er de stelling in dat we ons in een overgangsfase bevinden. Lang hebben we de idee gekoesterd dat de edele, hogere betekenis der dingen zich in de diepte bevond, dat verdieping het hoogste goed was. Maar misschien kijken we helemaal verkeerd naar degenen die we de barbaren noemen en zien we niet dat er een nieuwe soort ontstaat, eentje met kieuwen achter de oren, die heeft besloten onder water te leven. Geen wonder dat wij, met onze longetjes, die nieuwe wezens bekijken als een dreigende Apocalyps. Waar zij ademhalen, verdrinken wij. De nieuwe soort beweegt zich over het oppervlak van de wereld, eerder in de breedte dan in de diepte, hij is eerder snel dan traag, eerder zappend dan geconcentreerd, maar ook hij doet ervaringen op bij het lezen van boeken en het luisteren naar muziek en wie zegt dat hij daar geen betekenis uit haalt? Hij weet zijn weg te vinden in de nieuwe wereld die aan het ontstaan is en daarbij kan hij wel degelijk heel gericht in het diepe duiken.

De vraag is uiteindelijk hoe de criticus die onafhankelijkheid en diepgang hoog in het vaandel voert zich staande houdt in de overgangsfase waar we nu in leven. In ieder geval zou hij de jammerklachten over de commercialisering van de kunsten en de media moeten relativeren – die zijn er altijd geweest. De diepe reflectie van de renaissancemens of de Bildungsbürger is nooit iets voor de massa geweest, of misschien maar heel even, tijdens de bloeitijd van de kritiek in de jaren zeventig.

Wat let de criticus om, zoals dat in de geschiedenis zo vaak is gedaan, zijn geld te verdienen met stukken in de krant en daarnaast, in een meer gespecialiseerd tijdschrift, op zijn blog of in een boek, het diepgravende essay te schrijven dat hij in de krant niet kwijt kan? Om broodschrijver te zijn én als criticus bij te dragen aan de onmisbare culturele dialoog? Niet klagen dus, maar aan het werk. Kijk naar de kritische teksten die een ingrijpende invloed hebben gehad en bedenk dat die veelal gepubliceerd werden in tijdschriften of boeken voor een klein publiek. Het is de kracht van de beschouwing die telt, niet de oplage van het medium.


Dit is een ingekorte versie van een essay dat verschijnt in de bundel On-af naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van het Mediafonds