Wie bedriegt wie?

Ze ging tegenover hem zitten en zei: ‘Het ergste zijn de leugens. Je liegt altijd. Ik heb gemerkt dat elk woord dat je uitspreekt een leugen is. Nee, begin niet te onkennen, ook dat zou weer een leugen zijn. Luister naar me…

Over dat luisteren gesproken: daar begint jouw leugen. Met het niet juist kunnen luisteren. Eerst dacht ik dat je slordig luisterde, nu weet ik dat je expres verkeerd luistert: je hoort wat je wilt horen. Daar begint de leugen al: met het doelbewust verkeerd luisteren…
Ik heb nooit geweten dat het bij dat luisteren al begon, maar daar begint het.
Het manipulerende luisteren is de bron van al het kwaad dat er tussen ons is. Want wat jij bewust verkeerd hoort, geef je vervolgens ook nog eens verdraaid weer.
Ook dat is een kunst die je beheerst als geen ander. Het geeft je de mogelijkheid mijn eigen gehoor in twijfel te trekken. Waar was je? vroeg je laatst.
In de keuken, zei ik.
Je was niet in de keuken, ik zag je op de gang, zei je.
Ik was in de keuken… ik was ook in de gang, zei ik.
Maar je zei dat je in de keuken was…
Het is een huis-, tuin- en keukenvoorbeeld van jouw gehoor en verdraaide weergeven. Van je gelieg.
Loog je maar ouderwets, loog je maar dat blauw rood was, dat een tafel een auto is, en dat je een avond vergaderen had terwijl je naar je vriendin ging. Maar op zulke leugens ben je niet te betrappen. Het zijn veel ergere leugens.
Het is de leugen van de waarheid die niet bestaat, waarnaar dus altijd verwezen kan worden. De leugen van het luchtkasteel. De illusie. Jij goochelt met illusies, een tovenaar in dienst van de leugen.
Ik vraag me wel eens af in wat voor wereld je leeft. Een wereld waarin niets is zoals het zou moeten zijn. Jij loopt niet op straat, je bent aan het controleren. Je ziet geen schilderij, je ziet een verborgen boodschap van anderen aan jou. Je bent niet paranoïde, maar je hanteert het als een vermogen. Waardoor je altijd ontsnappen kunt.
Doe jij de afwas? vroeg ik.
Maar ik heb daarnet al de afwas gedaan? zei je.
Doe de afwas nu.
Maar ik moest de kelder opruimen!
Nooit “ja” of “nee”, altijd “maar” en “en” na een vraag van mij. Dat zijn de ergste leugens.
Ik ga vanavond naar Anneke, zeg ik, waarna jij zegt: Terwijl ik hier thuis zit en de afwas moet doen, en de kamer moet opruimen.
Je laat mij geen zin zeggen. Je doet net of ik geen punten zet.
Ik ga weg! zeg ik.
Je laat mij alleen, is jouw antwoord.
Je maakt dan van mijn zinnen leugens. Zo lieg jij een eigen wereld bij elkaar, een wereld waarin jij in het centrum zit, want die draait om jou. De grote aandachtvrager.
Laat mij alleen. vraag ik.
Wat moet ik dan doen, zeg jij.
Hou je van me? vroeg je.
Ik weet niet wat het is, zei ik.
Waarom hou je niet meer van me? vroeg je toen - verkeerd geluisterd, verkeerd weergegeven, gelogen dus.
En nu - nu ben je treurig. Je huilt dikke tranen met tuiten, maar waarom? Waarom ben je niet gelukkig met die leugens?
Waarom, als je mij bedriegt, kan je jezelf niet bedriegen, zodat je niet hoeft te huilen? Dat snap ik niet…
Als ik zou kunnen wat jij kan, zou ik altijd gelukkig zijn; ik zou de wereld naar mijn hand zetten.
Maar jij wilt met je leugens mijn wereld afpakken, terwijl je er niets mee doet. Dat begrijp ik niet.
Ik ken ondertussen de truc van jouw gelieg.
Die is eenvoudig.
Jij, die macht over de taal hebt, hebt alle woorden waardeloos gemaakt. Ze betekenen niets meer, en dus kan je er mee doen wat je wilt.
Elke zin is een paradox geworden. Niets is meer wat het is.
Wie bedriegt wie?
Ik vraag het je - en hoor hoe ik jou dubbelzinnigheid heb overgenomen: wie bedriegt wie?’