De onderklasse en de verheffing

Wie bekommert zich om de onderklasse?

De elite liet de onderklasse in de steek door het paternalisme taboe te verklaren. Volgens de wetenschappers Evelien Tonkens en Tsjalling Swierstra moet er meer waardering komen voor mensen die het noodzakelijke werk doen, maar die niet de top bereiken. Nog beter maken: Verder in deze special: de (oudenampsen oudenampsen oudenampsen), de liefdeloze vingerwijzingen van Theodore Dalrymple en de oneindige zwerftochten van ’s werelds lompenzoekers.

‘Heb je het artikel van Wouter Bos al gelezen?’ vraagt Evelien Tonkens terwijl ze de opiniepagina van NRC Handelsblad van deze avond (24 juni 2009) naar me toeschuift. ‘Het verheffingsideaal is actueler dan ooit’ luidt de kop boven het stuk waarin de politiek leider van de pvda stelt dat de sociaal-democratie niet zonder elite kan en dat zij niet langer bang moet zijn de weg te wijzen naar een betere en rechtvaardiger toekomst. ‘Wat eerst nog gezien wordt als betweterij, betutteling of paternalisme, wordt jaren later (h)erkend als visie, verlichting of zelfs bevrijding’, aldus Bos.
Dit is niet alleen een breuk met het recente verleden, waarin de sociaal-democratie nergens zo bang voor was als om voor ‘betuttelend’ of ‘paternalistisch’ te worden versleten. Het sluit ook nauw aan bij een artikel dat Evelien Tonkens samen met haar levensgezel Tsjalling Swierstra in 2005 in het tijdschrift Krisis publiceerde en hun recente boek, De beste de baas? (Van Gennep, 2008). Het artikel werd opgenomen in de bundel Bedrogen door de elite? (Pelckmans/Klement, 2008), waarin kritisch werd gereageerd op de conservatieve cultuurkritiek van Theodore Dalrymple. In dat stuk pleitten Tonkens, bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam en columnist van de Volkskrant, en Swierstra, hoofddocent techniekfilosofie aan de Universiteit van Twente, voor een ‘links beschavingsoffensief’.
Evelien Tonkens: ‘Lange tijd bestond bij links het idee dat je de mensen kon bevrijden door ze geld, rechten en voorzieningen te geven. Dan zou het vanzelf goed komen. We gaan ons niet bemoeien met hoe zij hun leven willen vormgeven, hoe ze met hun geld omgaan, hoe ze met elkaar en met hun kinderen omgaan, want dat is paternalistisch, betuttelend en arrogant. Dat is niet klassiek sociaal-democratisch, want daar leefde het verheffingsideaal heel sterk, maar het is een houding die ontstond in de jaren zestig en zeventig, toen men zich ging verzetten tegen de elite en de paternalistische professionals. Autonomie en vrijheid waren toen de hoogste idealen, keuzevrijheid leek het allerbelangrijkste. Hierdoor werd het ook taboe om te proberen om de zogenaamde onderklasse te beschaven. Als je de economische en sociale voorwaarden zou scheppen, zou het met deze mensen vanzelf beter gaan. Dalrymple heeft gelijk als hij zegt dat links de onderklasse hiermee in de steek heeft gelaten, omdat deze mensen niet genoeg hebben aan geld, rechten en voorzieningen. Je hebt competenties nodig om daar op een goede wijze mee om te gaan. Als je mensen geld, rechten en voorzieningen aanbiedt zonder te kijken of ze die competenties hebben, laat je ze eigenlijk in de steek. Onder het mom van antipaternalisme heeft links de onderklasse zo aan zijn lot overgelaten. Maar Dalrymple vertelt er niet bij dat ook rechts geen poot heeft uitgestoken en dat links vaak helemaal niet zoveel te zeggen had.’

Wie heden ten dage om zich heen kijkt, zal wellicht tot de conclusie komen dat het niet alleen de onderklasse is die in aanmerking komt voor een beschavingsoffensief. Tsjalling Swierstra: ‘Dat klopt, ook bij de middenklassen valt nog zat te beschaven en over het gegraai van de topinkomens wordt terecht veel geklaagd. We hebben 25 jaar neoliberale kaalslag achter de rug die de gehele samenleving heeft aangetast. De neoliberale boodschap luidde dat je aan de samenleving niets kon veranderen, maar dat je aan je eigen leven alles kon doen. Als er in de samenleving iets misging was het nooit jouw schuld, maar als het in je persoonlijke leven fout liep, dan was dat altijd en voor honderd procent je eigen schuld. Beide beweringen zijn niet waar, maar hebben wel enorme invloed gehad. Bovendien heeft het hele vertoog over eigen verantwoordelijkheid, keuzevrijheid en persoonlijke beslissingen geresulteerd in een morele leegte. Iedereen moet zelf weten hoe hij zijn leven inricht, daar mogen wij niet over oordelen. Het gevolg is bijvoorbeeld dat we bij studenten zien dat ze het moeilijk vinden om te discussiëren, omdat ze hebben geleerd dat elke mening evenveel waard is. Ook over de levenswijze van anderen mag je geen oordeel uitspreken, laat staan dat je probeert die te veranderen.’
Tonkens: ‘Dat is wat Dalrymple het verraad van de elite noemt. Nadat de progressieve elite in de jaren zestig en zeventig geëxperimenteerd heeft met drugs, promiscue seks en de zogenaamde antiautoritaire opvoeding is zij daar allang weer van teruggekomen, terwijl die boodschap bij de onderklasse heel goed is aangekomen.’
Swierstra: ‘Als ik kijk hoeveel onze vrienden in hun kinderen investeren, hoeveel beschavingsarbeid ze verrichten. Er wordt eindeloos geschaafd en gepolijst, elk kind moet een apart kunstwerkje worden. Deze kinderen worden hierdoor toegerust voor de wereld en beschikken over veel competenties om succesvol te worden. Prachtig. Maar zodra je zegt dat het leuk zou zijn als andere mensen die het minder goed getroffen hebben en bij wie het allemaal niet komt aanwaaien, ook die competenties zouden ontwikkelen, dan mag dat niet. Dat is bevoogdend en paternalistisch.’
Vóór de jaren zestig ging een grote beschavende invloed uit van de verschillende sociale verbanden waarvan mensen deel uitmaakten. Dat gold voor de kerken, maar ook voor de vakbonden en de linkse jeugdbeweging, waar mensen uit lagere klassen contact hadden met meer ontwikkelde geestverwanten.
Tonkens: ‘Die verticale bindingen zijn grotendeels verdwenen, en dat is een probleem. Het contact tussen de verschillende klassen beperkt zich nu tot onderwijs, sociaal werk en justitie. En bij het laatste gaat het natuurlijk om correctie als het al is misgegaan. Eigenlijk wordt de beschavingsarbeid helemaal overgelaten aan het onderwijs, dat al overbelast is en zich beperkt tot de jeugd. Daarna wordt iedereen aan zijn lot overgelaten.’
Swierstra: ‘Het onderwijs kan niet alles compenseren. Dat zie je bij de Marokkaanse probleemjongeren. Ook op straat en in gezinnen moet iets gebeuren. We kunnen niet toestaan dat sommige gemeenschappen met hun rug naar de samenleving staan, hoewel een echte liberaal van mening is dat je hier niets tegen kunt doen. In Amerika heb je misschien nog de ruimte om dergelijke gemeenschappen hun gang te laten gaan, maar hier zijn het altijd de buren die geconfronteerd worden met de negatieve effecten.’
Tonkens: ‘In de praktijk gebeurt er al veel beschavingsarbeid, maar vaak gaat dat nog onbeholpen omdat allerlei hulpverleners zich afvragen: wie ben ik om mensen te vertellen wat ze moeten doen? Voor het Handboek moraliseren (Van Gennep, 2006 – rh), dat ik mede heb geredigeerd, hebben we veel gesprekken gevoerd met mensen uit de zorg en het welzijnswerk. Wat zij missen is een mandaat van de samenleving om te mogen optreden.’
Swierstra: ‘Veel beschavingsarbeid gaat nu in jongens zitten, want die zijn soms gewelddadig. Dat is een typisch liberaal paradigma: als je iemand schaadt, val je binnen ons aandachtsgebied, dan treden we op. Meisjes daarentegen worden vaker mishandeld, of reageren op sociale dwang met een zelfmoordpoging. Maar dat valt niet binnen het liberale paradigma, daar kunnen wij zogenaamd niets aan doen. Dat is buitengewoon onrechtvaardig, daar zou veel offensiever beleid op gevoerd moeten worden. Dat betekent dat je veel indringender in allerlei seksepatronen gaat porren: meisjes weerbaarder maken én hun omgeving veranderen. Want als je alleen aan weerbaarheid werkt, ben je weer bezig met individualiseren, terwijl het ook een zaak van de samenleving als geheel is.’
Tonkens: ‘Een mooi voorbeeld is het initiatief van stadsdeelvoorzitter Ahmed Markouch om in Slotervaart iets te doen aan de wijze waarop veel moslims over homoseksualiteit denken. Een interessante poging om ook volwassenen beschaving bij te brengen. Soms is beschavingsarbeid ook gewoon het laten indalen van een maatschappelijke discussie, want we leven niet in een dictatuur waarin je tegen mensen kunt zeggen: ik weet hoe jij moet denken, dus daar houd je je aan.’

De afgelopen decennia lag alle nadruk op de ontwikkeling van vrije individuen die zichzelf voortdurend moesten ontplooien. Dat heeft veel mensen inderdaad ontplooiing geboden, maar de samenleving is daardoor niet socialer geworden.
Tonkens: ‘Je wilt niet alleen vrije individuen, maar ook sociale individuen, en dat zorgt natuurlijk voor een zekere spanning. Het sterkste punt van de pvda vind ik nog steeds dat vrijheid, gelijkheid en solidariteit als drie-eenheid worden gezien. Die gaan niet gemakkelijk samen, maar zijn alle drie heel belangrijk. Na 25 jaar neoliberalisme hebben we geen sterk verhaal meer over empathie. Het geldt voor alle klassen dat mensen zich niet voldoende kunnen verplaatsen in hoe iets voor een ander is. Maar in een democratische samenleving is empathie cruciaal: als niemand meer automatisch de baas is of bevelen moet gehoorzamen, moet je, om samen tot goede besluiten te komen, kunnen begrijpen wat een ander beweegt.’
Swierstra: ‘In veel opzichten is de samenleving rechtvaardiger dan een eeuw geleden. Mensen hebben veel meer kansen om te klimmen op de maatschappelijke ladder. Wat echter vaak wordt vergeten, is dat naarmate je een samenleving rechtvaardiger maakt, deze voor de verliezers vernederender wordt. Als een wedstrijd oneerlijk verloopt, kun je als verliezer nog je zelfrespect behouden, het lag immers niet aan jou. Maar hoe behoud je je zelfrespect in een samenleving waarin je alle kansen hebt gehad en waarin je toch verloren hebt? Dat kan gemakkelijk leiden tot ressentiment en wraakgevoelens. Bij de verklaring voor de opkomst van populistische partijen wordt dat vaak over het hoofd gezien.’
Tonkens: ‘Links heeft lang gehamerd op de spreiding van inkomen en macht, maar wij zijn van mening dat het ook belangrijk is dat iedereen gelijke toegang heeft tot bronnen van zelfrespect. Een van die bronnen van zelfrespect is werk. En dan niet alleen omdat het inkomen en carrièrekansen verschaft – want ook onbetaald werk valt eronder – maar ook omdat mensen er trots aan kunnen ontlenen. Het feit dat je nuttig werk doet, en daar goed in bent, kan bijdragen aan je zelfrespect.’
Swierstra: ‘Maar de meritocratische ideologie heeft ons geleerd dat we moeten woekeren met onze talenten, dat we steeds hoger moeten klimmen. In de jaren zestig leek het ideaal van zelfontplooiing mooi en onschuldig, maar het heeft tegenwoordig een bijzonder competitieve wending gekregen, waarbij de hele samenleving onderhand een wedstrijd is geworden. Dat heeft tot gevolg dat er tegenover een beperkt aantal winnaars veel verliezers staan, waarbij degenen die in economisch opzicht winnen ook politiek veel beter gehoord worden en ook nog eens vooraan staan bij het ziekenhuis. Zo krijgen mensen die de top niet bereiken steeds meer het gevoel dat ze losers zijn.’
Tonkens: ‘Er is weinig waardering voor mensen die dingen in stand houden, die dag in, dag uit iets doen wat gewoon gedaan moet worden. Een gebouw moet iedere dag schoongemaakt worden. Dat hoeft niet steeds schoner, of beter of sneller, en iemand die dat doet, of die in de zorg werkt, zou daar voldoende respect aan moeten kunnen ontlenen. Maar als je dat nu doet, en je bent niet binnen een paar jaar de baas over een paar andere mensen die dat werk doen, dan geld je als een sukkel.’
Swierstra: ‘Het gaat om een herverdeling van waardering. Nu gaat alle waardering uit naar degenen die succes hebben en dat trekt alle zuurstof weg rond de andere mensen die ook goed, nuttig en belangrijk werk doen. Dat gezeur over de voc-mentaliteit is funest, want als iedereen die mentaliteit heeft, gaat niemand meer een gebouw schoonmaken of in een verpleeghuis werken. In plaats van een meritocratie zouden we toe moeten naar een aidocratie, van het Griekse woord aidos, dat respect betekent. Uiteraard moet dat gepaard gaan met een bepaalde mate van inkomensnivellering, omdat salarisverschillen ook een symbolische waarde hebben. Als er mensen zijn die per jaar vele tonnen of zelfs miljoenen verdienen, zullen mensen die op het minimumloon zitten zich eerder minderwaardig of miskend voelen.’
Tonkens: ‘Toegang tot bronnen van zelfrespect: dat is een heel andere manier om tegen de samenleving aan te kijken. Het zou mooi zijn als links daar meer over zou nadenken. Maar het neoliberale discours heeft nog steeds veel invloed en de angst voor paternalisme is nog altijd groot. Ik heb wel eens tegen Femke Halsema gezegd dat als de leerplicht niet bestond, zij tegen de invoering ervan zou stemmen. Als je nu dit NRC-artikel van Wouter Bos leest, zou je zeggen dat de pvda bereid is een andere weg in te slaan. Maar het is jammer dat hij wel zegt dat het oude verheffingsideaal belangrijk is, maar dat hij absoluut niet aangeeft hoe dat er volgens hem uitziet en wat de sociaal-democratie zou kunnen doen. Als je mensen, ongeacht of ze nu tot de onderklasse of de middenklasse behoren, een alternatief voor Wilders wilt bieden, zul je toch met een concrete visie moeten komen. De aidocratie bijvoorbeeld.’