Wie ben ik?

Bart de Haan woont in het kippenhok met één witte kip en vier bruine kippen. De kippen bewonderen hem om zijn geweldig mooie gekraai. ‘(“Er is geen haan die mooier kraait dan Bart”, zeggen de kippen. Maar Bart vat ’s(nachts een koutje en raakt zijn stem kwijt, kan alleen nog hard niezen. Op aanraden van Sara Schaap maken de kippen een warme sjaal die Bart om zijn hals krijgt. “Ga nu eerst maar eens lekker slapen, Bart”, zeggen de kippen. “Dan ben je morgen misschien weer helemaal beter.”(’

Wanneer ik het boek uit heb, vraag ik me af: is Bart een goede naam voor een haan? Zou hij niet beter Rolf hebben kunnen heten, of Jan of Sascha of Pieter of Klaas of Timo of Barend of Freddy of Auke of Willem of Bertus? Zou het van belang zijn te weten wat voor een haan deze haan precies is, of ongeveer? Is het verhaal waarin hij een rol vervult van invloed op zijn naam? Zou het dat moeten zijn? En is het nodig dat de naam van de haan een bestaande is? Ik ken een Bart, die is bouwvakker. Bij De Haan denk ik aan een voetbaltrainer. Andere vragen dringen zich op. Waarom ken ik eigenlijk meer dan vijftien jongens die Jan heten, en zeker vijf meisjes met Nel als voornaam? Maar waarom ken ik helemaal geen Clara, geen Diederik, geen Jim, geen Daphne, geen Esmeralda, geen Sylvia, geen Mireille, geen Minet, geen Arnold, geen Homme? Zou ik ze eigenlijk wel wíllen kennen? Zorg ik ervoor dat ik ze niet leer kennen? Hadden mensen met dezelfde voornaam misschien ook dezelfde achternaam moeten hebben? Zeggen voornamen meer of minder dan achternamen? Delen mensen met dezelfde voornaam minstens drie eigenschappen? Is alles toeval? Of is toeval de verkeerde naam? Moeten dieren en mensen verschillende namen hebben? Met andere woorden: zegt een naam iets over iets of iemand? Wie zou ik zijn als ik Ruud de Vos heette? ‘Kijk, ik ben Ruud de Vos. Ik woon in een vrijstaand huis aan de Montgomerylaan, samen met vijf tropische vissen. Ik heb kinderen bij verschillende vrouwen… Ik zie ze niet vaak, ik heb er de tijd niet voor, ik ben eigenaar van een stel winkels. Mijn personeel verwacht dat ik aanwezig ben, naar verhalen luister, oor heb voor klachten, opensta voor ideeën. Er is in mijn leven niet veel ruimte voor het nadenken over grote vraagstukken, ik neem beslissingen, seconde na seconde. Mijn stem geeft de doorslag, mijn stem is de stem van een stratenmaker, zo zie ik dat. Ik verdien goed, daar wind ik geen doekjes om, maar ik ben dan ook opgevoed in een zuinige traditie. Wie spreekt, moet de juiste woorden gebruiken: overdaad schaadt. Wie leiding geeft, moet de namen van zijn ondergeschikten kennen en onmiddellijk doorgronden. Op het gevaar af… Ik zou niet graag een ander willen zijn, ik ben een tevreden man. Doen zich problemen voor, dan zeg ik tegen mezelf: jij bent Ruud de Vos, je hebt een naam die verwachtingen wekt, voldoe aan die verwachtingen, voldoe aan alle verwachtingen…’ Mijn gedachten gaan uit naar een vroegere coach van het Duitse ijshockeyteam, die luisterde naar de naam Xaver Unsinn.