Wie ben ik? (4)

Gisteren in Mijn hersens denken als ik slaap (een keuze uit de inzendingen voor een wedstrijd rond een project voor verstandelijk gehandicapten) op pagina 51 het gedicht ‘Herfststorm’ van Bert Min gelezen. Mooi gedicht.

Vandaag twee keer naar beneden gelopen om de was in de wasmachine van de onderste buurman te doen. Twee keer naar beneden gelopen om de was weer uit de wasmachine te halen en die vervolgens boven in de wasdroger te stoppen. Verder naar wat sport op de televisie gekeken, door de stad gefietst, Tippie gesproken, een ijsje gegeten, hand opgestoken naar Gitta en Peter, stilgestaan bij het nieuwe huis van Thomas en Katrien, en een fles frisdrank gekocht. Morgen opnieuw ‘De ster’ van Marja Kaho lezen, op pagina 136, met die ongebruikelijke hoeveelheid hoofdletters. Overmorgen een stuk of wat brieven versturen, twee of drie soorten verf kopen, en kwasten en lijnolie en terpentine en schuurpapier en ontvetter, brood, boter, melk, sinaasappels, bananen, kijken in de agenda waarin ik nooit iets schrijf, doos met kranten en boeken aan de straat zetten, stofzuigen, geld overmaken en sinaasappel uitpersen. De dag na overmorgen een tijdje staren naar een opmerking achter op het boek: 'De lezer die zich in deze bundel niet herkent, heeft zelf de spiegel bewasemd waar hij voor staat.’ Herken ik me ooit in een gedicht? De dag daarna rondlopen en herinneringen aan mijn vader ophalen, de hond van Hans en Francien aaien, de hond van Aad aaien, Jasper vragen naar Juliette, Peter vragen naar zijn motor, Francis een fles wijn beloven, dan kijken hoe het met Gudo en Bart en Niels gaat, pakketje voor Zhang Er in orde brengen, Heleen bellen, afspraak maken met Bernhard en Jacqueline, naar beneden lopen om de was in de wasmachine van de onderste buurman te stoppen, de vuilniszak buiten zetten en een vogeltje horen. Een paar dagen daarna dromen van de mogelijkheid om dit boek te lezen zonder te weten dat de schrijvers van de gedichten mensen met een verstandelijke handicap zijn. De week daarna lijsten maken, lijsten met ingrediënten voor een reusachtige maaltijd, met wie ik allemaal zou willen uitnodigen, met titels voor dingen die ik nooit zal schrijven, met plaatsen die ik in de loop van het jaar graag zou bezoeken, met spullen die ik nog moet verzamelen, met soorten hout met de fraaiste tekening, met vragen die ik niet vergeet, met weetjes die van doen hebben met Feyenoord, met meningen die ik nimmer deel, met combinaties van woorden en met cijfers en getallen waarvan ik in slaap val. De dag daarna onmiddellijk lezen in een gedicht van Martijn de Groot op pagina 105: 'Later ga ik in een vriendenhuis wonen.’ Om van die ene regel twee of drie regels te maken terwijl ik de droge was ga opvouwen. Om de bezem te pakken terwijl ik van die twee of drie regels tien regels en meer maak. Om stof en snippers en dopjes en broodkruimels en regels bij elkaar te vegen, tot een verhaal waarvan ik niet weet of het van mij is of van iemand anders. Herken ik ooit iets in een verhaal?