Het verzet tegen gentrificatie

Wie bepaalt de waarde der dingen?

Het realiseren van woningen voor hogere inkomens werd dertig jaar geleden omarmd als redding van verwaarloosde stadswijken. Nu wordt het gezien als belemmering voor hun emancipatie, zoals blijkt in Amsterdam-Nieuw-West en Zuidoost.

Het project Bloei & Groei, opgezet door Ama Koranteng-Kumi, waar vrouwen met elkaar tuinieren. Venserpolder, Amsterdam © Maartje Geels / ANP

In een hoek van de kleine maar knusse woonkamer staat een grote stapel verhuisdozen. Majda Boukhari Raouia verontschuldigt zich voor het feit dat ze vanwege de aanstaande verhuizing niets in huis heeft en zet een glas water op tafel. Zelf drinkt ze niets. Het is ramadan en zonsondergang is nog ver weg.

Een paar weken eerder was Boukhari Raouia te gast bij de talkshow AM Live van het Amsterdam Museum om te vertellen over de sloop van haar buurt, haar gedwongen verhuizing en het tijdelijke buurtmuseum dat ze hierover maakte met verhalenverteller Fouad Lakbir, radio- en podcastmaker Jesper Buursink en het kunstenaarscollectief Moving Arts Project. Het gesprek ging over de vele zichtbare en onzichtbare verbanden die verloren gaan met de sloop van de Jacob Geelbuurt en een bestaande gemeenschap die voorgoed verdwijnt. In het museum brachten ze de bewoners en hun verhalen in beeld, aan de hand van geluidsfragmenten van gesprekken, foto’s, tekeningen, een dagboek en andere stukken.

‘Behalve mijn zoons en ik zijn er nog drie andere bewoners over’, zegt ze nu. Het oudere echtpaar beneden, dat de gedwongen verhuizing moeilijk kan verkroppen, en een studente die tijdelijk in de flat woont, tot de sloop. ‘Wij gaan over drie weken.’ Een paar dagen voordat het gebouw geheel ontruimd moet zijn.

Drie jaar geleden lag er een brief van woningcorporatie De Alliantie op de mat met daarin de boodschap dat de flat zou worden afgebroken. De sloop maakt deel uit van een ingrijpende transformatie van de Jacob Geelbuurt die weer deel uitmaakt van een veel grotere aanpak van het hele stadsdeel Nieuw-West. Door de bevolkingsgroei en de snelle toename van het aantal huishoudens in de stad is de gemeente constant op zoek naar plekken waar kan worden bijgebouwd. De stedenbouwkundige opzet in de Westelijke Tuinsteden met brede straten, riante pleinen en groene perken, ontworpen door de legendarische stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren, biedt nog ruimte om te ‘verdichten’. In veel gevallen betekent het concreet de afbraak van de vele oude flats en de bouw van nieuwe appartementencomplexen met meer verdiepingen en meer woningen.

Om de aantrekkelijkheid van de buurten te vergroten en om de eenzijdige bouwstijl te doorbreken, zijn er op een aantal plekken juist ruime gezinswoningen gebouwd aan vernieuwde straten en hofjes en lagere bouwblokken met ruime koopappartementen. Een net opgeleverde gezinswoning van 130 vierkante meter met een kleine tuin bij Boukhari Raouia om de hoek werd onlangs voor meer dan 700.000 euro verkocht, een appartement van 79 vierkante meter verwisselde voor meer dan 450.000 euro van eigenaar.

Zoals in veel andere Amsterdamse buurten de afgelopen decennia al gebeurde, verandert ook Slotervaart snel van samenstelling. Een deel van de bewoners met lage en middeninkomens wordt vervangen door hogere inkomens, de bestaande gemeenschap wordt opgebroken en de losse stukjes worden verspreid over verschillende gebouwen, straten en buurten van de stad en andere omliggende gemeenten. De een gaat naar de Staalmanpleinbuurt, een ander verhuist naar drie straten verderop en weer een ander naar Almere. Alle zichtbare en onzichtbare netwerken en lijntjes die in de loop van de decennia zijn ontstaan lossen op in het niets. Het gedeelde verleden van de honderden bewoners van de flat en van de vele honderden die hun voorgingen, zal het voor altijd moeten doen zonder de plek waar de herinneringen gemaakt werden.

Boukhari Raouia en haar kinderen gaan naar een iets grotere woning twee kilometer verderop, in de Staalmanpleinbuurt. Haar moeder woont om de hoek en in de straat wonen verschillende klasgenootjes van haar kinderen, maar dat maakt het afscheid van de plek waar ze veertien jaar van haar leven doorbracht, waar ze alle buren kent en waar haar zoons opgroeiden niet minder moeilijk. ‘Je weet niet wat je ervoor terugkrijgt’, zegt ze. ‘Bij wie je kunt aanbellen als er iets is, bij wie je beter een beetje uit de buurt kunt blijven. En ik zal het uitzicht en de ruimte hier missen’, zegt Boukhari Raouia. Bovendien zien haar zoons ertegenop om hun vertrouwde buurt te verlaten, met het speeltuintje achter waar ze zoveel uren doorbrachten. Verhuizen is voor niemand leuk, maar verhuizen omdat iemand anders dat voor je heeft bedacht is nog moeilijker.

Samen met Lakbir en Buursink laat ze het museum zien in de voormalige kapperszaak op de hoek van het gebouw. De kapper is al een tijd geleden vertrokken. Waarheen? Niemand die het weet. De kappersstoelen, spiegels en posters van haarmodellen hebben plaatsgemaakt voor het tijdelijke museum.

Lakbir moest even nadenken toen hij vanuit het project Collecting the City van het Amsterdam Museum de vraag kreeg of hij iets wilde doen in de Jacob Geelbuurt. ‘Ik voelde me vereerd, maar het is niet mijn buurt’, zegt hij. ‘Daardoor moest ik langer zoeken naar het juiste verhaal.’ Tijdens een verkennende wandeling door de buurt raakte hij in gesprek Boukhari Raiou en haar zoons. ‘Vanaf dat moment is het gaan vloeien.’ De aanstaande sloop en het uiteenvallen van de gemeenschap was het verhaal dat hij zocht en legt ook een verband met zijn eigen Kolenkitbuurt, een paar kilometer naar het noorden. Daar wordt al sinds begin deze eeuw op grote schaal gesloopt en nieuw gebouwd. Onlangs werd bekend dat de buurt ook de komende jaren weer op de schop gaat. ‘Toen realiseerde ik me dat mijn broertje van elf niet beter weet. Hij woont al zijn hele leven in een bouwput en dat zal voorlopig zo blijven.’ Sloophamers en heimachines zijn voor zijn broertje net zo vanzelfsprekend als school, vriendjes en buitenspelen.

Diezelfde sloophamers zullen binnenkort de flat van Boukhari Raouia neerhalen. In de kleine ruimte van de oude kapperswinkel is een kleurrijke collage gecreëerd van foto’s, citaten, tekeningen en podcastfragmenten die de bewoners in beeld brengen. Er is een dagboek van Hadi, met herinneringen aan zijn reizen over de wereld, een tekening door Dirk van zijn pitbull Rex, een klassenfoto van de 62-jarige Hein toen hij nog een vlasblond jongetje was in de net aangelegde buurt. Zijn vrouw Cindy werd later een verbindende factor in de gemeenschap. En dan is er de verzameling stenen, schroeven, doppen en andere spulletjes van Kossay, de oudste zoon van Boukhari Raouia.

In april verscheen een interessant praktijkboek van de landelijke stichting voor actieve bewonersorganisaties LSA Bewoners. Altijd nieuw gedoe is een ode aan de Asset Based Community Development, een methode die in de jaren tachtig in de Verenigde Staten werd ontwikkeld door John McKnight en Jody Kretzmann. Aan de hand van onderzoek in honderden buurten in de meest uiteenlopende delen van het land kwamen zij tot de conclusie dat de buurt en de gemeenschap een centrale rol spelen in het leven en de toekomstperspectieven van ieder individu. In de gemeenschap heeft ieder leven een werkelijke betekenis, terwijl diezelfde levens in de systeemwereld waar zij tegen ageren worden gereduceerd tot een betekenisloos getal.

Een vitale gemeenschap brengt individuen tot bloei en zou daarom het uitgangspunt moeten zijn bij elke ontwikkeling, zo redeneren McKnight en Kretzmann. Aan de hand van hun vele reizen en gesprekken stelden ze een lijst op met zes bouwstenen die bepalend zijn voor de vitaliteit van een buurt: de vaardigheden van buurtbewoners, de kracht van lokale verenigingen, de middelen van openbare, particuliere en non-profitinstellingen, de fysieke hulpbronnen in buurten, de economische middelen en de verhalen en het erfgoed.

Het boek sluit aan bij een groeiende herwaardering van de kleine, lokale gemeenschappen. Deze trend is een reactie op de terugtrekkende overheid, die sociale taken en verantwoordelijkheden de afgelopen decennia heeft afgewenteld op het individu en zijn netwerk. Maar het is ook een reactie op de almaar toenemende kracht van de systematische herontwikkeling van buurten en steden die rücksichtslos over individuen en gemeenschappen heen walst. De opkomst van het gemeenschapsdenken en van gemeenschappelijke strijd is onderdeel van het groeiende verzet tegen het proces van gentrificatie dat dertig jaar geleden werd omarmd als de redding van verwaarloosde grote steden, maar dat nu wordt gezien als een van de grootste bedreigingen ervan. Toen was er behoefte aan nieuwe bewoners en nieuw kapitaal, nu is er van beide meer dan genoeg en is er steeds meer strijd over de vraag aan wie de inmiddels schaarse ruimte van de stad toebehoort en hoe het kapitaal moet worden verdeeld.

De economische kansen die herontwikkeling van achterstandsbuurten met zich meebrengen, komen niet ten goede aan de oorspronkelijke bewoners

In de Omgevingsvisie die wethouder Marieke van Doorninck van Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid in maart presenteerde, wordt specifiek aandacht besteed aan het belang van gemeenschappen en het behoud van identiteit van de vele verschillende buurten in de stad. In de vele gesprekken die de wethouder voerde met bewoners merkte ze dat er een sterke behoefte is aan inclusiviteit, duurzaamheid en verbondenheid. Aan ‘een stad met ruimte voor verschillende gemeenschappen, waar mensen zich thuis kunnen voelen, een toekomst kunnen opbouwen en waar ze zeggenschap hebben over hun eigen leefomgeving’.

Maar de grote vraag is wat de gemeente werkelijk kan en wil doen om deze uitgangspunten een prominentere rol te geven in het beleid. Wie goed kijkt, ziet hier en daar kleine koerswijzigingen en projecten, maar vooralsnog zijn het niet meer dan druppels op een gloeiende plaat. In de Sierpleinbuurt in Slotervaart, niet ver van de flat van Boukhari Raouia, kregen buurtbewoners een serieuze rol bij het opstellen van een toekomstvisie voor de buurt. Vanuit de gemeente is er steun voor Community Landtrust Bijlmer, die zich al vijftien jaar inzet voor gemeenschappelijk grondbezit, in beheer van de buurt. In drie kwetsbare buurten wordt geëxperimenteerd met een andere manier van buurtontwikkeling, die niet uitgaat van financieel-economische waarde maar van welzijn en van de centrale rol van de gemeenschap.

Jacob Geel Museum. Mensen kunnen via een koptelefoon luisteren naar het verhaal van Kossay, zoon van Majda Boukhari Raouia, en de objecten bekijken die hij en zijn broer verzamelden, Amsterdam © Noud Verhave / kunstenaarscollectief Moving Arts Project

Venserpolder is een van de armste buurten van Amsterdam-Zuidoost. Aan het einde van de straat ligt het hoofdkantoor van ing, onderdeel van het kantorengebied Bijlmer Arena, waar ook het aanstaande hoofdkantoor van abn-amro wordt gebouwd en waar kantoren van verschillende grote internationale bedrijven zijn te vinden. Het zijn twee gescheiden werelden die elkaar enkel raken bij Annie’s Place, waar de muren volhangen met gesigneerde shirts van Ajax-spelers en andere beroemde voetballers die langskomen voor het Surinaamse eten. Of bij de broodjeszaak in de kleine winkelstraat in Venserpolder, die volgens velen de lekkerste broodjes van de stad verkoopt. Supermarkt Tanger, Lucky Afro Beautycenter, Lenny’s Lektuurshop, slagerij Medina-al-halal of MOMO Mini Markt maken deel uit van die andere wereld.

Stadsstrateeg en econoom Najah Aouaki werkt aan een toekomstvisie die in dienst staat van het welzijn en de perspectieven van de bestaande bewoners en ondernemers van de buurt. Ze neemt me mee door de poort naast supermarkt Tanger, die leidt naar de grote gedeelde binnentuin van het vijf verdiepingen hoge woonblok uit de jaren tachtig. Omgeven door de stenen wanden ligt hier een verzameling moestuinen als een oase van rust en groen, een plek om te ontsnappen aan de harde, uitputtende wereld buiten de muren.

Vanwege de aanhoudende overlast en criminaliteit was de binnentuin jarenlang volledig afgesloten. Dat veranderde in 2014, met de oprichting van Bloei & Groei door Ama Koranteng-Kumi, spreker, sociaal ondernemer en publicist. Zij zag hoe vrouwen, moeders en oma’s in Zuidoost gebukt gingen onder de lange dagen van werken, leren, zorgen, koken en piekeren over kinderen, kleinkinderen, neefjes, nichtjes en buren in een omgeving waar het verkeerde pad soms makkelijker gevonden is dan het juiste en waar de weg naar vooruitgang bezaaid is met hobbels en tegenslagen. Koranteng-Kumi wilde een plek creëren waar deze vrouwen tot rust kunnen komen en kunnen opbloeien. Van één tuin en tien vrouwen groeide Bloei & Groei uit tot zes tuinen waar vierhonderd vrouwen onder begeleiding spitten, zaaien, snoeien, oogsten en kletsen. Bovendien zijn er concrete plannen om de oogst te verkopen aan een cateraar voor bedrijven en om zeep en kruidenthee te maken en verkopen.

In de binnentuin worden we opgewacht door een aantal vrouwen die ieder op hun eigen manier werken aan het welzijn van de bewoners van Venserpolder. Twee van hen hebben, net als Koranteng-Kumi, onlangs een erepenning ontvangen van burgemeester Femke Halsema vanwege hun inzet voor de buurt. Talita Keerveld, al 36 jaar wonend aan deze binnentuin, is een constante en verbindende factor in de buurt, lid van de stadsdeelcommissie, conductrice op de tram en door de anderen de burgemeester of koningin van Venserpolder genoemd.

Sociaal-cultureel ondernemer Stephany Biezen initieert met haar organisatie Going Social al jaren uiteenlopende talentontwikkelingsprojecten om bewoners uit Zuidoost te ondersteunen bij het vinden van een eigen plek in de samenleving. Van media tot fashion en van leiderschap tot ondernemerschap, met haar team biedt ze cursussen, workshops en talkshows. In Venserpolder is ze manager van Buurtsalon ’t Spinnewiel, driehonderd meter verderop gevestigd in een pand van De Alliantie. In het verleden verzorgde de woningcorporatie zelf sociaal-maatschappelijke activiteiten in de ruimte, maar sinds de invoering van de nieuwe Woningwet in 2015 is dat niet meer toegestaan. Om de plek toch open te houden voor bewoners en lokale organisaties richtten bewoners een stichting op die het beheer en de exploitatie van de ruimte op zich neemt. Biezen werd aangesteld als manager, maar makkelijk is het niet. Vanuit de gemeente is er incidentele financiering, die niet voldoende is om de kosten te dekken, en er is geen zicht op structurele financiering.

Het betekent dat Biezen gedwongen is om elk jaar opnieuw subsidies aan te vragen bij de gemeente en bij fondsen en om geld te vragen voor bewonersinitiatieven zoals de Kinderbijbelclub. ‘Dat gaat soms maar om een paar euro. Maar voor mensen hier is dat veel geld’, zegt ze. Terwijl de maatschappelijke waarde van de bijeenkomsten en activiteiten juist in een buurt als Venserpolder nauwelijks in geld valt uit te drukken.

In december uitte Najah Aouaki in een opiniestuk in Het Parool stevige kritiek op de gemeente. Het artikel was specifiek gericht op de uitgesproken ambitie van de gemeente om de omslag te maken naar een donut-economie volgens Kate Raworth. De donut-economie moet de samenleving laten floreren door een ecologisch plafond in te stellen en tegelijkertijd sociale grenzen aan te geven. In het model zou financiële welvaart slechts één van de waarden moeten zijn en zou welbevinden zwaar moeten wegen. Volgens Aouaki zijn het veel mooie woorden, maar is de gemeente in werkelijkheid helemaal niet bereid om een fundamenteel andere koers te varen. ‘Dat betekent dat “de markt” niet langer vrij baan krijgt, maar zich moet gaan verhouden tot andere waarden.’

Ze schreef het artikel uit frustratie, zegt ze nu. ‘Omdat ik in de praktijk merk dat een economisch model dat uitgaat van groei en van de trickle down-gedachte nog steeds leidend is. Amsterdam is gegijzeld door structuren en financiële markten die bepalen hoe de stad zich ontwikkelt.’ Er wordt weliswaar gestrooid met ambitieuze termen als ‘in verbinding met de wijk’ en ‘inclusieve wijk’, maar niemand weet wat daar precies mee wordt bedoeld. ‘Daar moet je goed over nadenken’, aldus Aouaki. Zolang er wordt uitgegaan van een model waarin de ontwikkeling van vastgoed leidend is en mensen en gemeenschappen van ondergeschikt belang zijn, blijft het bij mooie woorden. ‘We moeten echt gaan breken met het idee dat internationale concurrentiekracht leidt tot welvaart voor iedereen’, zegt ze. ‘We investeren in Amsterdam als vestigingslocatie voor bedrijven en hoogopgeleiden, in de veronderstelling dat de gecreëerde welvaart als het ware vanzelf naar beneden door druppelt.’

Maar het verleden heeft geleerd dat investeringen die met goede bedoelingen worden gedaan lang niet altijd op de juiste plek terechtkomen. De economische kansen die herontwikkeling van achterstandsbuurten met zich meebrengen, komen over het algemeen niet ten goede aan de oorspronkelijke bewoners. Het zijn degenen met toegang tot kapitaal, kennis en de netwerken die in staat zijn de kansen te benutten, terwijl bestaande bewoners aan de kant blijven staan.

Aouaki noemt nog een voorbeeld uit de buurt. Ondernemers uit Venserpolder en andere buurten in Zuidoost worden gestimuleerd om naar het grote winkelcentrum Amsterdamse Poort te verhuizen. Daar is veel leegstand, terwijl de gemeente het omvangrijke woon- en winkelgebied wil versterken als het centrum van Zuidoost. Maar dat gaat ten koste van de voorzieningen in Venserpolder en het komt ten goede aan de Amerikaanse vastgoedbelegger cbre, eigenaar van de Poort. Het geld dat wordt uitgegeven door de bewoners blijft niet in de buurt, maar komt terecht op de bankrekening van een multinational die in 2019 een omzet had van 21 miljard euro en een netto winst van 1,2 miljard euro. Een visie op economische ontwikkeling op buurtniveau ontbreekt.

Op twee kilometer afstand van Venserpolder, voorbij het hoofdkantoor van ing en aan de andere kant van het spoor, ontmoet ik architect en urbanist Wouter Pocornie. Hij wacht me op bij de ingang van Prospect Eleven, een verzamelgebouw voor kunstenaars en ondernemers uit Zuidoost in een voormalig kantoorpand dat in afwachting van sloop leegstaat. Prospect Eleven is een ongepolijste vrijplaats in de sobere kantorenwijk ingeklemd tussen de Johan Cruijff ArenA en de ikea. Het maakt deel uit van het nog grotere kantoren- en bedrijvengebied Amstel III, dat zal worden getransformeerd tot een gemengde stadswijk met minimaal tienduizend kleinere woningen, kantoorruimte, winkels, horeca, maatschappelijke voorzieningen en een aantal plantsoenen. Voor de gemeente is het een van belangrijkste ontwikkelprojecten van de komende decennia.

Pocornie, geboren en getogen in de Bijlmer, geeft een rondleiding door het gebouw dat met weinig budget maar veel liefde en toewijding is ingericht. We lopen langs de verschillende kunstinstallaties in de gedeelde ruimtes, de dansstudio en een advocatenkantoor, de fysiotherapeut en de professionele opnamestudio, het kantoor van film- en reclameproducent New Amsterdam, naar de expositieruimte annex gameroom met tafelvoetbal en een oude Arcade-kast. Er is bewust gekozen voor veel gemeenschappelijke open ruimtes om zo veel mogelijk ontmoeting en kruisbestuiving te laten ontstaan tussen de gebruikers. Aan de andere kant van de metrolijn is een immense muurschildering te zien die Braziliaanse straatkunstenaars in samenwerking met de buurt op de zijkanten van flats van de H-buurt schilderden.

Op een van de bovenste van de zeven verdiepingen zit cultureel ondernemer Angelo Bromet om tafel met cursisten van incubatorprogramma Eleven Inc., waarin zij worden begeleid bij hun volgende stap binnen de culturele sector. Hoe ga je verder als de stage ophoudt? Hoe maak je de stap van de superdiverse omgeving in Zuidoost naar de cultureel nog altijd zeer homogene wereld van musea, theaters en andere instellingen in de stad? Hoe zorg je ervoor dat je een podium, publiek en financiering vindt voor eigen projecten? Als geen ander slaagt Bromet erin om de cultureel diverse wereld waarin hij zelf ook opgroeide te verbinden met de netwerken in het oude deel van de stad. Hij is nog altijd geworteld in Zuidoost, maar begeeft zich net zo makkelijk binnen de gevestigde netwerken van gemeente, culturele instellingen en adviesraden waarin hij diverse functies heeft. Het incubatorprogramma borduurt voort op eerdere projecten zoals het cultuurhuis NoLimits waar muzikanten uit Zuidoost gratis en onder begeleiding kunnen werken aan nieuwe muziek en aan de zakelijke aspecten van het vak.

Bromet gaat in zijn ambitie om bruggen te slaan wel de samenwerking aan met de systeemwereld, die Pocornie liever fundamenteel ziet veranderen. ‘Daar hebben we vaak discussies over’, zegt Pocornie.

Waarom wordt een gebouw als Prospect Eleven met zoveel culturele en sociale rijkdom gezien als kostenpost en een parkeerplaats als inkomstenbron?

Neem dit pand, dat slechts tijdelijk ter beschikking is gesteld en over een paar maanden zal worden gesloopt om plaats te maken voor twee nieuwe torens. Ben je blij met de ruimte die je tijdelijk krijgt of ben je boos dat het bijna onmogelijk is om marktconform een permanente plek te vinden?

Het is een onderwerp dat hij ook graag zou bespreken met de ambtenaren van de gemeente met wie hij regelmatig samenwerkt of met de mensen van de communicatie- en placemakingbureaus die de buurt in worden gestuurd voor de verplichte participatietrajecten. ‘Maar de gesprekken blijven altijd aan de oppervlakte’, zegt hij. ‘Er is niet genoeg wil en daadkracht om dingen werkelijk te begrijpen of te veranderen. De echte vragen worden niet gesteld.’ Van wie is de grond in de stad? Van wie zijn de buurten? Heeft degene met het meeste geld het meeste recht op ruimte of zijn er andere afwegingen mogelijk? Waarom wordt een verzamelgebouw als Prospect Eleven met zoveel culturele en sociale rijkdom gezien als kostenpost in de gehanteerde rekenmodellen, terwijl een parkeerplaats een inkomstenbron is? Waarom zijn buurthuizen en bibliotheken wegbezuinigd terwijl er schreeuwend behoefte is aan plekken waar jongeren de ruimte hebben om te ontmoeten, leren, experimenteren en ontplooien? Wie bepaalt de waarde der dingen?

Dat deze vragen onbeantwoord blijven, blijkt ook uit de plannen voor dit deel van de stad. Als eerste stap in het transformatieproces wordt met tijdelijke horeca de aantrekkingskracht en daarmee de grondwaarde van het gebied verhoogd. Een paar honderd meter verderop opende het tijdelijke lunchcafé Bullewijck by Par Hasard, onderdeel van het snelgroeiende horecabedrijf dat begon met Frites uit Zuyd op de Ceintuurbaan in Amsterdam-Zuid. Op een braakliggend terrein naast de ikea is sinds een paar jaar het hippe café-restaurant De Proefzaak ondergebracht in een tijdelijke loods. Hier wordt bier geserveerd van de naastgelegen Brouwerij Kleiburg, een onderneming van de hippe, jonge kloosterlingen van het Kleiklooster in de Bijlmerflat Kleiburg.

De flat Kleiburg verwierf landelijke bekendheid vanwege het onverwachte succes als ‘klusflat.’ De appartementen werden binnen korte tijd allemaal verkocht, voor het overgrote deel aan mensen uit meer centraal gelegen buurten in de stad. Het geeft de spagaat aan waar het kantorengebied in verkeert. Hoewel de gemeente het vooruitlopend op de transformatie tot veelzijdige stadswijk heeft omgedoopt tot Bijlmer-West en daarmee de suggestie wekt dat het gebied ook bedoeld is voor bewoners van de Bijlmer, is het concrete beleid gericht op het aantrekken van nieuwe bewoners uit andere delen van de stad en van buiten.

Opening van de afdeling van The Black Archives in Prospect Eleven, Amsterdam-Zuidoost, 15 augustus 2020 © Les Adu

Op de plek waar Pocornie nu voor het raam staat en uitkijkt over de Bijlmer verrijzen de komende tijd de twee torens van project The Ensemble, ontwikkeld door private equity-firma Great Grey Investments en projectontwikkelaar en vastgoedbeheerder Wonam. Aan de andere kant van de weg is de bouw begonnen van spot, volgens de projectwebsite ‘een kosmopolitische wijk met Amsterdams karakter. Stedelijk, stijlvol en dynamisch’. Het motto is ‘live, work, play!’ De ontwikkelaars zijn vastgoedontwikkelaar en belegger Duqer en vastgoedontwikkelaar cod, die in 2019 een eerste pakket van 816 nog ongebouwde huurwoningen en twintigduizend vierkante meter aan commerciële kantoor- en winkelruimte en parkeerplaatsen verkochten aan vastgoedbeheerder Amvest Vastgoed, die de koop sloot namens verzekeraar en vastgoedbelegger Aegon. Opgesplitst gaat het om 108 sociale huurwoningen, 520 middeldure huurwoningen met een maximale huur van duizend euro en 188 woningen in de vrije huursector.

‘Wist je dat Zuidoost het stadsdeel is met de meeste thuiswonende jongeren?’ vraagt Pocornie als we zijn afgedaald naar de onderste verdieping van het pand. ‘Er is zoveel informatie over Zuidoost, maar er wordt veel te weinig mee gedaan.’ In opdracht van de gemeente bracht hij de jongeren in zijn stadsdeel in kaart. Wie wonen er? Wat doen ze? Hoe kijken ze naar de wereld? Wat zijn hun wensen en problemen? Uit zijn onderzoek blijkt dat de tieners en twintigers uit de Bijlmer en omliggende buurten zich makkelijker bewegen tussen hun eigen buurt en het centrum van de stad dan hun buurtgebonden ouders en grootouders. Ook is er bij deze generatie een sterke gevoelsmatige connectie met andere wereldsteden, van Afrika tot Amerika, en is er een gevoel van verbondenheid met het Caribisch gebied. Pocornie omschrijft de cultuur en stijl als Afro-urban.

Zelf past hij goed in dit beeld. Hij ging naar de basisschool in Zuidoost en deed vwo in Amsterdam-Zuid, studeerde in Delft en keerde daarna tijdelijk terug naar Zuidoost. Inmiddels woont hij aan de andere kant van de stad, werkt hij hier in Prospect Eleven en is er een sterke connectie met New York, waar zijn Amerikaanse vriendin woont. Normaal gesproken reist hij regelmatig op en neer en logeert hij bij haar in de Bronx, maar door de coronamaatregelen is dat alweer ruim een jaar geleden. Met een partnervisum kon zij wel drie maanden naar Amsterdam komen en hielp ze met het inrichten van een artist in residence-ruimte in Prospect Eleven. ‘Jongeren van Zuidoost zijn in feite de eerste natives van een stukje wereldstad terwijl hun ouders vaak nog “nieuwkomers” waren’, schrijft hij in een publicatie van zijn onderzoek, waarvan hij deze zomer meer resultaten presenteert.

Maar ondanks de snelle emancipatie van de biculturele gemeenschap in het stadsdeel en ondanks het talent, het ondernemerschap en de ambitie, is de weg naar maatschappelijk succes, een goed inkomen en woonruimte aanzienlijk zwaarder dan voor leeftijdgenoten die opgroeien in de welgestelde buurten van de stad. Er zijn geen ingangen tot het old boys network, er is meestal geen familievermogen om bij te dragen aan een eerste koopwoning, er is veel armoede, werkloosheid en uitzichtloosheid. ‘De middeldure huur van de appartementen die hier worden gebouwd is voor de meeste mensen uit Zuidoost onbetaalbaar’, zegt Pocornie. ‘Het gemiddelde inkomen is hier achttienduizend euro. Dan kun je onmogelijk achthonderd of duizend euro huur betalen.’ Zelfs met de prijzen van sociale huurwoningen moeten veel gezinnen elk dubbeltje omdraaien.

We zijn aanbeland op de onderste verdieping, waar Pocornie stopt bij een glazen deur en plechtig een sleutel tevoorschijn haalt. ‘De belangrijkste plek van het gebouw’, zegt hij trots. Hij opent de deur en stapt het archief van The Black Archives Bijlmer binnen. Het is een bescheiden kamer met hoge ijzeren kasten, volledig gevuld met boeken over de Bijlmer, Suriname, Amsterdam, West-Afrika, socialistische literatuur en andere onderwerpen die op enige manier zijn verbonden met de zwarte gemeenschappen in de snel veranderende buitenwijk van Amsterdam. Onder een glazen stolp op een van de boekenplanken pronkt een Duitse editie van Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. ‘Mensen uit de centrale stad zullen de complexiteit van Zuidoost moeilijk begrijpen’, zegt Pocornie.

Ook Najah Aouaki merkt dat er in de Stopera, het stadhuis, te weinig kennis en aandacht is voor de complexe dagelijkse praktijk van het leven in een stad die steeds verder gesegregeerd raakt en waar de wetten van de markt leidend zijn. Het ambtelijk apparaat staat niet in dienst van de wijk of de gemeenschap, maar van de ambities in de Stopera. Er wordt van alles bedacht voor de wijk maar niet door de wijk.

Met het project Community Wealth (& Health) Building in Venserpolder moet daar verandering in komen. Ondersteund door Aouaki en door het Fearless City programma van wethouder Rutger Groot Wassink, hebben de dragende krachten in Venserpolder een alliantie gevormd die de basis moet zijn van de ontwikkeling van de buurt. In de toekomstvisie die ze onlangs presenteerden stellen zij een economisch model voor waarin basisvoorzieningen als huisvesting, onderwijs, zorg en energie centraal staan en dat bovendien lokaal is verankerd. De bestaande netwerken, gemeenschappen, kennis en sociaal en cultureel kapitaal zouden leidend moeten zijn en moeten worden versterkt. Op die manier kan een vitale gemeenschap ontstaan waarin individuen tot bloei kunnen komen, zoals ook beschreven in de Asset Based Community Development,

Er wordt samengewerkt met welzijnseconoom Nicky Pouw en ontwikkelingsgeograaf Hebe Verrest van de Universiteit van Amsterdam. Pouw publiceerde onlangs haar boek Welzijnseconomie. ‘De huidige economische wetenschap is te ver af komen te staan van de werkelijkheid van alledag en hanteert een te smalle visie’, schrijft ze. ‘Veel mensen denken bij economie aan geld en getallen, en niet zo snel aan de verwevenheid van economische keuzes met sociale relaties, politieke macht, psychologie, natuur of cultuur.’ In plaats van economische groei als hoogste doel zou de optimalisatie van welzijn centraal moeten staan, aldus Pouw, die in het verleden vooral onderzoek deed in ontwikkelingslanden. Dat vergt een andere benadering bij het maken van beleid en andere afwegingen bij beleidskeuzes. In de kosten-batenanalyses die nu leidend zijn, is geen of weinig aandacht voor thema’s als duurzaamheid, het creëren van gelijke kansen, geestelijke gezondheid, de aanwezigheid van basisvoorzieningen of toegang tot de natuur.

Er is behoefte aan een nieuw narratief over de economie, stelt Pouw in een verlaten kantine op Roeterseiland in Amsterdam-Centrum. ‘De indicatoren die we nu gebruiken laten zien of de economie groeit, hoeveel werkloosheid er is en hoeveel geld mensen uitgeven, maar ze laten niet zien hoe het gaat met mensen.’ Zelfs als er op bestuurlijk en politiek niveau wel de wil is om voor een andere benadering te kiezen, is het in de praktijk lastig om ervoor te zorgen dat er op ambtelijk niveau ook concreet andere keuzes worden gemaakt. Bewust of onbewust wordt bij elk concreet besluit uitgegaan van criteria en indicatoren die de afgelopen decennia leidend zijn geweest. ‘Als je andere criteria hanteert, dan kom je tot een ander besluit’, zegt Pouw.

Vanuit die gedachte ontwikkelen Pouw en Verrest de komende tijd in samenwerking met de bewoners van Venserpolder een ‘wellbeing dashboard’. Daarin heeft de gemeenschap zelf zeggenschap over de indicatoren die worden opgenomen en het gewicht van de verschillende indicatoren. ‘Daardoor krijg je een heel specifiek beeld van de situatie in een buurt en van de behoeftes die er zijn’, zegt Pouw. ‘De gemeenschap kan op die manier ook zelf de agenda bepalen en aangeven wat er nodig is om vooruit te komen.’

Venserpolder barst van het kapitaal, zegt Aouaki. Maar het is het soort kapitaal waar de modellen geen oog voor hebben. ‘Laten we die potentie en veerkracht omarmen.’