Marjolijn van Heemstra over Humboldts ideaal

Wie bepaalt nou wat goed is?

SPUI25 vroeg theatermaker Marjolijn van Heemstra een eenakter te schrijven over de broers Humboldt. De denker en de ontdekkingsreiziger, hartstochtelijk pleiters voor het bijeenbrengen van verschillende disciplines en opvattingen.

Medium marjolijn van heemstra  foto maarten van der kamp   1
Marjolijn van Heemstra – ‘Niemand kan tegen Bildung zijn’ © Maarten van der Kamp / Das Mag

Toen ze voor de zomer door SPUI25 werd gevraagd ‘iets te doen met de gebroeders Humboldt’ had ze geen idee welke invulling ze eraan zou gaan geven. Nu, een maand voor de voorstelling, worstelt ze nog. ‘Ja, het gaat over Bildung’, zegt Marjolijn van Heemstra (1981), schrijver/theatermaker, op een terras met uitzicht over het IJ. ‘Maar als je iets theatraals maakt, ga je op zoek naar het conflict, naar de vraag waar het mij raakt en wat er op het spel staat. Dat heb ik nog niet scherp.’

Ze vertelt over de kennis die ze heeft vergaard over Wilhelm von Humboldt; hoe hij gestalte gaf aan het concept van Bildung door in heel Pruisen gymnasia op te richten waar hoogopgeleide docenten in de geest van het humanisme hun leerlingen kneedden tot burgers die geacht werden kritisch te denken en moreel wijs te oordelen. Het Nederlandse synoniem komt neer op vorming, zelfontplooiing. ‘Die vertaling dekt de lading niet. Het gaat ook over verantwoordelijkheid nemen voor een groter belang dan jezelf. Dat vind ik niet onbelangrijk.’ Zeker in deze tijd, mompelt ze erachteraan.

Door politici wordt vaak geroepen dat er ‘meer Bildung nodig is’, als een panacee voor binding in de samenleving. Nederland heeft hierin geen traditie zoals de Duitsers. ‘Wat is Bildung dan precies? Wanneer kreeg ik er zelf mee te maken?’ Ze denkt terug aan haar middelbare school. ‘Daar ging het allemaal gebeuren. In die periode word je gevormd tot wie je bent en wie je wil zijn.’

Van Heemstra groeide als middelste van drie meisjes op in een warm nest. Haar vader is kinderarts, haar moeder psycholoog. Religieus zijn ze niet, hoewel haar ouders altijd bezig zijn met spiritualiteit en de meisjes de zondagsschool in de lutherse kerk naast hun huis bezochten. De vrijzinnigheid van de doopsgezinde en remonstrantse kerk spreekt haar tegenwoordig aan. Naar het gymnasium wilde ze niet, want dat vond ze iets voor nerds. Ze koos voor tweetalig onderwijs op de Rotterdamse Wolfert van Borselen Scholengroep, met onder één dak vmbo, havo, vwo en internationaal onderwijs. Een grote ‘leerfabriek’ waar het overgrote deel van de leerlingen gekleurd was – ook veel kinderen van vluchtelingen – en met een palet van geloven. Dat heeft later haar studiekeuze voor godsdienstwetenschappen aangewakkerd. ‘Die schaalgrootte was bepalend voor de sfeer. Er heerste een enorme eilandencultuur en het ging er onderling soms hard aan toe. De leerlingen van het tweetalig onderwijs vormden een kleine minderheid. Tegen ons werd geroepen: “Hé kazen, ophoepelen.” ‘Het was op onze school vooral heel tof om niet-Nederlands te zijn.’

Puur, authentiek – zo komt Van Heemstra over. Tegelijk zegt ze dat ze iemand is die altijd graag bij de grootste groep wil horen en zich makkelijk aanpast om mee te doen. Om niet ‘gewoon’ te zijn, zette ze gedurende haar middelbare school in op haar Friese afkomst, die heel ver teruggaat in de familielijn. ‘Ik heb wel eens een Fries lied gezongen op een culturele schoolavond. Mijn identiteitsding verliep behoorlijk succesvol.’ Ze is de eerste die hier hard om kan lachen – hoe absurd het was om zoiets te doen. ‘Waar het om gaat is dat iedereen verkent wie hij is. Ik ben van huis uit niet strak omlijnd opgevoed. Ik geloof niet zo in dat “zelf”, meer in een uitwisseling van allerlei invloeden.’

Over haar achtergrond wordt in interviews altijd opgemerkt dat ze aan haar linkerhand een zegelring draagt en een ‘heuse barones’ is. De connotatie is: elitair. Maar dat is ze niet, althans ze voldoet niet aan het cliché van een adellijk meisje dat opgroeit in een villawijk of op een landgoed in de provincie. ‘Ja, we dragen wel de erfenis van een paar eeuwen tot de bevoorrechte klasse behoren. Maar mijn ouders hielden zich niet bezig met die afkomst. Eerder waren we dat typische Fietsersbond-gezin’.

Als Van Heemstra zichzelf maatschappelijk wil plaatsen, zegt ze altijd dat ze ‘links’ is.

Wat bedoelt u daarmee?

‘Soms weet ik niet of ik wel zo links ben. Ik weet eerder wat ik niet wil zijn. De bad guys zijn de extreem-rechtsen, erger kon niet – dat stond in mijn jeugd vast, zoals dat denk ik bij alle vpro-Groene Amsterdammer-gezinnen het geval was. Maar, eh, wat mij nu links maakt?’

Ze somt op: ze is voor een eerlijk belastingstelsel en voor gesubsidieerde kunst. De sterken moeten de zwakken helpen. Bedrijven moeten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. En het idee dat je méér bent dan een consument. ‘Dat consumeren is zó heftig in deze tijd. Ik kreeg op mijn achttiende verjaardag een mobiele telefoon, die nog zonder camera was. Nu hebben kleuters er al een.’ Links-zijn betekent volgens haar dat je voor gedeelde verantwoordelijkheid bent, naar verbinding streeft en niet alleen aan consumeren denkt. Dat klinkt eerder liberaal en niet per se anti-rechts.

‘Als mens ben je misschien wel niet zo’n autonoom centrum als je denkt, eerder een netwerk’

Als ze nadenkt over de idealen van Humboldt, en wanneer ze daarmee te maken kreeg, associeert ze die in eerste instantie met haar geschiedenisdocent Ronald Sørensen. Het verrast haar eigenlijk. Hij was ver weggezakt in haar geheugen maar popt in dit gesprek weer op. ‘Hij leerde ons om dingen van alle kanten te bekijken, om een onderzoekende geest te ontwikkelen. In zijn lessen kaartte hij maatschappelijke dilemma’s aan waar wij over moesten discussiëren. Daar gaf hij een beeld bij: je kijkt vanaf je stoel in de klas door de ramen naar buiten en je ziet alleen het deel van de wereld tussen de raamkozijnen. Pas als je je hoofd naar buiten steekt, zie je het geheel. In feite gaf hij les in de geest van Wilhelm von Humboldt. Sørensen was links en bij iedereen heel populair. Hij liep op een gegeven moment vast.’

Na 32 jaar docentschap raakte hij verbitterd. In 2001 richtte hij Leefbaar Rotterdam op en vroeg Pim Fortuyn lijsttrekker te worden. Jarenlang zat hij in de gemeenteraad van Rotterdam, later is hij overgestapt naar de pvv en in de Eerste Kamer gekomen. ‘Nu zou je hem betitelen als een boze witte man.’ Hardop peinzend: ‘Is hij ergens tegenaan gelopen? Er heeft een keer een jongen met een pistool op school gelopen… We hadden een bende op school die posters ophing met de leus dat de kazen weg moesten… In zijn verhaal zit een emotionele twist. Hij oefende ons in kritisch denken en werd zelf steeds radicaler. Fascinerend. We hebben hem met een groepje leerlingen – we waren al van school af – een mail gestuurd waarin we onze teleurstelling toonden over zijn politieke keuze. Hij reageerde heel verbolgen, dat we de feiten verdraaiden.’

Hoe vreselijk was zijn stap eigenlijk? Hij was kennelijk ergens in teleurgesteld – in de linkse politiek bijvoorbeeld – en zag dat zijn idealen van samengaan in één school, een minisamenleving in feite, niet werkten?

Ze denkt daar even over na, ook over haar eigen houding. ‘Ja, hoe erg was dat? Toen ervoer ik het in ieder geval als een schok. Hij nam een verkeerde stap, maar ik snap het nu wel. Als leraar op een multiculturele school met veel conflicten stond hij met beide benen op de werkvloer van de maatschappij. In de lessen kon hij bijvoorbeeld heel goed uitleggen wat het begrip standplaatsgebondenheid betekent: hoe je afkomst je perspectief beïnvloedt. Als hij kinderen aanmoedigde tot zelfstandig nadenken, wist hij ook dat dat een botsing kon veroorzaken met het milieu waar iemand uitkomt. Hij zag dat spanningsveld. Hij liep, denk ik, tegen de politieke correctheid aan. Hij vond dat er dingen werden doodgezwegen, op school, buiten de school, die hij gewoon zag gebeuren.’

Wat houdt die politieke correctheid nou eigenlijk in? vraagt ze zich af. ‘Misschien is het een uitvloeisel van het idee dat iedereen gelijk is, in iedereen het goede zit, en iedereen moet meedoen volgens een bepaald goed/kwaad-stramien. Werd dat morele denken, sterk beïnvloed door de Tweede Wereldoorlog, in de jaren negentig dichter? Of militanter? Het streven naar het goede, naar het schone, leek te verstarren – ik weet het ook niet zeker – in feite is het een soort geradicaliseerde Bildung; je moest kritisch denken en tegelijk mocht iemand als Sørensen niet anders denken.’

Zijn Werdegang gaat ze gebruiken voor de emotionele lijn van haar voorstelling, constateert ze nu. ‘Daar zit het drama. Met als hoofdvraag: wat is Bildung precies: een vaststaand begrip of kan het meebewegen met de tijd? In de periode van Humboldt lag het anders als je probeerde verder dan je eigen horizon te denken; iedereen sprak dezelfde taal en beleed hetzelfde geloof. In een diverse samenleving is dat gecompliceerder. Het is lastig om elkaar écht de ruimte te geven, dat heb ik moeten leren. Tolerantie moet natuurlijk wederkerig zijn. Ik heb bijvoorbeeld een tijdje Arabisch gestudeerd en in die klas voelde ik me buitengesloten. Er werd gezegd: “Wat doet die Tata hier.” Ik zat daar een keer over te klagen tegen een Surinaamse vriend en die zei dat hij dit zijn hele leven al meemaakt. Hij confronteerde me met mijn eigen onwetendheid. Je kunt andermans perspectief vaak niet zien, totdat je een soortgelijke ervaring hebt.’

In haar werk wil Van Heemstra zich verplaatsen in ‘de ander’. Ze schreef onder meer met Hanina Ajarai Land van werk en honing (2004), een bundel met verhalen van Marokkaanse moeders over hun migratie. Vorig jaar maakte ze samen met de Afghaanse vluchteling Zohre Norouzi de theatervoorstelling Zohre, een Afghaans Nederlandse Soap. Natuurlijk loopt ze in die drang om verschillende perspectieven toe te laten wel eens tegen muren. Voor de voorstelling Jeremia (2014), die ze samen met collega Sadettin Kirmiziyüz maakte, over de antifascistische demonstratie in Kedichem (1986) tegen een bijeenkomst van de Centrum Democraten, interviewde het duo Wil Schuurman die bij die demonstratie een been had verloren. ‘Ze was verrassend sympathiek en haar verhaal doorbrak voor ons het destijds gangbare beeld over goed en kwaad. Onze kanteling verwerkten we in de voorstelling. We kregen vervolgens bakken kritiek: links kwam er slechter af en we zouden extreem-rechts vergoelijken.’

Of haar eerste voorstelling Family ’81 – daarvoor ging ze op zoek naar wat ze gemeen heeft met mensen in andere delen van de wereld die op dezelfde dag geboren zijn als zij. Het gesprek met een meisje uit Zuid-Afrika liep totaal vast, het contrast tussen haar eigen comfortabele leven en dat van het meisje bleek onoverbrugbaar. Naïef misschien. Zelf noemt ze het eerder een risico van haar onbevooroordeelde, open houding.

Tracht u met uw werk mensen moreel te vormen?

‘Ik ben niet gaan schrijven of het theater ingegaan omdat ik de wereld wilde veranderen. Met mijn voorstellingen probeer ik wél iets in beweging te brengen. Ik wil graag hardop nadenken met het publiek. Het zijn altijd zoektochten, een poging om een of andere grote vraag te beantwoorden – die ik dan meestal niet beantwoord krijg. Maar op de weg naar het antwoord ontdek je altijd wel wat.’

‘Ik zou het moeilijk vinden om nu docent te zijn. Je moet kiezen welk mensbeeld je als uitgangspunt neemt’

Toen ze in 2000 ging studeren, raakte met de komst van Pim Fortuyn politiek weer in. Haar ontwikkeling loopt daar parallel aan, vertelt ze. ‘Ik las laatst een biografie van mezelf terug van toen ik 23 was. Ik stelde daarin dat ik me bezighoud met wat ik voel. Ik maakte toen kleine, persoonlijke verhalen en ben, gestimuleerd door het Frascati-theater, steeds meer grote verhalen gaan vertellen. Ik ben politieker geworden, maar het gaat altijd over mensen van vlees en bloed. Hetzelfde proces zag ik bij mijn vrienden, die zich door de opkomst van het fortuynisme gingen engageren.’

Bent u bang om weggezet te worden als iemand van de witte elite, met bovendien een zegelring?

Als ze een antwoord probeert te formuleren, gaat haar telefoon. Haar schoonmoeder. Ze moet onmiddellijk naar huis, want een van de kinderen heeft een klap op zijn hoofd gekregen en het gejammer houdt niet op. Een dag later vervolgen we het gesprek.

Bent u bang om…

‘In het verlangen om ergens bij te horen, moet je altijd iets loslaten. Maar, ik heb me nooit uitsluitend geïdentificeerd met het milieu waaruit ik kom. Ik ben bijvoorbeeld niet lid van het corps geweest, wat wel vanzelfsprekend was. Ik heb nooit één groepje vriendinnen gehad. Ik vind het leuk als ik mensen niet meteen begrijp of kan plaatsen.’

En zo zit u in Amsterdam ook in een linkse bubbel…

‘Ja, allemaal mensen die net zo in het leven staan als ik. De vraag is in hoeverre iedereen – en dus ik ook – vastzit in zijn eigen context en zich daarvan bewust is. Toen ik in Amsterdam ging studeren, merkte ik dat die stad in tegenstelling tot Rotterdam gesegregeerd is. Dat heeft te maken met de ruimtelijke inrichting: in het centrum van Rotterdam zijn na de oorlog goedkope huurwoningen gebouwd, terwijl in de binnenstad van Amsterdam peperdure grachtenpanden zijn en de arbeiderswijken vanaf de jaren tachtig in de greep kwamen van gentrificatie. Buiten de A10 begint een andere wereld.’

Word je meer bepaald door opvoeding of door omgeving?

‘Het milieu waar je uit komt is, denk ik, niet per se determinerend. Als mens ben je misschien wel niet zo’n autonoom centrum als je denkt, eerder een netwerk. Je verandert door ervaring, door je opvoeding, door “de maatschappij”, en vooral: door anderen. Zoals de filosoof Judith Butler dat zo mooi omschrijft: “We’re undone by each other. And if we are not, we’re missing something.” Het concept van Bildung gaat over het totaal van al die invloeden en hoe je daar kritisch mee omgaat. De toepassing ervan vereist een levenshouding van de hele samenleving, anders is het gedoemd te mislukken. Bildung is natuurlijk een ideaal waar niemand op tegen kan zijn; het verbreden van de horizon, een onderzoekende geest ontwikkelen. Maar je kunt je afvragen of Wilhelm von Humboldt daarin slaagde met zijn gymnasia. Het zou toegankelijk moeten zijn voor iedereen, maar dat was het niet. Het was voor de elite, en verheffen gold voor het volk. Eigenlijk zijn er drie begrippen: verheffen, ontplooien en beschaven.’

Dat roept bij haar allerlei vragen op. Wie bepaalt nou wat ‘goed’ is en in welke richting je moet denken? Krijg je dat in een multiculturele samenleving voor elkaar? ‘De meeste leerlingen op mijn school, waar ze kritisch leerden denken, moesten veel bij de voordeur achterlaten. Tussen thuis en school gaapte een enorme kloof. Ik zou het moeilijk vinden om nu docent te zijn. Je moet kiezen welk mensbeeld je als uitgangspunt neemt, je kunt nooit alles totaal gelijkstellen. In Duitsland hebben ze het over Leitkultur – maar dat vind ik te elitair en te eurocentrisch.’

Als ze zelf een mensbeeld moet definiëren, komt ze uit bij het humanisme. ‘De vraag is dan inderdaad in hoeverre je in een diverse samenleving over kernwaarden durft te bespiegelen en welke waarden je wilt beschermen. Hierin zou Humboldt een inspiratiebron kunnen zijn. Hij dacht in feite holistisch – dat vind ik een mooie levenshouding.’

Een rake Nederlandse term voor Bildung heeft ze nog steeds niet gevonden. Als onderzoekend kunstenaar komt Van Heemstra tijdens het interview wel uit op haar oude geschiedenisleraar als hoofdfiguur van haar voorstelling. Nu moet ze daar nog beelden en woorden bij vinden. ‘Ik heb een mailwisseling tussen ons teruggelezen, die is heel leuk. Als ik naar mezelf kijk, lees ik hoe hermetisch je bent op die leeftijd. Arrogant en zéér overtuigd van je eigen gelijk. Echt heel irritant.’


De eenakter is donderdagavond 21 september van 20:00 tot 22:00 te zien bij Spui25.