Wie beschermt de natuurbeschermer?

Nu de druk op natuurlijke bronnen en grondstoffen wereldwijd toeneemt, worden exploitatiemethoden van overheden en grote bedrijven met de dag rücksichtloser.

Daarbij vallen meer en meer slachtoffers, vooral onder inheemse volkeren die het land van hun voorvaderen proberen te beschermen. In 2015 kwam het aantal moorden op 185, oftewel drie per week, aldus de cijfers van de ngo Global Witness. Wie beschermt deze natuurbeschermers?

Op een zonnige ochtend in september spreek ik in de Hortus Botanicus in Amsterdam met Vicar Batundi Hangi. Vicar is een activist uit de Democratische Republiek Congo en is hier op uitnodiging van de Nederlandse afdeling van IUCN, de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources, die een conferentie heeft georganiseerd over de bescherming van natuurbeschermers waarbij activisten van over de hele wereld ervaringen en ideeën kunnen uitwisselen. Vicar zet zich met zijn lokale organisatie FDAPID in voor de rechten van de Mbuti, een van de oudste inheemse stammen ter wereld, ook wel pygmeeën genoemd.

‘Mooie bloemen’, zegt hij, terwijl hij om zich heen kijkt, ‘zijn die hier allemaal door mensen geplant?’

Natuurbescherming gaat voor Vicar niet om natuurschoon, al houdt hij van mooie bloemen en planten. ‘Voor de pygmeeën is de natuur onze voedende moeder. Het bos is niet alleen een habitat, het is een ware vriend. Zonder het woud kan de mens niet bestaan.’ Dat heeft voor de Mbuti een letterlijke en concrete betekenis.

‘Het woud gaf iedereen altijd eten: honing, vis, paddenstoelen. Fruit pakte je zó van de boom.’ Vicar maakt een beweging naar de boom achter ons in de Hortus. ‘Iedereen had drie keer per dag te eten. Het was het paradijs op aarde. Niet alleen was het bos een voedselvoorziening, het woud voorzag ook in medicinale kruiden en dus in medische zorg.’

Nu zijn de Mbuti grote delen van hun woud kwijtgeraakt door verdrijving, plundering en onteigening door de overheid en grote bedrijven die concessies hebben gekregen voor mijnen of houtkap. In de Kivu-provincie, waar Vicar vandaan komt, wordt sinds 2012 gewerkt aan de vastlegging van 44 inheemse gebieden die door de overheid en andere invloedrijke personen van de pygmeeën zijn afgepakt. ‘Omdat er niets op papier stond, konden zij hun rechten niet laten gelden. Terwijl ze daar al heel lang leven.’ Sinds ze de grond zijn kwijtgeraakt is er honger en zijn er nieuwe behoeften ontstaan.
‘Neem geboortes. Kinderen worden tegenwoordig geboren via een keizersnede, waardoor een veel grotere behoefte is ontstaan aan medische zorg. De pygmeeën hebben geen toegang meer tot de medicinale kruiden die ze voorheen altijd gebruikten bij hun natuurlijke bevallingen.’

In het noorden van de Kivu-provincie is sinds 1925 een gebied aangewezen als beschermd natuurgebied, het nationale park Virunga dat in 1979 de status kreeg van Unesco World Heritage. Volgens Vicar zouden de opbrengsten van dit park meer ten goede moeten komen aan de pygmeevolken voor het beschermen van de flora en fauna in het gebied, dat ze niet eens mogen betreden voor het verzamelen van gevallen takken en niet-houtproducten.

‘De populatiedruk rondom het park is erg hoog. Dat drijft lokale gemeenschappen steeds meer het park in om in hun levensbehoeften te voorzien. Om dit te voorkomen, komen steeds meer lokale organisaties met oplossingen om mensen te helpen, bijvoorbeeld met microkredieten waarmee ze landbouwactiviteiten kunnen ondernemen of andere inkomsten kunnen generen.’

Medium hondurese berta ca ceres
Wake voor Berta Cáceres in Bajo Aguán, 5 april 2016 © Daniel Cima / Flickr

Vicar is meermalen bedreigd vanwege zijn activisme, één keer werd zelfs geprobeerd in te breken in zijn huis. In zijn testimonia voor IUCN NL zegt hij hierover: ‘Midden in de nacht klommen ze over de muur. Minstens drie mannen. Ze probeerden mijn huis binnen te dringen. Mijn vrouw werd wakker, godzijdank. Ze hadden het op mij gemunt, dat weet ik zeker. Eerder was ingebroken op ons kantoor, en zijn alle bewijsstukken van de landroof tegen de Mbuti-stam vernietigd. Pure sabotage. Toen kwamen de anonieme dreigtelefoontjes. Dat ik me gedeisd moet houden. “Dus jij denkt dat je dat bosvolk kunt helpen? Je hebt niets te zoeken bij dat uitschot. Je zult sterven voor niets.”’

Tijdens de conferentie van IUCN NL vertelt ook Jaybee Garganera uit de Filippijnen over de dreig-sms’jes die hij ontvangt in verband met zijn milieu-activisme. ‘De eerste kreeg ik in 2012. “Het kost maar één kogel om jou te stoppen”, stond er. Natuurlijk schrok ik ervan. Later kreeg ik er soms wel drie of vier per dag. Op de een of andere manier werd het toen ook weer minder bedreigend. Iemand zei tegen mij: “Als ze je echt wilden vermoorden, dan hadden ze dat nu al lang gedaan.” Daar houd ik me maar aan vast.’

Lenin Valencia vertelt me in de pauze over zijn strijd in Peru. ‘Er is op dit moment sprake van een goldrush in het Amazonegebied. Er zijn nu plannen voor een weg die inheems grondgebied verbindt met de grote stad. Als die weg er komt, is het hek van de dam. Dan is de weg letterlijk vrij om de bodemschatten uit het regenwoud weg te voeren. De Amazone zal er lijden.’

In een verklaring voor IUCN NL schrijft een andere natuurbeschermer uit Peru, Luis Tayori, over deze weg: ‘Men zegt dat de weg ons voorspoed brengt. Ontwikkeling. Banen. Maar de ervaring leert dat de banen vooral naar anderen gaan. Buitenstaanders. Wij zelf profiteren niet. We vrezen voor de offers die we moeten brengen.’ Ook Tayori wordt bedreigd: ‘Ik vrees het meest voor mijn familie. Dat hen iets overkomt. “We weten waar je dochters op school zitten.” De koude rillingen liepen over mijn rug toen ze dat zeiden. Maar ik kan niet opgeven. Ik ben de leider van mijn gemeenschap. Als ik het niet doe, wie doet het dan?’

De deelnemers aan de conferentie proberen er soms luchtig over te doen, maar tegelijkertijd weet iedereen dat sprake is van reëel gevaar. Als een filmpje wordt afgespeeld als eerbetoon aan alle vermoorde natuurbeschermers, waarbij het ene na het andere slachtoffer in beeld komt onder het plechtige gelui van kerkklokken, is de rauwe emotie voelbaar in het warme zaaltje. In 2015 kwam het aantal moorden op natuurbeschermers wereldwijd op 185 uit, volgens de meest recente cijfers van de ngo Global Witness. Dat komt neer op drie moorden per week. Veertig procent van de slachtoffers viel onder inheemse volkeren.

Afgelopen maand nog werd de Mexicaanse Isidro Baldenegro López, boer en leider van de Tarahumara-gemeenschap in de noordelijke Sierra Madre-bergregio, doodgeschoten in het huis van een familielid. Baldenegro ontving in 2005 de Goldman-prijs, ook wel beschouwd als de ‘Groene Nobelprijs’, voor zijn niet-gewelddadige verzetscampagne tegen ontbossing. De Hondurese Berta Cáceres was in 2015 eveneens winnares van deze prestigieuze Goldman-prijs. Zij werd in maart 2016 vermoord na jarenlange doodsbedreigingen en intimidaties in verband met haar campagne tegen de aanleg van een hydro-elektrische dam.

Dit gaat niet alleen over hún water, dit gaat ook over óns water

Omdat de druk om nog niet eerder geëxploiteerde bronnen te exploiteren wereldwijd toeneemt en omdat daarvoor steeds dieper wordt binnengedrongen in afgelegen, geïsoleerde, vaak door inheemse volkeren bewoonde gebieden neemt het aantal conflicten logischerwijze toe. Het gaat immers om enorm grote economische belangen versus een beperkte slagkracht van gemarginaliseerde groepen. De vraag is hoe de natuurbeschermers uit deze gemarginaliseerde groepen het best kunnen worden gesteund.

‘Natuurbeschermers worden steeds meer gezien als beschermers van mensenrechten’, vertelt Femke Wijdekop, jurist bij IUCN NL. ‘John Knox, speciaal rapporteur mensenrechten en milieu voor de Verenigde Naties, heeft nu ook expliciet erkend dat deze activisten vallen onder de VN-verklaring voor mensenrechtenbeschermers. Sterker nog: ze vormen de op één na grootste groep mensenrechtenbeschermers die het risico loopt te worden vermoord. (Op nummer één staan journalisten die mensenrechtenschendingen proberen bloot te leggen – sb.) Als natuurbescherming door de VN expliciet wordt beschouwd als bescherming van mensenrechten, dan zou dit het juridisch makkelijker moeten maken om deze mensen te helpen en om hun rechten te handhaven. Dat is vooral belangrijk omdat staten volgens het internationale recht expliciet de verplichting hebben om de mensenrechten te handhaven: die bescherming strekt zich dus ook uit tot natuurbeschermers. Staten moeten ervoor zorgen dat natuurbeschermers in alle veiligheid hun werk kunnen doen.’

IUCN NL lanceert dit jaar een nieuwe campagne met plannen voor onder meer juridische hulp aan natuurbeschermers, veiligheidstrainingen, registratie van incidenten en internationale erkenning en bescherming. Tijdens de conferentie in september, die het startsein vormde van het driejarige project ‘Bescherm de natuurbeschermer’, riep Jan van de Venis, advocaat, eigenaar van JustLaw en keynote-spreker, bovendien alle advocaten op: ‘Durf weer groots te zijn!’ Via het crowdsourcingplatform The Crowd Versus kunnen procedures worden gefinancierd tegen multinationals die winst maken ten koste van mens en natuur. Toch blijven juridische procedures ook in de ogen van Jan van de Venis altijd het ultimum remedium. Voordat daartoe wordt overgegaan moeten eerst andere wegen worden bewandeld. Zo hebben sociale media vaak veel impact buiten de rechtszaal.

Veel natuurbeschermers zijn bovendien sceptisch over de mogelijkheden van het recht. Ze hebben te veel straffeloosheid gezien en betwijfelen of het mogelijk is om met juridische middelen te vechten tegen het onrecht dat hen wordt aangedaan. Zo vertelde de Colombiaanse Marcella Gomez tijdens de conferentie: ‘De wet is bij ons heel sterk en duidelijk, maar toch gaat het milieu in rap tempo achteruit. Inheemse volkeren vertrouwen er niet op dat wettelijke regels hen zullen beschermen. Het probleem is dat dezelfde mensen die voor de grote bedrijven werken daarna weer voor de overheid werken en dus ook degenen zijn die vergunningen en concessies afgeven aan grote, internationale bedrijven. Het is een draaideur. Het fiscale hoofd in ons gebied heeft bijvoorbeeld zijn hele leven gewerkt voor mijnbouwbedrijven.’

Het is dan ook vooral essentieel dat de, vaak westerse, bedrijven zélf hun verantwoordelijkheid nemen voor de impact van hun investeringen in het buitenland. Zo werden in 2011 de UN Guiding Principles on Business and Human Rights aangenomen in een resolutie van de VN. Hoewel het hier gaat om soft law en de principes niet wettelijk bindend zijn, is het wel een belangrijke richtlijn geworden voor het onderzoek dat bedrijven doen voordat ze beslissingen nemen over investeringen. Een bedrijf als Ernst and Young gebruikt deze richtlijn bijvoorbeeld als onderdeel van het streven naar maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Op dit moment wordt tevens gewerkt aan het opstellen van een VN-verdrag om de verplichtingen van bedrijven op het gebied van mensenrechten, inclusief de rechten van natuurbeschermers, wettelijk bindend vast te leggen. IUCN NL-jurist Femke Wijdekop is hierbij betrokken. Zo was Wijdekop in oktober 2016 aanwezig bij de tweede sessie van de werkgroep die de ramificaties en inhoud van een VN-verdrag over de ‘verplichtingen van transnationale bedrijven met betrekking tot mensenrechten’ aan het verkennen is.

In Nederland hebben we nauwelijks weet van de risico’s die deze natuurbeschermers dagelijks lopen. Vooral lokale mensen lopen risico, maar soms ook een westerling. Zo maakte filmmaker Jacco Groen de documentaire War on Minerals, over de moord op de Nederlandse milieubeschermer Willem Geertman die zich in de Filippijnen inzette voor de inheemse bevolking waarvan het land was afgenomen. Hij moest dit uiteindelijk bekopen met de dood. Voor de ogen van zijn personeel werd hij doodgeschoten.

‘De actie van Geertman richtte zich tegen het opsplitsen van een provincie waardoor een belastingvrije zone werd gecreëerd voor mijnbouw’, vertelt Jacco Groen. ‘Op die manier konden ze met die zone doen wat ze wilden. Een paar mensen zouden er rijk mee worden, de lokale bevolking moest weg. Daar verzette Willem zich tegen.’ Groen merkte tijdens het maken van zijn film dat dergelijke moorden in de Filippijnen ‘vrij veel’ voorkomen. ‘En er wordt vrijwel nooit iemand voor veroordeeld. De familie van Geertman heeft dat aan den lijve ondervonden: het belang was simpelweg niet groot genoeg.’

In zijn film komt aan het licht dat Nederlandse pensioenfondsen in 2013 geld investeerden in precies de mijnbouw in deze zone in de Filippijnen. ‘Wij zijn dus wel degelijk verantwoordelijk voor wat hier gebeurt. De lokale bevolking moet weg en tegelijkertijd is het een ramp voor het milieu. Ik heb het zelf gezien. Die mijnbouw is zó slecht. Er zijn hele spookgebieden ontstaan waar alles dood is. En alleen de bedrijven uit het Westen profiteren. Wat de Filippijnen zelf overhouden aan die mineralen uit de grond staat in geen enkele verhouding tot de winsten die ermee worden gemaakt in het Westen.’

Het maakt allemaal wat moedeloos. De grote financiële belangen van westerse overheden en bedrijven versus de wanhopige strijd van de lokale, vaak inheemse bevolking om haar grond. De vreselijke gevolgen voor het milieu versus de onstuitbare economische drive van investeerders. De relatieve vleugellamheid van internationale organisaties als de VN en de beperkte zin van juridische procedures. Toch is er hoop. Naast de deprimerende feiten is namelijk tegelijkertijd een groeiende interesse aan het ontstaan voor de manier waarop inheemse volkeren aankijken tegen de natuur.
Bruce Parry, een Britse documentairemaker, tv-persoonlijkheid en aanhanger van inheemse rechtenorganisatie Survival International, verwoordt het in een artikel in The Guardian als volgt: ‘Inheemse volkeren zijn de beste conservatoren van het bos. Zij kunnen recht door die Gordiaanse knoop heen hakken van de oneindige processen van de VN. Zij zien en begrijpen de waarde van het bos, de waarde waar verlichte, ontwikkelde culturen blind voor zijn geworden, de waarde die de moderne wetenschap pas weer net aan het herontdekken is.’

Inheemse volkeren, zoals de Mbuti waar ik met Vicar over sprak, zien de waarde van het regenwoud namelijk als iets zeer tastbaars. Het bos is ‘de voedende moeder, een ware vriend, de bron van voedsel, medicijnen, en van leven’. Voor inheemse volkeren is dit niet iets dat ze moeten begrijpen uit natuurdocumentaires of uit wanhopige oproepen van milieuactivisten om de aarde te redden. Voor hen is deze waarde volstrekt evident. Parry citeert in zijn stuk milieuactivist David Suzuki: ‘De manier waarop we de wereld zien bepaalt hoe we de wereld behandelen. Als een berg een godheid is en niet een stapel goud; als een rivier een ader is van het land en niet een bron voor irrigatie; als een woud een heilig bos is en niet hout om te kappen; als andere diersoorten biologische familieleden zijn en geen grondstof, of als de planeet onze moeder is en niet een mogelijkheid – dan zullen we elkaar gaan behandelen met meer respect.’

Ondanks de deprimerende cijfers van Global Witness was het afgelopen jaar te zien hoe veteranen en filmsterren zich aansloten bij de ‘waterbeschermers’ van Standing Rock. Inheemse stammen blijven proberen een oliepijpleiding tegen te houden, ondanks enorme economische belangen van de olie-industrie. Kennelijk resoneert het gevoel van urgentie onder een groter deel van de bevolking dan slechts de inheemse volkeren in North-Dakota. De aandacht voor de protesten, ook internationaal, is overweldigend. Dit gaat niet alleen over hún water, dit gaat ook over óns water. Zij nemen het namens ons op voor de aarde en dus zijn het onze nieuwe helden en moeten we ze onze steun betuigen. Zo lijkt het gevoel het best te verwoorden te zijn.

Ook de onverwacht grote populariteit van de onlangs verschenen documentaire Down to Earth is in dit licht te plaatsen. Een Nederlands gezin verliet hun Amsterdamse huis aan het Vondelpark om bij een inheemse stam in Noord-Amerika te gaan wonen. Ze kwamen daar in contact met de stamoudste, Nowaten (‘hij die luistert’), en besloten daarop dat ze de boodschappen van dergelijke ‘Earth Keepers’ moesten delen met de rest van de wereld.

Uiteraard is het weinig zinvol om te dwepen met de animistische ideeën van inheemse volkeren terwijl hun feitelijke situatie zo precair is en de internationale bedrijfsbelangen het vooralsnog lijken te winnen van hun eeuwenoude gebruiken. Het is natuurlijk maar de vraag hoe lang de protesten in Standing Rock stand kunnen houden, zeker onder Trump. Bovendien weten we ook niet wat nu precies wordt gewonnen als de pijpleiding uiteindelijk definitief wordt omgelegd. Misschien wordt dan niet dat ene stukje heilige land getroffen, maar is het niet even erg als een ander stuk land de dupe is, ook als dat niet heilig is volgens de inheemse overlevering? Uit milieuoogpunt is vervuiling vervuiling, of die nu plaatsvindt op heilige of op minder heilige grond. Inheemse volkeren beschermen begrijpelijkerwijs ook hun eigen belangen en niet de belangen van de hele wereld. Het gaat ze uiteindelijk om overleving van de eigen groep, en dat is nooit zonder conflict met andere groepen of belangen.

Toch is het als een lichtpunt te beschouwen dat er niet alleen aandacht is voor ‘zielige inheemse volkeren in de knel’, maar dat tegelijkertijd inheemse ideeën over hun omgang met de aarde een breder publiek lijken te vinden. Klimaatwetenschappers en inheemse groepen protesteerden na de verkiezing van Trump gezamenlijk in Washington D.C. tegen de desastreuze klimaatideeën van de Trump-clan. Het is een teken aan de wand dat de nieuwste inzichten uit de exacte wetenschappen en de oudste inzichten van de eerste volkeren op aarde bij elkaar komen. Tegelijkertijd blijft het werk van juristen als Femke Wijdekop, en van natuurbeschermers als Vicar, Jaybee en Tayori van levensgroot belang. Niet alleen voor de rechten van specifieke inheemse groepen, maar ook voor het voortbestaan van ons allemaal.