Hoofdcommentaar: Wereldleiders

Wie betaalt, bepaalt juist niet

Maandenlang gedacht dat de grote leiders van de grote mogendheden tot in hun kleine teen met elkaar in de clinch lagen over de oorlog om Irak. Blijkt het achteraf allemaal schijn te zijn geweest. Een mooi verjaardags partijtje in een gerenoveerd presidentieel paleis in het driehonderdjarige Sint-Petersburg en, aansluitend, een topconferentie in kuuroord Evian waren afdoende om de eenheid van de globe te herstellen. Zondag kon president Bush het niet opbrengen zijn Franse collega Chirac een warme hand te geven. Maandag maakten beiden alweer geintjes. Ze waren het erover eens geworden dat ze het oneens mochten zijn. Jacques wist volgens George W. immers zo veel van het Midden-Oosten.

Een van de eerste zichtbare resultaten van deze verzoening was een lichte daling van de euro ten opzichte van de dollar en een navenante stijging van de olieprijs. President Bush had de valutahandel, eerder in Polen en daarna in Rusland, op het hart gedrukt niet al te veel waarde te hechten aan de woorden van zijn minister John Snow van Finan ciën. Snow had een paar weken geleden laten doorschemeren dat de zwakke dollar hem geen bal interesseerde. Bush zei voor de Russische televisie precies het omgekeerde.

Dat was balsem op de ziel van de kapitaalmarkten, die worden beheerst door nerveuze mannen die het ook niet meer weten en zich dus maar laten leiden door de opgewonden telexen van Bloomberg, Reuters en AP Dow Jones waarin alleen de stoelgang van de kapiteins van industrie en bankwezen nog niet aan een nadere analyse wordt onderworpen.

Is dit reden om opgelucht adem te halen? Nee.

Tijdens de jaarlijkse top van de Grote Acht in Evian zijn er weliswaar afspraken gemaakt. Over de wederopbouw van Irak, de oprichting van een gezamenlijke antiterreurgroep van de G8, mogelijke ultimata aan het adres van de «duivelse schurkenstaten» Iran en Noord-Korea, betere handelsvoorwaarden voor de Derde Wereld en over een financiële injectie in de bestrijding van aids.

Maar om een even belangrijke hete brij zijn de leiders van de wereld met een grote boog heengelopen: de monetaire verhoudingen tussen dollar en euro of yen. Anders gezegd: de financiering van oorlog en vrede in Irak.

Anders dan president Bush in het openbaar zei, heeft hij wel degelijk belang bij een sterke euro en een zwakke dollar. Ten eerste omdat Bush de financiering van de operatie-Irak rond moet krijgen. Ten tweede omdat hij zijn herverkiezing in november 2004 niet te grabbel wil gooien. Tussen beide doelstellingen bestaat een rechtstreeks verband.

De binnenlandse agenda van Bush is gebaseerd op een ongekende belastingverlaging die de staatskas, als het Congres tenminste instemt, in totaal twee biljoen dollar gaat kosten. Het deert Bush amper dat de Amerikaanse betalingsbalans voor vijf procent van het totale Bruto Binnenlands Product in het rood staat. Het maakt hem evenmin veel uit dat het begrotingsoverschot, van zijn voorganger Clinton geërfd, hierdoor binnen een decennium naar een tekort tuimelt gelijk aan dit fiscale douceurtje van 2000 miljard. Tel daarbij de kosten op van de oorlog (krap honderd miljard) en de vrede (onbekend, volgens een Amerikaanse econoom kunnen de kosten van bezetting en wederopbouw oplopen tot 1,5 biljoen), en je hoeft geen boekhouder te zijn om te weten dat de economische groei in de VS moet gaan spetteren om debet en krediet in balans te houden.

De analogie met 1971 dient zich daarom aan. Toen, tijdens de voortslepende Vietnamoorlog, werd de dollar losgekoppeld van het goud. Het systeem van vaste koersen, dat sinds 1944 had bestaan, klapte in elkaar. Europa betaalde vervolgens ten dele de oorlog door het tekort op de Amerikaanse betalingsbalans te financieren. Door de goedkope dollar kon de Amerikaanse export floreren ten koste van de Europese. «Amerika leefde door die massieve militaire uitgaven jaar in jaar uit boven zijn stand. De omstandigheden nu kunnen gaan lijken op die van toen. Stel dat de oorlogsinspanningen — ik bedoel niet alleen de aanval zelf maar ook het vredesleger en de interventies die volgen — op de lange duur de middelen van de Amerikaanse economie te boven gaan: dan gaat het niet goed», zei president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank een paar dagen voordat de oorlog begon.

In Evian hebben de chefs van de G8 dat perspectief de pas niet willen of kunnen afsnijden. De markt moet immers haar werk doen, ook al staat het financiële systeem her en der in de wereld op springen. En dus weet de Europese Centrale Bank (ECB) zich deze week weer eens geconfronteerd met een duivels dilemma. De centrale bankiers in Frankfurt kunnen weinig anders doen dan de rente verlagen, dit keer niet met 0,25 procentpunt maar met een halfje. Voor de ECB, in het leven geroepen met de taak om de inflatie te beteugelen, zou dat al een hele stap zijn.

Het zal niet helpen. Niet alleen omdat de economie in Europa, met name in Duitsland dat het leeuwendeel voor haar rekening neemt, er beroerder voor staat dan voor operatie Iraqi Freedom en lagere rente een druppel op de gloeiende plaat is. Maar vooral ook omdat de Amerikaanse regering er geen belang bij heeft de wedloop met rente tarieven te staken.

Misschien hebben de regeringsleiders deze week het Meer van Genève daarom met een montere blik in de ogen verlaten. Omdat ze in hun hart weten dat er na een oorlog andere principes gelden dan ervoor. Wie betaalt, bepaalt juist niet.