Citaten in cijfers

Wie citeert wie?

De wijsheid van anderen kan helpen een argument kracht bij te zetten. Onder Nederlandse publicisten blijkt Marx daarbij nog altijd populairder dan Freud, en Huntington is de winnaar van 11 september. Maar de cijfers worden vertroebeld door de vele misquotes van columnisten.

Wat is er aan de hand? En veel belangrijker: wie gaat het ons vertellen? Komt er een «totaal nieuwe» politiek, zoals Mat Herben en de LPF-bewindslieden beloven, of is Balkenende-I een «gewoon kabinet», zoals Gerrit Zalm herhaaldelijk verklaarde? Het is nog niet duidelijk, maar gelukkig wacht men niet af met oordelen en interpreteren. Integendeel, schrijvende Nederlanders tonen een ongekende neiging tot duiding. Citeren, aanhalen en parafraseren helpt daarbij altijd. Een goed geplaatst citaat levert behalve zeggingskracht ook status op — de erudiete publicist weet wat er te koop is in de intellectuele wereld. Vooral dode of buitenlandse autoriteiten geven gewis bij het duiden van de tekenen des tijds. Prettige bijkomstigheid is natuurlijk ook dat zij moeilijk weerwoord kunnen bieden. Zo kon Churchill er zelf niets meer van zeggen toen Mat Herben tot vier keer toe een vrij eenvoudig citaat verhaspelde en abusievelijk aan hem toeschreef. «Wie jong is en rechts, heeft geen hart; wie oud is en links geen verstand», zou Churchill hebben gezegd.

Nu het kabinet columnisten en voormalig hoogleraren telt, zal het citeren wellicht een vlucht nemen. Het inroepen van andere, groter geachte denkers, met een betere reputatie en een grotere naam is een belangrijk wapen in de strijd om instemming. In Amerika is de columnist en rechter Richard Posner nagegaan wie daarbij in zijn land het vaakst worden ingezet. Het gaat hem niet zozeer om woordelijke citaten, maar om het aantal artikelen waarin de naam van een denker opduikt. Er is veel aan te merken op het boek dat hij op basis van zijn onderzoek schreef (zie De Groene Amsterdammer van 13 juli), maar het is onmiskenbaar dat Posner tot interessante kwantitatieve gegevens komt. Zo blijkt Henry Kissinger de nummer één te zijn in de grote kranten van Amerika, gevolgd door Daniël Patrick Moynihan. In de Amerikaanse vakliteratuur viel de eer te beurt aan wijlen Michel Foucault, gevolgd door Pierre Bourdieu, Jürgen Habermas, Jacques Derrida en Noam Chomsky. Posner heeft onrustbarend nieuws voor de Plasterken en Van Rossums van deze wereld: de correlatie tussen het aantal vermeldingen in de media en die in de vakbladen is negatief — en dat geldt zeker voor de levende dichters en denkers. Hoe vaker iemands naam in de dagbladen opduikt, hoe kleiner de kans dat hij in de vakbladen wordt aangehaald.

Posner maakt benieuwd naar de Nederlandse situatie. Een snelle duik in FactLANE, de persdatabank waarin alle grote Nederlandse kranten zijn gedigitaliseerd, leert alvast dat een systematisch, wetenschappelijk onderzoek naar het vermelden en citeren in de Nederlandse dagbladen de moeite waard moet zijn. De resultaten van een zeer simpele peiling op basis van de digitale archieven zijn grafisch weergegeven in de figuur op deze pagina’s. Duidelijk is te zien dat Karl Marx en Sigmund Freud boven iedereen zijn verheven. Daarbij valt op dat hun vermeldingen in aantal parallel lopen, dalend zowel als stijgend. Jean-Paul Sartre komt nog altijd op een goede derde plaats, alhoewel Henry Kissinger de overleden Fransman in 1994 en in de dagen na 11 september weer duidelijk de loef afsteekt.

Michel Foucault doet het in Nederland niet alleen goed in de vakbladen, maar ook in de dagbladen. Zelfs beter dan Nobelprijswinnaar en econoom Jan Tinbergen. De beste Nederlander blijkt Menno ter Braak (niet in de grafiek opgenomen), die het met 108 treffers in 2001 en 112 in 1994 net iets beter doet dan rechts filosoof Paul Cliteur.

In de competitie om aandacht loont het innemen van extreme posities meer dan het verdedigen van invloedrijke maatschappelijke theorieën of wetenschappelijke reputaties. Dit is duidelijk terug te zien in het grote verschil in het aantal keren dat Jan Tinbergen wordt aangehaald en de hoeveelheid artikelen waarin parttime hoogleraar Paul Cliteur opduikt. De laatste brengt met zijn opinies zelfs meer pennen in beweging dan een buitenlandse denker als Michael Ignatieff of de econoom Milton Friedman, een denker die in de laatste veertig jaar wereldwijd uiterst belangrijk is geweest voor het denken over recht, staat en samen leving.

Ook de macht van de televisie kan in de digitale databank goed zichtbaar worden gemaakt. Nadat Wim Kayzer de eerder in Nederland vrij onbekende wetenschapper Stephen Toulmin had geïnterviewd in zijn reeks Een schitterend ongeluk werd deze twee keer zo vaak geciteerd als in het jaar daarvoor. En de evolutiebioloog Stephen Jay Gould werd in 1992 maar één keer geciteerd in de Volkskrant, Trouw of NRC Handelsblad, terwijl hij in 1994, een jaar na het Kayzer-interview, maar liefst achttien keer de krant haalde. Dezelfde aantallen bleef hij scoren tot aan zijn dood, enkele weken geleden, maar de causaliteit tussen het aantal artikelen en de programma’s van Kayzer was toen wellicht al verdwenen.

Veel groter dan het Kayzer-effect was de invloed van 11 september (zie de tweede grafiek). De aantallen tonen een aardverschuiving. Grote verliezers zijn denkers als Habermas en Wittgenstein. Kwam de laatste in de tien maanden voor de aanslagen nog in 142 artikelen voor, in de tien maanden daarna zakte dit aantal tot 107. Habermas ging van 31 naar 18 vermeldingen terwijl het aantal vermeldingen van Hannah Arendt juist verdubbelde. Andere grote winnaars van 11 september zijn Samuel Huntington, Noam Chomsky en Benjamin Barber. De laatste maakte een opmerkelijke winst. Hij schreef niet exceptioneel veel na 11 september, maar zijn in 1995 geschreven boek Jihad vs McWorld kreeg op de dag van de aanslagen plotseling grote actualiteit, waardoor het aantal Nederlandse artikelen waarin hij wordt genoemd, verveertigvoudigde. Ook de winst van Fukuyama is opvallend, aangezien velen meenden dat al-Qaeda niet alleen de Twin Towers maar ook de reputatie van de hegeliaan had verwoest. Hij zag immers een gezapige, door het liberalisme gedomineerde, lege toekomst voor zich die hem ertoe had gebracht een essay (en later een boek) te schrijven onder de titel Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Voor een deel blijkt Fukuyama’s winst te liggen in publicisten die na 11 september uitgebreid stilstaan bij zijn ongelijk. Ook hielp het dat Fukuyama kort na de aanslagen zijn reactie op de gebeurtenissen gaf. Bovendien publiceerde hij onlangs een nieuw boek met nieuwe wilde voorspellingen, een efficiënte manoeuvre om de aandacht af te leiden van zijn valse profetie uit het recente verleden.

De Amerikaan David Brooks beschreef dit verschijnsel van de niet-aflatende populariteit van denkers die zich aan wilde voorspellingen wagen, ook nadat is gebleken dat ze ongelijk hadden. Hij wijst terecht op Kenneth Galbraith, een econoom die nog altijd populair is, maar die in 1967 met veel stelligheid voorspelde dat de Amerikaanse economie binnen afzienbare tijd zichzelf zou transformeren tot een socialistische economie als die van de Sovjet-Unie. Deze voorspelling heeft zijn populariteit allerminst geschaad. Bij intellectuele roem gaat het niet zozeer om de juistheid van theorieën, als wel om de mogelijkheid erop te reageren.

Tyler Cowen wijst er in zijn What Price Fame? op dat fans en liefhebbers de neiging hebben zich te groeperen rond een handvol sterren, mensen die niet noodzakelijkerwijs de beste zijn in hun vak, maar wier levendige persoonlijkheid ze geschikt maakt voor bewondering en aanbidding. Cowen wijst op de analogie met sporthelden. «De grootste sterren», schrijft hij, «zijn figuren als Dennis Rodman van de Chicago Bulls». Rodman is een exotische figuur, met vreemd gedrag buiten het basketbalveld en een lichaam vol tatoeages. Hij treedt zo nu en dan verkleed als vrouw op. Hij wordt door veel kinderen als de grootste gezien, alhoewel zijn talent en kwaliteiten net toereikend zijn voor de hoogste basketballeague van Amerika. Zo is het wellicht ook met de aandacht voor denkers en dichters.

Terug naar Nederland, het Nederland van onder anderen Marsman, die graag en eigenlijk maar om één regel bij voortduring wordt geciteerd (in de bekende dagbladen 64 keer in de afgelopen acht jaar). «Denkend aan Holland», ziet men in de jaren negentig «stampvolle bussen traag langs oneindige wegen» of «lange files sloom voor oneindig rode stoplichten staan» en «brede snelwegen door oneindige villawijken». Henri Beunders zag zelfs «brede Haagse ambtenaren zuchtend door oneindige gangen gaan», een ander zag «trage overheidscommunicatiestromen» en weer een ander «stromen immigranten». Gerrit Komrij zag «waardepapieren snel door begerige vingers gaan». De variaties geven een treffend beeld van de jaren negentig van de vorige eeuw: men zag, omkomend in de verstikkende rijkdom, vooral wat beklagenswaardig was.

Het gebruik valt op van citaten die zo uitgesleten zijn dat ze eigenlijk niemand meer hulp kunnen bieden. Neem «to be or not to be», of Chamberlains «peace in our time». De laatste is goed voor een slordige 35 keer in de afgelopen jaargangen van de drie grote dagbladen. Of Colijns aanmoediging in 1936 (65 keer) om «rustig te gaan slapen», net als «in andere nachten». Dit citaat wordt opvallend vaak verkeerd of net niet juist gedateerd (Mient-Jan Faber en Marcel van Dam menen dat Colijn het in 1940 zei, enkele maanden voor de inval van de Duitsers).

Rommelen met citaten blijkt overigens eerder regel dan uitzondering. Zo verbasteren ladingen scribenten het inmiddels volstrekt uitgesleten dictum van Marx dat godsdienst «opium is van het volk» tot de uitspraak dat godsdienst opium is voor het volk. Dat ging in de afgelopen jaren vaker fout dan goed, zelfs na ingezonden brieven en corrigerende artikelen. En het zijn bepaald niet de minsten die zich vergaloppeerden: Geert Mak, Paul Cliteur, Martin Sommer, Mark Bovens en Mario Vargas Llosa — of diens vertaler. Waarschijnlijk is de fout zelfs de wereld in geholpen door niemand minder dan Lenin.

Ook vaker fout dan goed gaat het met het beroemde «sommige varkens zijn meer gelijk dan andere varkens», toegeschreven aan George Orwell. Om deze misquote meer authenticiteit te verlenen, werd ze zelfs veelvuldig in het Engels geciteerd, zoals D66-kamerlid Boris Dittrich tot drie keer toe deed in een en dezelfde televisie-uitzending van Veronica, en zoals de NRC-correspondent en inmiddels geroemd schrijver Frank Westerman zelfs opschreef in de zin: «Dat de egalitaire utopie van het communisme in haar tegendeel is verkeerd (‹some pigs are more equal than others›) is genoegzaam bekend.» De varkens in het citaat moeten natuurlijk «beesten» zijn, zoals iedereen weet die Animal Farm daadwerkelijk heeft gelezen. De Volkskrant laat de fout zelfs in de kop van een artikel staan; bij een verhaal over varkens.

Columniste Anet Bleich spant de kroon. Al zijn het vaak kleine fouten (Churchills «blood, toil, tears and sweat» wordt bij Bleich het «bloed, zweet en tranen» van Joyce), ze blijkt nauwelijks één citaat juist te kunnen formuleren. Hier past een citaat van niemand minder dan Lord Byron: «Sommige mensen hebben net genoeg gelezen om verkeerd te citeren.»

Columnisten hebben nu eenmaal de reputatie intellectueel lui te zijn. Welnu, Marcel van Dam is of lui of hij probeert door middel van polemische opmerkingen het door hoofdredacties zo gewilde debat in de krant te krijgen. In meer dan een derde van de columns die hij dit jaar schreef, citeert hij een collega-columnist. Meer dan de helft van die geciteerde columnisten schrijft in zijn eigen krant, de Volkskrant. Ook citeert hij zichzelf, uit een stuk van tien jaar terug, en van alle citaten die hij gebruikt komen er maar drie niet direct uit een krant van dezelfde week: één van Machiavelli, een van Colijn («ga maar rustig slapen») en een van Balkenende. Citaten van James Kennedy, Bart Koenders, Peres en Philip Gould haalt hij uit interviews die er in de voorafgaande week met hen waren gehouden. Men kan ook beweren dat Van Dam geen grote namen nodig heeft om zich achter te verschuilen. Want waarom zou hij eigenlijk voortdurend hulp halen uit de boekenkast?

Dat is een vraag die men beter kan stellen aan Elsbeth Etty. Als een goede fee promoot de columniste van NRC Handelsblad de erfenis van grote schrijvers, denkers en staatsmannen. Dit jaar presteerde ze het om er in één column vijf dode autoriteiten bij te halen om haar punt kracht bij te zetten, en dan gaat het met Napoleon, Napoleon III, Presser, Goethe en Marx bepaald niet om de minsten. Op 23 februari dit jaar lukte het haar zelfs om Orwell, Goebbels en Churchill in één alinea op te voeren.

Bij een jongere columnist als Pieter Hilhorst (alweer een tijdje van de Volkskrant) is het wekelijks raak. Maar bij Hilhorst komen de citaten niet zozeer uit geheugen of standaard geschiedenislessen. Hij ziet het duidelijk als zijn doel om in zijn columns andermans gedachtegoed te ontsluiten. Van Siep Stuurman, Michael Ignatieff en Hans Achterhuis tot Bernard-Henri Lévy, Gabriël van den Brink, Piet de Rooy, Han Entzinger en de Iraans-Amerikaanse socioloog Ali Ekbar Mehdi. Bij J.L. Heldring is dit evenzeer het geval, waarbij zijn unieke veelzijdigheid opvalt. Heldring citeert nagenoeg iedere week uit het werk van uiteenlopende figuren in tijd, plaats en prestige, zoals Joop Den Uyl, Alexis de Tocqueville, Thucydides, Goethe en communicatiewetenschapper Henri Beunders. Terecht is de citerende Heldring zelf opgestegen tot de edele kringen der geciteerden. Alhoewel hij met 62 treffers in het afgelopen jaar Menno ter Braak (92) nog niet benadert, blijkt hij wel Theodor Adorno en Max Weber ver achter zich te laten.

Helaas blijkt na verder onderzoek dat deze getallen weinig over de intellectuele capaciteiten van Heldring zeggen. Nagenoeg alle vaderlandse columnisten blijken beter te scoren dan internationaal vermaarde denkers. In het afgelopen jaar scoorde Bart Tromp veel beter dan Michael Ignatieff, John Jansen van Galen verslaat Leo Strauss en Marcel van Dam, Elsbeth Etty en H.J.A. Hofland worden ieder vaker genoemd dan Michel Foucault, toch de nummer één van Amerika.