In ‘Het ontsterven’ gaat het vooral ook over de taal waarin we over kanker spreken © Jet Budelman / De Beeldunie

Een tumor is een tumor is een tumor. Zo kun je het befaamde Gertrude Stein-citaat, dat niet over kanker gaat maar over een roos, op een gruwelijke manier geweld aandoen. Maar in deze context voelt dat op een vreemd-zekere manier gerechtvaardigd. De context is het ‘kankerboek’ Het ontsterven van de Amerikaanse dichter en essayist Anne Boyer, voorheen vooral bekend in avant-gardistische en politiek geëngageerde dichterskringen. Voor Het ontsterven, de pas verschenen vertaling van het in 2019 uitgekomen The Undying, ontving Boyer vorig jaar de Pulitzer Prize voor non-fictie. Het boek is experimenteel van opzet en gaat behalve over de agressieve vorm van borstkanker die in 2014 bij Boyer werd vastgesteld vooral ook over de taal waarin we over die ziekte spreken. Met andere woorden is het een boek dat aanvoelt alsof Stein, uitvinder en petemoei van de experimentele literatuur, er hoogstpersoonlijk over waakt.

Een tumor is dus simpelweg een tumor. Dat is althans hoe men vandaag de dag in de medische wereld over kanker spreekt. Goed, er zijn agressieve en minder kwaadaardige soorten tumoren. Maar uiteindelijk heeft wie er een krijgt gewoon botte pech. Wel kun je, als je een beetje gezond leeft, je tanden op elkaar zet en braaf de juiste behandeling ondergaat – als je je met andere woorden een vechter toont – de kans om de ziekte te overleven vergroten. Kanker discrimineert in die zin niet. Zelfs borstkanker niet: ook mannen hebben borstweefsel en kunnen de ziekte dus krijgen. Boyer weet nog goed dat haar dit werd verteld: ‘De borstchirurg zei: de grootste risicofactor voor borstkanker is het hebben van borsten.’

Maar als iedereen zich senang voelde bij de medische manier van spreken over borstkanker, dan bestond er over dit thema geen literatuur. Die literatuur is er wel degelijk – en of die bestaat. In de proloog stippelt Boyer de literaire lijn uit waarop Het ontsterven voortbouwt: die van onder meer The Cancer Journals van Audre Lorde, Susan Sontags Illness as Metaphor, en het essay ‘The Gift of Disease’ waarin de transgressieve auteur Kathy Acker verslag legde van haar ziekbed. Teksten die duidelijk maken dat de ene tumor de andere juist niet is, dat de gevolgen van de ziekte voor sommigen veel erger zijn dan voor anderen. Boyer: ‘Borstkanker wordt minder vaak bij zwarte vrouwen vastgesteld, maar ze overlijden er vaker aan. Ook alleenstaande vrouwen lopen een grotere kans aan hun borstkanker te overlijden en geen adequate zorg te krijgen.’ En zo zijn er nog veel meer factoren die de ervaringen en overlevingskansen van borstkankerpatiënten bepalen.

Anders dan de medische manier van spreken suggereert, is de impact van kanker volgens de auteurs waarmee Boyer zich associeert geen persoonlijk maar een maatschappelijk probleem. Dat is precies waarom Sontag volgens Boyer onder het lijstje mogelijke titels voor wat uiteindelijk Illness as Metaphor zou gaan heten, noteerde: ‘Uitsluitend met jezelf bezig zijn is bezig zijn met de dood.’ In het boek zou Sontag niet zichzelf en haar eigen kanker, maar een maatschappelijke dimensie van ziekte aan de kaak stellen: de metaforische manieren van spreken die suggereren dat patiënten hun ziekte aan zichzelf te wijten hebben. Boyer doet met Het ontsterven iets vergelijkbaars, zij het dat sinds Illness as Metaphor eind jaren zeventig verscheen, niet alles nog hetzelfde is. Het metaforisch taalgebruik heeft plaatsgemaakt voor ‘het vaak allesoverstemmende gekakel’ over de ziekte in een stortvloed aan memoires en berichten op fora van overlevers. Dat gekakel is verdacht eenvormig en ligt, zo merkt Boyer op, in het verlengde van de genoemde medische manier van spreken: ‘Jouw persoonlijke borstkankerverhaal vertellen, zo luidt de redenatie, is een verhaal vertellen van “overleven” middels neoliberaal zelfmanagement ‒ het narratief is dat van het ene individu dat er op tijd bij is, dat zelfonderzoek doet en een mammografie krijgt, van ziekte die geneest door te doen wat de artsen zeggen, door hardlopen, biogroentesmoothies en positief denken.’

Ook dit nieuwe, eenentwintigste-eeuwse gekakel leidt borstkanker, en met name de kans om de ziekte te overleven, terug op (de vechtlust van) individuele patiënten. En zo verhult het dat ‘het kapitalistische medische universum’ lang niet iedereen dezelfde overlevingskansen gunt. Uit verzet tegen dit alles wil Het ontsterven nadrukkelijk geen ‘persoonlijk borstkankerverhaal’ zijn. Hoewel Boyer anders dan Sontag wel degelijk in de ik-vorm schrijft en haar eigen, vaak hartverscheurende ervaringen als patiënt centraal stelt, is Het ontsterven meer dan een persoonlijk verhaal ‘een ziektegeschiedenis’. Het boek verslaat hoe het is om op een specifiek moment op een specifieke plaats, het Amerika van na de financiële crisis, een specifiek lichaam te zijn: een alleenstaande witte vrouw, weliswaar met baan maar zonder gunstige arbeidsvoorwaarden.

Boyer is een radicaal, een tobber, een romanticus, een genadeloos scherp ­denker, een vertederend mens

Nu klinkt ‘een ziektegeschiedenis’ misschien als iets wat over het verleden gaat, iets met een begin (diagnose), een midden (behandeling), en vooral ook een eind (kankervrij!). Maar zo’n lineaire vertelvorm zou de grilligheid van de ziekte en de maatschappelijke invloeden op het verloop ervan verbloemen. Ja, Boyer heeft de ziekte overleefd. Toen ze begon te schrijven, was ze al bezig te ‘ontsterven’, terug te krabbelen uit de halfdood die een kankerbehandeling teweegbrengt. Toch is Het ontsterven niet geschreven als een rechte lijn richting het overleverschap. ‘“Schrijf aforistisch,” noteert Sontag in haar dagboek als ze overdenkt welke toon ze in Illness as Metaphor bij het schrijven over kanker moet aanslaan.’ Een advies dat Boyer niet alleen citeert, maar ook opvolgde.

Inderdaad bestaat Het ontsterven uit aforistische alinea’s, sommige essayistisch, sommige anekdotisch, en vaak staan ze vol verwijzingen naar andere schrijvers, naar kunstenaars en kankervloggers als ‘Coopdizzle’. De vorm van het boek heeft met andere woorden veel weg van Maggie Nelsons invloedrijke memoir The Argonauts uit 2015. Wel gaan al die losse alinea’s per hoofdstuk over het thema dat de titel, ‘Het ziekbed’ bijvoorbeeld, aankondigt. Een van de eerste auteurs naar wie Boyer verwijst, is de Griekse redenaar Aelius Aristides, die in de tweede eeuw na Christus in zijn Hieroi Logoi (‘Heilige documenten’) verslag deed van zijn eigen ziektegeschiedenis. De behandeling zag er destijds als volgt uit: samen met een heel aantal andere bevoorrechte incubantes nam men zijn intrek in de tempel van Asclepius. Daar wachtte men tot de god in kwestie zich in een droom openbaarde en met een genezingsadvies kwam.

De lezer begrijpt: hoe een ziekteproces verloopt, is minder aan de patiënt zelf te wijten dan aan de tijd en omstandigheden waarin die leeft. En sinds Aristides zijn de tijden aanzienlijk veranderd. Ter illustratie merkt Boyer op: ‘Onze eeuw is buitengewoon goed in het teweegbrengen van nachtmerries en bar slecht in droominterpretatie.’ Ze vult aan: ‘In plaats van mijn dromen lees ik PubMed op zoek naar aanwijzingen hoelang ik nog te leven heb, en hoe meer ik lees, des te meer vrees ik ergens op dat pad van peperdure en diabolische behandelingen het loodje te leggen, dus wissel ik de statistieken af met urenlang online shoppen en pruikenbeoordelingen lezen zonder dat dit bevrediging biedt.’ Overigens hád Boyer wel dromen, waarin ze samen met haar behandelend arts inbreekt bij een filiaal van Whole Foods. ‘Of Madonna volgt met ontblote borsten een van mijn colleges.’

Maar een groter verschil met de Oudheid is natuurlijk dat er inmiddels chemotherapieën en operaties bestaan. Daar moet dan wel bij vermeld dat minderbedeelde patiënten zoals Boyer in ‘laatkapitalistisch’ Amerika na een tweezijdige borstamputatie dezelfde dag nog worden gesommeerd het ziekenhuis te verlaten. Bovendien stond Boyer een dag of wat later, wegens verbruikt ziekteverlof en dreigend ontslag, ‘tollend van pijn en rouw’ drie uur lang voor een collegezaal. De taal waarin ze haar gruwelijke ervaringen vat, is ernstig en duidelijk, spottend ook en wanhopig, soms esoterisch maar nooit onzelfbewust, en vaak op een schrijnende manier geestig. Haar ziektegeschiedenis is een aanklacht, ja. Boyer is en blijft een radicaal: ‘Trek je schaamhaar met plukken tegelijk uit en stuur het in afzenderloze enveloppen naar technocraten.’

Maar net zo goed is Boyer een tobber, een hystericus, een romanticus, een genadeloos scherp denker, een wanhopige moeder die haar kind niet wil verwezen, een hypertoegewijd docent, iemand met geweldige en minder geweldige vrienden, een zieke die het moet stellen zonder partner of verzorger, en een vertederend mens. Als door de chemo de zenuwen in haar vingers beginnen af te sterven, wanhoopt ze: ‘Your Oncology Journey geeft als oplossing voor neuropathie, zoals deze aandoening heet, dat ik iemand anders moet vragen mijn bloes dicht te knopen, maar vermeldt niet wie.’

Boyer is niet de vechter in haar persoonlijke borstkankerverhaal. Ze is een lichaam dat in 21ste-eeuws Amerika behandeld werd tegen een agressieve vorm van de ziekte, daar van alles bij voelde en dacht, en dat alles verweefde tot een kritisch, ontregelend, hartroerend, ja, weergaloos stuk literatuur. Een boek dat je inwrijft hoe de ene tumor de andere niet is, en dat wie niet ‘vecht’ tegen kanker niet schuldig is aan zijn dood.

Tegen het einde van Het ontsterven vertelt Boyer hoe ze de medische data van de al genoemde auteur Kathy Acker, die chemotherapie weigerde en zo volgens velen haar eigen lot bezegelde, invoert in de prognose-berekeningstool LifeMath (ja, het is de 21ste eeuw dus zoiets bestaat). De uitslag: Ackers kanker was met chemo waarschijnlijk niet te genezen geweest. Met een macaber spelletje bevrijdt Boyer haar gestorven collega van het eigen-schuldverhaal rond haar dood. Het is lang niet de enige bevrijdende uitwerking van Het ontsterven.