Wie denkt de zondaar dat-ie is?

Bij J.M. Coetzee’s verjaardag (70) staat Arnon Grunberg stil bij diens mening over bekentenisliteratuur.

In 1985 schreef de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz het gedicht Een bekentenis:

Here God, ik hield van aardbeienjam
En de donkere zoetheid van een vrouwenlichaam.
Maar ook van ijskoude wodka, haringen in olie,
Van geuren: kaneel en kruidnagelen.
Dus hoezo ik een profeet? Waarom zou een geest
Iemand als mij bezoeken? Zoveel anderen
Zijn terecht uitverkoren, geloofwaardig.
En wie zou mij geloven? Want men zag
Hoe ik me op het eten wierp, roemers leeg,
En gretig naar de hals van de serveerster kijk,
Gebrekkig en me daarvan bewust. Belust op grootsheid,
In staat haar waar ook te herkennen.
En toch niet helemaal helderziende,
Wist ik wat er overblijft voor minderen, als ik:
Een festijn van kortstondige hoop, een verzameling hovaardigen,
Een toernooi van gebochelden, de literatuur.1

Het gedicht kan worden gelezen als een opsomming van ironische maar ook weemoedige relativeringen. In de eerste plaats van de dichter zelf: hoe kan iemand die zich overgeeft aan aardse genietingen zoals haringen, wodka, vrouwenlichamen en aardbeienjam een profeet zijn? De dichter geeft weliswaar aan in staat te zijn grootsheid bij anderen te herkennen, maar dat maakt hem des te bewuster van zijn eigen gebrek aan helderziendheid, wat voor een dichter misschien hetzelfde is als gebrek aan grootsheid.
Ten slotte is het gedicht ook een relativering van de literatuur zelf. Die wordt door Milosz omschreven als een festijn van kortstondige hoop (zo zou het leven wellicht ook omschreven kunnen worden), een toernooi bevolkt door al te trotse en hoogmoedige deelnemers, die door deelname aan dat toernooi even kunnen vergeten wat ze werkelijk zijn: gebochelden.
Het gedicht heet niet alleen Een bekentenis, maar heeft ook de vorm van een bekentenis; de biecht wordt afgenomen door God, die meteen al in de eerste regel wordt aangesproken, waarna een serie van zonden of op zijn minst bedenkelijke liefdes en geneugten volgt.
Zoals J.M. Coetzee in zijn essay Confession and Double Thoughts2 aangeeft, is de confessie in de literatuur een problematische vorm3. Heeft de bekentenis niet zijn eigen agenda? Hoe weten we dat de zondaar - geen seculiere confessie zonder zonde - de waarheid spreekt? En met welk recht spreekt de schuldenaar eigenlijk tot ons?
De dichtersstem in Een bekentenis benoemt zichzelf eerst tot profeet om vervolgens die benoeming schijnbaar in twijfel te trekken. Wie anders zou hem ervan ‘beschuldigd’ hebben 'profeet’ te zijn? De retorische vraag 'waarom ik een profeet?’ getuigt eerder van welwillende bescheidenheid dan van waarachtige twijfel, om van zelfbeschuldiging nog maar te zwijgen.
'Het meesterschap van de grote schrijvers ligt in het gezag dat ze hebben’, schrijft Coetzee in Dagboek van een slecht jaar4 in het hoofdstuk Over gezag in fictie.
Maar het probleem van het gezag - voorzover het een probleem kan worden genoemd - houdt Coetzee ook bezig in verband met de bekentenis en de bekentenisliteratuur. In Confession and Double Thoughts schrijft Coetzee: 'Een kandidaat die niet aan zichzelf twijfelt terwijl hij alle reden heeft (…) is niet beter dan wie weigert te twijfelen omdat twijfel niet loont. Geen van beiden is een held, geen van beiden heeft het patent op de biecht.'5
In De gebroeders Karamazov stelt de groot-inquisiteur dat er drie krachten zijn om het 'geweten van die armzalige opstandelingen voor altijd te onderwerpen’: 'het wonder, het mysterie en de autoriteit’.
Weliswaar spreekt de groot-inquisiteur hier bij monde van Iwan tegen Jezus, of althans een soort messias die niet te onderscheiden is van Jezus, maar de kwestie waar de groot-inquisiteur op doelt - gezag bestaat bij de gratie van effectieve middelen om te onderwerpen - heeft veel gemeen met de opmerkingen van Coetzee in het hoofdstuk Over gezag in fictie: het gezag van de verlosser is in zijn aard niet wezenlijk anders dan het gezag van de schrijver.
Van autoriteit lijkt de dichtersstem in het gedicht van Milosz afstand te doen. Zijn autoriteit berust hooguit op het feit dat hij grootsheid kan herkennen, maar tegelijkertijd geeft hij aan dat het hem daaraan ontbreekt. Zijn gezag, als daar al sprake van is, zit in pijnlijke zelfkennis, die, in dit gedicht althans, niet zo gek veel lijkt te verschillen van de erkenning gefaald te hebben. Zijn gezag berust op de claim dat hij de waarheid spreekt, dat hij bekent.
De wonderen zijn haringen, vrouwenlichamen, wodka en aardbeienjam. Ze zijn niet alleen alledaags maar naar algemene maatstaven gemeten ook nog potentieel zondig. Titel en vorm van het gedicht ondersteunen die interpretatie: waarom iets opbiechten wat niet verboden is? In de opsomming die Milosz geeft, klinkt een besef van mateloosheid door, die een ware profeet kennelijk vreemd zou moeten zijn.
En het mysterie is een toernooi van gebochelden.
Het merkwaardigste woord in dit gedicht is 'profeet’. Waarom niet het simpele woord 'dichter’? In 1985 hoefde een dichter al lang geen ziener meer te zijn, laat staan een profeet.
Als Milosz toch de literatuur de maat aan het nemen is en de lezer wil waarschuwen voor de alledaagse zaken die hij in de aanbieding heeft: wodka, haringen, aardbeienjam en vrouwenlichamen - voor ware grootheid komt u te laat of misschien ook te vroeg - waarom dan zo'n archaïsch woord als profeet (in het Pools prorok) gebruiken? En niet schrijver (pisarz) of dichter (poeta)?
In het al eerder aangehaalde hoofdstuk Over gezag in fictie van Coetzee noteert de dagboekschrijver: 'Maar stel dat gezag alleen kan worden verkregen door het dichterlijke zelf voor een hogere kracht open te stellen, door op te houden jezelf te zijn en profetisch te gaan spreken?’
Wij spreken tegenwoordig als het om schrijvers gaat over vaardigheid, vakmanschap, talent eventueel, maar hier wordt de schrijver zonder aarzeling opgeroepen om profetisch te gaan spreken. Dat lijkt naar mysticisme te neigen, een neiging die de reguliere lezer van Coetzee allicht zal verbazen.
En enkele regels voordat hij deze uitspraak doet, noteert de dagboekschrijver dat Whitman en Tolstoj op oudere leeftijd werden omringd door volgelingen die meenden dat Whitman en Tolstoj wijzen waren, terwijl ze volgens de dagboekschrijver 'gewone mannen met gewone, feilbare meningen’ bleven.
Er staat dan ook: 'Met wijsheid hielden ze zich niet bezig.’
Misschien is dat een essentieel verschil tussen de dichter en de filosoof. De filosoof houdt zich bezig met wijsheid en kan die wijsheid ook verspreiden, als het moet in een gesprek, hoewel de verstandigste filosofen waarschijnlijk hun twijfels hebben over het erop nahouden van volgelingen. Als de dichter al wijsheid tot zijn beschikking heeft, is het omdat hij opgehouden is zichzelf te zijn en profetisch is gaan spreken. Zodra hij weer zichzelf is, dus niet schrijft, is hij een gewone man met feilbare meningen. Wellicht iemand die meer van aardbeienjam houdt dan goed voor hem is.
En in het hoofdstuk Over het schrijversleven uit het tweede deel van Dagboek van een slecht jaar noemt de dagboekschrijver, die wij waarschijnlijk gelijk kunnen stellen aan de publieke persoon Coetzee, aan de schrijver dus, inspiratie 'een vlucht van de ziel’.
Hij lijkt het eens te zijn met Gabriel García Márquez, die opmerkte dat inspiratie geen 'genade’ is noch een 'goddelijke inblazing'6. God heeft er dus weinig mee te maken, maar er zijn nog andere hogere krachten. Is een vlucht van de ziel niet een variant van 'ophouden jezelf te zijn’ en 'het dichterlijke zelf open te stellen voor een hogere kracht?’
In een gesprek met David Attwell, opgenomen in Doubling the Point, is Coetzee misschien nog explicieter: 'Maar wat het proces ook is dat plaatsvindt wanneer je schrijft, je moet er een beetje achting voor hebben. Het is zeer in je eigen belang, zelfs in je materiële belang, om die achting in stand te houden.'7
Om meteen ook onderscheid te maken tussen wat Coetzee schrijft en wat hij zegt, in bijvoorbeeld dit interview: 'Wat ik hier zeg hoort gewoon bij de rest van het dagelijks leven van een schrijver-academicus als ik. Hopelijk is wat ik zeg een beetje integer, maar ik zie geen reden om daar speciaal achting voor te hebben.'8
Een schrijver verkrijgt gezag, ook wel genoemd het autoriteitseffect, zo verklaart Coetzee9, door op te houden zichzelf te zijn, door profetisch te gaan spreken. Wat dat betreft kunnen de passages uit Dagboek uit een slecht jaar ook als oplossing van het raadsel in Milosz’ gedicht worden gezien. Dat de profeet van aardbeienjam, vrouwenlichamen en wodka hield, blijkt niet verwonderlijk, want als de dichter niet dichtende is, kan hij geen profeet zijn, dan is hij een feilbare man met feilbare meningen.
Dat op de kaft van Dagboek van een slecht jaar het woord 'roman’ prijkt, zou een indicatie kunnen zijn dat Coetzee vindt dat de meningen in dit boek niet zomaar afgedaan kunnen worden als feilbaar. Het dichterlijke zelf heeft geprobeerd zich open te stellen voor een hogere kracht.
Dagboek van een slecht jaar eindigt met een dagboeknotitie getiteld 'Over Dostojevski’. Coetzee schrijft daarin dat hij 'gisteravond’ het vijfde hoofdstuk van deel twee van De gebroeders Karamazov heeft gelezen 'waarin Ivan zijn toegangskaartje voor het door God geschapen universum teruggeeft’, en Coetzee voegt eraan toe dat hij 'onbedaarlijk moest snikken’. Ook dit is opmerkelijk voor de lezer die Coetzee’s werk kent. De persoon Coetzee die erin naar voren komt, zou gekenmerkt kunnen worden als iemand die een afkeer heeft van oprispingen van sentimentaliteit; er wordt weinig gehuild in zijn universum.
(In de Nederlandse vertaling van De gebroeders Karamazov10 gaat het om het hoofdstuk Opstand, het hoofdstuk dat voorafgaat aan het beroemde De Groot-Inquisiteur.)
Dat Coetzee zo onbedaarlijk moest snikken heeft, zegt hij, 'niets met ethiek of politiek te maken maar alles met retoriek’.
'Het is de stem van Ivan’, schrijft Coetzee, 'zoals tot leven gebracht door Dostojevski, en niet zijn redenering die me in vervoering brengt.’
Als de schrijver zijn dichterlijke zelf openstelt voor hogere krachten - en Coetzee vindt Dostojevski het hoogste wat de romankunst ons te bieden heeft ('de norm van meester Tolstoj aan de ene kant en van meester Dostojevski aan de andere'11) - dan spreekt er dus een stem die ons in vervoering brengt.
In mijn lezing is er geen wezenlijk onderscheid tussen wat Milosz in Een bekentenis beweert en de uitspraken over de profetische waarde van literatuur van Coetzee in Dagboek van een slecht jaar. Wat een deemoedige bekentenis lijkt bij Milosz is eerder een tamelijk opstandige beginselverklaring. Niet de zondaar spreekt, maar de rebel, een soort Job. Hij buigt zijn hoofd niet voor God, hij heft zijn vuist naar hem op. Hij benoemt zichzelf uit hoofde van zijn functie tot profeet, hoewel die profeet ook wel wat heeft van een gevallen engel. ('Belust op grootsheid,/ In staat haar waar ook te herkennen./ En toch niet helemaal helderziende.’)
Milosz suggereert, ja hij lijkt te beweren dat de geest hem heeft bezocht, en dat hij de literatuur kan omschrijven als een 'toernooi van gebochelden’ geeft al aan dat hij zich ervan distantieert, dat hij zich er misschien nog niet helemaal buiten plaatst, maar zich wel in de periferie bevindt vanwaar hij het geheel kan overzien.
In de lofzang op vrouwenlichamen, haring en aardbeienjam verschilt hij weer van Coetzee, vermoedelijk een kwestie van temperament. (Wat zou eigenlijk het verschil zijn tussen temperament en poëtica? Voorzover een schrijver überhaupt iets zinnigs kan zeggen over zijn eigen poëtica, voor zover het 'dichterlijke zelf voor een hogere kracht open te stellen’ beweringen over de eigen poëtica niet bij voorbaat dubieus maken.)
Hoe kunnen wij het bestaan van de stem aantonen die de lezer vervoert, behalve dan op basis van het feit dat hij Coetzee onbedaarlijk aan het snikken heeft gemaakt? En hoe kan de schrijver 'de geest’ die hem bezoekt, wegen?
Voor redeneringen hebben we de filosofen, op hun redeneringen kunnen we de logica loslaten, en verder een eeuwenoude filosofische traditie, met al het instrumentarium dat daarbij hoort. Maar hoe kunnen we stemmen meten? Ook de romankunst heeft zijn traditie, zeker, en er zijn instrumenten ontworpen om romans, 'stemmen’ dus, te wegen. Maar wij weten ook dat die instrumenten feilbaar zijn, dat de wegers vaak hun eigen agenda hebben of bijziend waren. Hoe weten wij zeker dat de stemmen die ons vervoeren niet afkomstig zijn van valse profeten?
Ik sluit niet uit dat de schijnbaar weemoedige relativering in het gedicht van Milosz ook een huiver in zich meedraagt voor de stem die zo kan vervoeren. Er zit iets van een aanstekelijke overmoed in het gedicht: kijk mij eens profeet zijn met aardbeienjam op mijn lippen en de smaak van de vrouw op mijn tong, maar er zit ook een grote terughoudendheid in voor de verantwoordelijkheid die een profeet nu eenmaal per definitie draagt. Alsof het juist de aardbeienjam en wodka zijn die de stem die soms via de dichter spreekt in bedwang moeten houden.
Wat er ook af te dingen is op de vervoeringen van wodka, aardbeien, haringen, de geur van kaneel en kruidnagelen, hun vervoeringen zijn niet vals. Om het onderscheid tussen goede en bedorven haring te maken hebben wij alleen onze tong nodig. En in de meeste gevallen zou het van pure kwaadaardigheid getuigen als iemand zou zeggen: 'Je tong bedriegt je, eet door.’
In zijn boek Alfabet is Milosz vol lof over Dostojevski, maar hij velt ook een hard oordeel: 'In een brief aan Fonvizina zei hij [Dostojevski] dat als hij tussen de waarheid en Christus moest kiezen, dan zou hij Christus kiezen. Waarschijnlijk zijn zij die de waarheid kiezen eerlijker, zelfs als deze waarheid Christus ogenschijnlijk loochent (dat stelde Simone Weil). Zij vertrouwen niet zonder meer op hun fantasie en maken geen idool naar hun evenbeeld.'12

Dit is een bewerking van de bijdrage van Arnon Grunberg aan J.M. Coetzee: Persoon en personage dat in maart bij Cossee verschijnt.

J.M. Coetzee, Zomertijd. € 22,90
J.M. Coetzee, Summertime. € 26,95
J.M. Coetzee, Diary of a Bad Year. € 9,95
J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar. € 22,90
J.M. Coetzee, Slow man. € 10,95
J.M. Coetzee, Langzame man. € 19,90
J.M. Coetzee, Elizabeth Costello. € 19,90
J.M. Coetzee, Elizabeth Costello. € 12,95
J.M. Coetzee, Jongensjaren. € 19,90
J.M. Coetzee, Youth. € 11,95
J.M. Coetzee, In ongenade / druk heruitgave. € 10
J.M. Coetzee, Disgrace. € 9,95
J.M. Coetzee, Portret van een jongeman. € 19,90
J.M. Coetzee, Master of petersburg. € 10,95
J.M. Coetzee, De meester van Petersburg. € 19,90
J.M. Coetzee, IJzeren tijd. € 19,90
J.M. Coetzee, Age of Iron. € 14,25
J.M. Coetzee, Wereld en wandel van Michael K. € 19,90
J.M. Coetzee, Life and Times of Michael K. € 11,95
J.M. Coetzee, In het hart van het land. € 19,90
J.M. Coetzee, Schemerlanden. € 19,90
Noten: