Nachoem Wijnberg

Wie doet de laatste jood?

In zijn roman ‘De joden’ speelt Nachoem M. Wijnberg het

antihistorische spelletje: wat als…?

De joden — bij zo’n titel denk je al gauw met een grap van doen te hebben, zeker als het boek uitdrukkelijk een roman heet te zijn terwijl je in feite een toneelstuk te lezen krijgt of zelfs een hoorspel met regieaanwijzingen. Het is maar hoe je het boek afficheert. De uitgever zegt van het verhaal — aannemend dat er een verhaal is — dat het ‘romantisch, grappig en spannend (is) als een antihistorische thriller’. Alleen het ‘antihistorische’ klopt enigszins.


Men kent het gedachte-experiment: stel dat Hitler de oorlog gewonnen had; of niet Stalin maar Trotski had Lenin opgevolgd… Wijnberg zet de poppe-tjes anders neer. Stalin wil achterhaald zien hoe de joden erin geslaagd zijn Hitler tot vrijwillig aftreden te dwingen. Heidegger heeft eind 1934 Hitler opgevolgd en Walter Benjamin tot vice-kanselier benoemd. Om te voorkomen dat Stalin hetzelfde lot ten deel valt, heeft Beria een onderzoekscommissie aan het werk gezet, bestaande, jawel, uit joden. Die commissie onderzoekt de geschiedenis van de joodse samenzwering en bereidt twee jonge joodse acteurs voor op een geheime missie naar Berlijn.


Daar speelt zich het tweede deel van het boek af. Wanneer laat zich raden: vijf jaar nadat hij aan de macht kwam, hield de staatsman-filosoof Heidegger voorgoed zijn mond; inmiddels doet hij er al tien jaar het zwijgen toe, en is ma Heidegger zijn spreekbuis. Officiële woordvoerder is Walter Benjamin, die zijn baas al eens heeft voorgesteld een zwijgendegeleidehond aan te schaffen.


Voor een spelletje ‘wat als’ is deze rolverwisseling natuurlijk te onwaarschijnlijk. Maar als het geen slapstick is, wat wil de roman De joden dan wel? Voor een groot deel bestaat het boek uit dialogen vol talmoedische haarkloverijen over wat joden wel of niet mogen of moeten; moeilijk te zeggen waarop dit een commentaar of misschien een pastiche is. Het boek moet het hebben van een idee, zelfs als gezelschapsspel al enigszins bedenkelijk; in deze roman levert het naar mijn smaak nogal flauwe scènes op en veel gezeur. Als ik ben blijven doorlezen is het omdat ik steeds nieuwsgieriger werd hoe Wijnberg zich eruit zou redden. En hij doet dat door de verknoping alleen maar verwarder te laten worden.


Zo komt in het derde deel, ergens tussen Berlijn en Jeruzalem, een trein aan. Aldus de regieaanwijzing. Er stappen oude joden uit, die zich overgeven en verkleed als oude godinnen toneel gaan spelen. Wie weet, misschien gaat De joden wel over theater? In Berlijn had Benjamin gezegd dat de joden tegen theater zijn, en de joden hadden gewonnen. Hier en nu zegt hij dat in de toekomstige wereld iedereen ieder toneelstuk mag spelen. Van de twee Russische spionnen heeft het meisje les van en een relatie met Meijerhold gehad; Stalin wilde als tekst voor de laatste grappige film de wet van de joden gebruiken. Benjamin heeft dan het laatste woord: ‘Als je een jood gedaan hebt heb je ze allemaal gedaan.’ Ik weet niet of ik dat leuk vind. Een eigenaardig boek is het zeker, maar meer kan ik er niet over zeggen.



Nachoem M. Wijnberg, De joden. Uitg. De Bezige Bij, 175 blz., ƒ34,90