Hoe het Stedelijk Museum een crisis kreeg aangesmeerd

Wie durft er nog van het Stedelijk te houden?

Roy Lichtenstein, As I Opened Fire, 1964 © Estate of Roy Lichtenstein, c/o Pictoright Amsterdam. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Na decennia van sleutelen aan de te varen koers en het vertrek van weer een directeur rijst de vraag wat er nu eigenlijk werkelijk mis is met ‘ons’ Stedelijk.

Brat! Bratatatata! Vonken spatten van de propellers, vlammen schieten uit de lopen van de geweren op de vleugel van het toestel. Op As I Opened Fire (1964) van Roy Lichtenstein verschijnt de actie in drie opeenvolgende scènes, als in een stripverhaal, en valt daar uiteen in beweging, geluid en verhaal. De kunstenaar blies de comic op tot een schilderij van klassiek formaat, een drieluik, in alle opzichten een revolutie. Het hing hetzelfde jaar nog in het Stedelijk Museum in een tentoonstelling van nieuwe kunst uit Amerika – ‘schokkend nieuws voor het Nederlandse publiek’, zei directeur Edy de Wilde – en werd na afloop aangekocht. De vrouw van de kunstenaar, Dorothy Herzka, vertelde jaren later aan de krant: ‘Ik vroeg of het Stedelijk een Willem de Kooning had, wat niet zo was. Oh my, dacht ik, ze hebben hier eerder een Lichtenstein dan een De Kooning. Ik was onder de indruk.’ In 1967 organiseerde het museum de eerste museale tentoonstelling van de kunstenaar in Europa.

Een jonge Thomas Borgmann stond tijdens een van zijn eerste bezoeken aan Amsterdam in diezelfde jaren voor de Lichtenstein, als aan de grond genageld. ‘Het was zo een sensatie in die tijd. Een Europees museum had niet alleen een schilderij van Lichtenstein aangekocht, ze waren in het bezit van een triptiek. Het was als het staren naar een wonder.’ Dat hij daar niet voor naar Amerika hoefde. Dit museum was voor hem met geen ander instituut te vergelijken.

Tegelijk met Lichtenstein in Amsterdam voltrok zich in de woonplaats van Borgmann, Keulen, een andere revolutie in de geschiedenis van de kunst: de eerste kunstbeurs ter wereld opende er, het huidige Art Cologne. Georganiseerd voor en door galeriehouders onder wie Rudolf Zwirner, door Borgmann omschreven als ‘een zeer intelligente, agressieve, egocentrische dealer met een goed gevoel voor de markt’. Hij had voor Zwirner gewerkt en trad zelf aan als secretaris van die eerste kunstbeurs. De kunstwereld kwam in deze jaren definitief van de grond.

Precies een halve eeuw later staan Thomas Borgmann en het Stedelijk Museum opnieuw tegenover elkaar. De rollen zijn omgedraaid: Borgmann doneert 217 verrassende kunstwerken aan het museum en geeft een aantal andere in langdurige bruikleen. Over de man achter de collectie is niet meer bekend dan uit een interview in de begeleidende catalogus opgemaakt kan worden. Hij bezingt er de romantiek van de markt. Vertelt hoe hij, een jongen die al een half jaar geen kapper had gezien, een Warhol doorverkocht en zomaar tweeduizend dollar in zijn zak stak (hij verkocht het werk aan Zwirner, en toen kwam het in Museum Ludwig terecht). Hoe hij in een jaar tijd handelaar werd in New York, in 1969 zijn eigen Thomas Borgmann Gallery in Keulen kon openen, en toen heel groot werd.

Terwijl de verzamelaar door slim te handelen, in een tijd waarin de kunst, voor wie er oog voor had, voor het oprapen lag, steeds belangrijkere, grotere en duurdere kunstwerken kon aankopen, nam de slagvaardigheid van het museum in rijks- of gemeentedienst met het jaar af. Speculeren met een collectie die tot stand kwam met publiek geld is uitgesloten, stijgende prijzen plaatsten de kunst op een grotere afstand, de wereld werd groter en de concurrentie nam toe. Lette je niet op, dan waren de kansen op een kunstwerk steeds sneller verkeken.

De kunst die Borgmann op de markt vergaarde wordt dit jaar in het gat gekieperd dat vanaf de jaren negentig in de collectie van het museum ontstond. Het museum blijkt anderhalf miljoen euro voor twee kunstenaars te moeten bijleggen om de randjes van dat gat mee aan te smeren, een transactie die het verzuimde op te nemen in het jaarverslag (het Stedelijk gaf als boekhoudtechnische verklaring dat het eigendom van de werken pas na drie jaar naar het museum overgaat). Het was een van de aantijgingen die werd onthuld door NRC Handelsblad en die leidde tot het stante pede vertrek van directeur Beatrix Ruf. De andere waren belangenverstrengeling en verzwegen nevenactiviteiten met inkomsten stromend naar een besloten vennootschap die zouden botsen met de Wet normering topinkomens. Ruf gaat de boeken in als de directeur met een missie (Alexander Ribbink, voorzitter van de raad van toezicht bij haar aanstelling per 1 november 2014: ‘Zij beschikt over het unieke vermogen om kunstenaars, verzamelaars, “de markt” en de publieke sector met elkaar te verbinden’) die erin slaagde een belangrijke verzameling binnenshuis te halen (Borgmann: ‘Met de schenking wil ik mijn hechte band met het Stedelijk Museum en Beatrix Ruf onderstrepen’). En toen was ze weg.

Borgmann sloot in 1985 zijn galerie en stortte zich op zijn eigen verzameling. Hij was naar eigen zeggen de eerste in Duitsland om Jeff Koons en Cindy Sherman aan te kopen. Toen hij er in de jaren negentig op uitgekeken raakte deed hij ze van de hand. ‘Ik heb nooit gedacht aan het maken van winst of dat iets een goede koop was en dat ik er nog een moest hebben nu het nog goedkoop was, omdat het in waarde zou kunnen stijgen. (…) Ik bouw dingen op zodat ik weer van gedachten kan veranderen.’ Dat klinkt niet kwaad, maar onder de streep is dit de praktijk die we vieren met een private collectie in een museum dat opnieuw op een dood spoor zit. Borgmann is de man met het gelijk aan zijn zijde: geprezen door de kunstenaars die hij verzamelde, geroemd om zijn smaak door het instituut waaraan hij gul kan schenken, het groeiende geld van de markt die dit alles mogelijk maakte in zijn zak.

De collectie is inmiddels gepresenteerd onder de olijke titel Jump into the Future. Dertig zalen zijn ingericht met werk van kunstenaars van statuur voornamelijk uit de jaren negentig en 2000. Ze overweldigen in hun tijdsbeeld en markeren tegelijk een dramatische periode. Die begon in die tijd: de Amsterdamse Kunstraad signaleerde in 1996 dat het museum een statische indruk maakte. Voor het Kunstenplan 2001-2004 oordeelde de raad dat het toonaangevende karakter in het geding was. Het onderkomen, in zo’n staat dat de brandweer zich ermee ging bemoeien, werd symbool voor de noodzaak van een omslag in alle gelederen.

In 2003, vlak na het vertrek van directeuren Rudi Fuchs en Stevijn van Heusden, werd een Advies Commissie Toekomst Stedelijk Museum ingesteld. Voorzitter Martijn Sanders, op dat moment directeur van het Concertgebouw, legde samen met Victor Halberstadt, hoogleraar openbare financiën en kroonlid van de ser, en John Leighton, directeur van het Van Gogh Museum, een advies voor aan het college van b. en w. Er was toen al veertien jaar overleg gaande over een nieuwbouw voor het Stedelijk en de commissieleden gingen er voorafgaand aan hun advies met gestrekt been in: ‘De laatste halve eeuw was dit museum (“het Stedelijk”) een internationaal toonaangevende broedplaats voor kunst en maatschappij, voor kunstenaar en publiek. In 2003 heeft het museum als tevoren een eersteklas maar kwijnende collectie, maar wordt het helaas ook gekenmerkt door een ernstig verwaarloosd gebouw, een aangetaste reputatie en een gedemotiveerde staf.’ Het Stedelijk moest gereanimeerd worden, stelde het rapport, dat als titel Terug naar de Top kreeg.

Vier buitenlandse museumdirecteuren gaven hun visie op de situatie van de kunst in het hele land in de Volkskrant (‘Kunst in Nederland is aansluiting kwijt’, 26 augustus 2004). Het subsidiesysteem bracht volgens hen het gevaar met zich mee dat de politiek de artistieke agenda zou bepalen. Het woord ‘staatskunst’ werd in de mond genomen. Bart De Baere, toen al directeur van het MuhkA in Antwerpen, zei: ‘Nederland had altijd een eigen verhaal. Dat mis ik nu. Kijk naar het Stedelijk Museum. Die proberen nu Tate Modern’tje te spelen. Maar als je het verhaal van een ander overneemt, dan ben je provinciaals.’ En Kasper König, directeur van het Ludwig Museum in Keulen: ‘Nederland ligt te pruttelen in zijn eigen jus.’

Met Terug naar de Top werd voor het Stedelijk Museum Amsterdam een nieuwe weg ingeslagen. Wat het rapport boeiend maakt om in de huidige crisis te lezen is dat het er alle ingrediënten reeds voor bevat. De ambitie van het toekomstige Stedelijk wordt er zorgvuldig afgewogen, op nationaal, internationaal en wereldtopniveau. Het museum wordt internationaal ingeschaald: nationaal betekent ‘afscheid nemen van het Stedelijk Museum zoals wij dat kennen’, de wereldtop is wat betreft omvang van de collectie, fondsenwerving en aantrekkingskracht van de stad niet realistisch. Tate Modern, MoMA en Centre Pompidou spelen in een andere league. Maar een internationale ambitie, gebaseerd op de potentie van de collectie en de historische reputatie, is passend, vinden ook geraadpleegde museumdirecteuren en deskundigen die aangeven dat het wel ‘nu of nooit’ is.

Small 4 original
Cosima von Bonin, UNTITLED (THE YELLOW DONKEY WITH BOX), 2004. Mixed media, 148,5 x 81,6 x 142 cm. Schenking Thomas Borgmann, Berlijn © Simon Vogel. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Het Stedelijk Museum is in 2003 nog een gemeentelijke dienst met een directie die verantwoording schuldig is aan de wethouder van Cultuur. Er is een principebesluit van b. en w. om extern te gaan verzelfstandigen per 1 januari 2005. In het jaarverslag communiceert het museum het zo dat de gemeente dan een dominante partij blijft, met gebouw en collectie in eigendom en de belangrijkste verstrekker van subsidie, maar dat het museum ‘minder gebonden aan bureaucratische regels’ is en ‘meer vrijheid bij het verwerven van geld van het bedrijfsleven en het rijk’ krijgt. Dat was een goede zaak, ook volgens de commissie-Sanders, en een die via een versnelde procedure in gang gezet moest worden. Als reden om te verzelfstandigen wordt onder meer aangevoerd dat politieke eindverantwoordelijkheid moeilijk is te combineren met een ‘museaal verantwoorde beleidsontwikkeling en bedrijfsvoering’, en ook het inrichten van een meerjarige begrotingscyclus, het stimuleren van cultureel ondernemerschap en het aantrekken van extern geld en het aangaan van samenwerking met private partners worden als voordelen genoemd. De commissie tekent aan dat de gemeente als partner onmisbaar is en acht zonder haar commitment het aantrekken van externe financiering ‘zeer onwaarschijnlijk’. En: ‘Vóór derden medefinanciering overwegen, moet de beeldvorming van/rondom het Stedelijk Museum drastisch verbeteren.’

Een tweehoofdige directie zou in de nieuwe situatie worden aangesteld, een directeur met de artistieke portefeuille en een zakelijk directeur, naast een raad van toezicht op afstand waarin b. en w. niet vertegenwoordigd zijn, alleen tijdens de overgangsfase. De artistieke visie is leidend. Uit de conclusies van het rapport: het ‘Stedelijk Museum van de toekomst toont de unieke collectie en maakt signalerende avant-gardetentoonstellingen’, het ontvangt zeshonderdduizend bezoekers of meer per jaar. De commissie sluit af met: ‘Bij een lagere ambitie dan voorgesteld of te veel oponthoud raakt het Stedelijk Museum voorgoed zijn positie en reputatie kwijt en komt Amsterdam als cultuurstad onder druk te staan.’ Een aantal kunstenaars klimt ter illustratie van Terug naar de Top met een ladder de lege nissen van het gebouw in – ze worden er door de brandweer uitgehaald.

In oktober 2003 wordt Rijkman Groenink, bestuursvoorzitter van ABN Amro, benoemd tot voorzitter van de raad van toezicht. Alvaro Sizá, de architect met wie dan jarenlang aan een ontwerp voor de nieuwbouw gewerkt is, wordt afgezegd, er komt een wedstrijd voor een ontwerp dat past bij de nieuwe internationale ambitie. In juli 2004 zijn de benodigde extra miljoenen van sponsors bij elkaar. Wethouder van Cultuur Hannah Belliot: ‘Na veertien jaar kunnen we gaan werken aan de wedergeboorte van het Stedelijk.’

Bij geen enkel ander museum in Nederland heerst zo sterk het gevoel dat iedereen er iets over te zeggen heeft

Er komt een nieuwe directeur, Gijs van Tuyl (‘Ik doe alles om het Stedelijk weer op de kaart te krijgen’) en er wordt definitief gekozen voor Benthem Crouwel Architekten met een ontwerp dat zich kenmerkt door ‘eenheid in tweevoud’. Per 1 januari 2006 gaat het Stedelijk over naar de Stichting Stedelijk Museum Amsterdam. Er komt een bestuur met aan het hoofd de directeur en een raad van toezicht. En een nieuw beleidsplan: Naar een Nieuwe Top (2006-2008).

In de jaarverslagen groeit de lijst met sponsoren en donateurs sindsdien gestaag. Onder Van Tuyl haakt Audi alsnog aan als sponsor, na de mislukte deal onder Fuchs jaren eerder toen die door de gemeente werd teruggefloten. De nieuw opgerichte Stichting Fondsenwerving Stedelijk Museum kan nog meer Founders toevoegen aan de reeds aangesloten VandenEnde Foundation, ABN Amro en het ministerie van oc&w, waaronder Delta Lloyd Group, Schiphol Group en tnt. Het museum wordt gedragen door optimisme, Cor van Zadelhoff, co-voorzitter van de Stichting, zegt: ‘Iedereen vindt dat het Stedelijk Museum zijn plaats in de wereldtop weer moet kunnen opeisen.’

In september 2012 heropent het Stedelijk Museum aan het Museumplein, live uitgezonden op televisie. ‘Met deze heropening, waar lang naar is uitgekeken, neemt het Stedelijk Museum Amsterdam opnieuw krachtig positie te midden van grote en vooraanstaande kunstinstituten. Het zet Amsterdam op de kaart als een centrum van artistieke vernieuwing en het brengt nieuw leven op het Museumplein – een van de belangrijkste cultuurlandschappen in de wereld’, spreekt directeur Ann Goldstein. Op 1 januari 2013 komt er een zakelijk directeur bij, Karin van Gilst.

Hoeveel nieuwe toppen leiden naar de wereldtop? De verwachtingen waren hooggespannen, het voortdurend uitgesproken vertrouwen van het museum in eigen kunnen werd een verstikkende mantra. Het Stedelijk moest niet veroveren, maar ‘heroveren’. Niet winnen maar ‘herwinnen’. Er moest een ‘nieuwe liefde’ voor ontstaan en het moest ‘nieuw leven’ brengen. Er was positie bepaald voor de toekomst maar het oude Stedelijk bleef het balorige broertje waar met vertedering naar werd omgekeken: hoe hij daar op een oude foto staat en met het zand nog onder zijn nagels brutaal de lens in kijkt. Zo’n klein ventje, een provinciaal, dat de wereld van zich zou doen horen. En er toen zo bruut door werd opgeslokt.

Want alles om hem heen was veranderd. De markt gegroeid, geglobaliseerd en geëxplodeerd. De kunst getransformeerd wat betreft vorm, medium, omvang, kleur, aard en afkomst en niet langer vanzelfsprekend in een depot te bewaren. Het museum zelf dat een facelift onderging en een dure handtas aanschafte in de vorm van een futuristisch gebouw met navenante kosten voor exploitatie.

En ook de verhoudingen onderling veranderden drastisch. Een deel van de kunst die vanuit het Stedelijk de wereld veroverde kwam tot stand in het stadje Amsterdam, om de hoek van een museum dat de deuren er maar voor hoefde te openen. Marina Abramovic woonde er, ze kon er een pakhuis bemachtigen voor een prikkie. Het museum toonde lef en kon zich dat veroorloven. Maar de rebelse kunst die een stedelijk museum ook zijn internationale aanzien gaf, stak vaak ook de draak met het museale instituut. Denk aan Marinus Boezem die de ramen open zette en beddengoed langs de gevel liet hangen om eens een frisse wind door de zalen te laten waaien. Die ramen kunnen waarschijnlijk niet eens meer open.

Wat niet wil zeggen dat de ingeslagen weg geen kans van slagen had. Het bezoekersaantal is met de nieuwbouw verdubbeld (328.631 in 2002 tegenover 656.649 in 2016). ‘Het gaat goed met het Stedelijk, in alle opzichten’, stelt een persbericht van het museum in een opsomming van behaalde resultaten in 2016.Maar nu er íets mislukte, doet men plots of álles nu is mislukt. Directeur Ruf is in de berichtgeving geïsoleerd als was zij een uitwas van een besmettelijk virus, en wordt zij door haar eigen museum in die isolatie gelaten. Een menigte stuurlui staat klaar aan de wal: alles wordt in twijfel getrokken: het artistieke beleid, het bestuur, de verzelfstandiging moet misschien opnieuw bekeken worden. Bij geen enkel ander gesubsidieerd museum in het land worden de uitgegeven belastingcenten zo sterk gevoeld, bij geen enkel ander museum heerst zo sterk het gevoel dat iedereen er iets over te zeggen heeft.

Twee onderzoeken moeten uitwijzen wat er precies gepasseerd is tussen bestuur en raad van toezicht, en de gemeente heeft een derde onderzoek aan de Amsterdamse Kunstraad gevraagd over de toekomst van het museum. Die raad organiseerde prompt een bijeenkomst met kunstenaars en deskundigen om daarover te praten. ‘Welke ideeën leven er over de perspectieven van het Stedelijk Museum? Zou het Stedelijk vooral een bruisende plek in de stad moeten zijn of juist dat museum dat zich aan de internationale top kan meten?’ Dat is dezelfde raad die een jaar geleden nog jubelend over het museum oordeelde. In hun advies aan de gemeente ‘Zo mooi anders’ wordt de programmering onder Ruf geprezen onder meer om eigenzinnigheid en moed en om de ruimte die geboden wordt aan experiment. ‘Wat de kunstraad betreft hoeft het museum zich niet bescheiden op te stellen ten opzichte van internationale collega-instellingen. Hoewel het Stedelijk zich niet kan meten aan de budgetten en bezoekersaantallen van Tate Modern en Museum of Modern Art laten de collectie en het beoogde expositie-aanbod zich wel goed vergelijken met het niveau van deze instellingen.’

Small 10 original
Jack Goldstein, The Jump, 1978. 16mm-film, kleur, zonder geluid, 13 min. Schenking Thomas Borgmann, Berlijn © The Estate of Jack Goldstein. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Maar na de reeks beschuldigingen in de media aan het adres van Ruf durft niemand zich nog aan de gevierde eigenzinnigheid te committeren. In de Volkskrant wordt interim-directeur Jan Willem Sieburgh geciteerd in een toelichting aan de gemeenteraad omtrent het duurder uitvallen van de nieuwe collectiepresentatie. Het museum schat de inkomsten voor 2018 lager in ‘omdat sponsoren en donateurs terughoudender blijken te zijn door de recente gebeurtenissen en de lopende onderzoeken’.

Het effect is dramatisch en de paniek ongegrond, symptoom van een nationaal gedragen Stedelijk-complex. Want laten we de vraag stellen wat de situatie zou zijn als de afspraken tussen bestuur en raad van toezicht helder waren geweest en ze zich allen daaraan hadden gehouden. Dan lag het museum op koers, naar de top of in elk geval vooruit. De gemeentelijke subsidie voor de komende jaren is veiliggesteld in het Kunstenplan 2017-2020. De bezoekers kwamen in groten getale, na een piek na de heropening de laatste jaren iets minder, maar alsnog meer dan begroot. Ze lossen de voorspelling van de commissie-Sanders ruimschoots in. De bezoekers geven hun bezoek in 2016 als cijfer gemiddeld een 8. En uit het zojuist verschenen cbs-rapport Musea in Nederland blijkt dat museumbezoek in het algemeen opnieuw is toegenomen en stijgt in stappen van miljoenen. Een groot deel daarvan is toe te schrijven aan toeristen, maar ook de Nederlander ging acht procent vaker naar het museum dan in het jaar ervoor. Het maakt het vertrek van een directeur met visie des te pijnlijker.

De kunst, spil in het spel tussen markt en collectie, is ondertussen aangemerkt als hoofdverdachte. Sommigen trekken resoluut de handen van haar af, kruipen weg als parasieten bij een dood dier. Jordan Wolfson, Ed Atkins, Jon Rafman, Mohammed Bourouissa, Magali Reus, Avery Singer, Saskia Noor van Imhoff, Zanele Muholi: het museum zit boven op de tijd maar de kunst van Ruf deugt volgens opiniemakers in de kranten en sommige kunstkenners toch niet. Voor de een is het te geëngageerd, voor de ander te in zichzelf gekeerd. Het virus Ruf is zelfs overgeslagen op kunstenaars in andere landen die niets met haar noch met het museum te maken hadden. In de NRC wordt Camille Henrot in het Palais de Tokyo, een kunstenaar die al jaren aan een consistent oeuvre bouwt, besproken als kind van de markt en verbonden aan de affaire-Ruf-in-het-Stedelijk (Camille Henrot en de macht van het grote geld, 30 november).

Wie durft er nog van de kunst te houden? En wie van het Stedelijk? Deze week opent het Stedelijk Museum de nieuwe collectiepresentatie, de laatste touch van Ruf, die de stukken verplaatst naar de nieuwbouw. Naar een ruimte die onder de vorige directeur nog gepresenteerd werd als uitermate geschikt voor de nieuwste nieuwe-mediakunst. Maar die in de praktijk veel te duur is gebleken. In de nieuwe collectiegids die bij ‘Stedelijk Base’ verschijnt passeren de namen van illustere directeuren, het beleid van Willem Sandberg, Edy de Wilde, Wim Beeren en Rudi Fuchs. Zij trokken de trein van het grote Stedelijk. Het hoofdstuk ‘1895 tot nu: Een korte geschiedenis van het Stedelijk Museum’ eindigt bij de heropening in 2012. Geen Ann Goldstein, geen Ruf: in de gids komen hun namen niet voor. Het voorwoord werd geschreven door een anonieme hand, zonder een spoor van visie of beleid die naar dit moment toe leidde – de identiteitscrisis is een feit.

Van Ruf vernamen we in Nederland nog een keer, vanuit The New York Times waarin ze vertelde naar eer en geweten te hebben gehandeld. Ze stelde dat haar nevenactiviteiten werden goedgekeurd door de raad van toezicht, de enige speler in het verhaal die tot dusver nagenoeg uit de wind bleef. Er gaan stemmen op die zeggen dat het gebeurde een directe consequentie is van de gekozen bestuursvorm. Dat belangenverstrengeling op de loer ligt, niet alleen met een directeur met nevenfuncties, of met een raad van toezicht met vermogende verzamelaars, maar ook in de relatie tussen instituut en overheid. Het museum voert een tweesporenbeleid door te varen op publiek en particulier geld en de overheid eist de verantwoordelijkheid op voor het publieke deel. Dat dat publieke deel nooit meer helemaal los zal staan van het private is een realiteit waar alle partijen mee moeten leren werken: het grote geld in de kunst is here to stay. Een ‘insider’ verklaarde in de Süddeutsche Zeitung dat Nederlanders duidelijk nog niet veel ervaring hebben met een cultuurmanager die zich op dat internationale niveau ‘tussen het publieke en private terrein’ begeeft (Die Autonomen, 20 oktober). De matrix tussen kunst en markt en publiek en inkomsten staat in de publieke opinie na de crisis in het Stedelijk Museum volledig uit het lood.

Kunst kopen betekende voor Thomas Borgmann vrijheid, vertelde hij in het interview. Of die vrijheid van handelen voor het Stedelijk Museum kan worden hernomen hangt af van de volgende stap. Opnieuw de koers van het museum tegen het licht houden is vast een slecht begin. Decennialang is er gesproken over het Stedelijk van de toekomst, jaren werd eraan gebouwd. Alles is gereed voor dat internationale museum met een stedelijk karakter waar wereldkunst te zien is. Het valt of staat met opnieuw een directeur met visie. Niet voor een museum net als vroeger, niet met verwachtingen voor later, maar gewoon eens voor nu. Zulke directeuren zijn een schaars goed.


Jump into the Future – Art from the 90’s and 2000’s is t/m 4 maart in het Stedelijk Museum te zien. De Collectie – Stedelijk Base opent op 16 december. As I Opened Fire van Roy Lichtenstein hangt momenteel op zaal; stedelijk.nl