Wie duurt het langst?

Zou Ligeti bekend zijn geweest met het werk van Tinguely en met de klokken van Rauschenberg? Zelf nam hij ook een ding, de metronoom, om de vaste eigenschappen ervan stop te zetten.

Medium hh 18100863
Raadhuis Hilversum, 1963. De wereldpremière van Poème symphonique voor 100 metronomen © R. Frings / Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid / HH

Is het werk van Ligeti een interview met de tijd, vermomd als metronoom?

Het meisje dat in de stad wil zien hoe laat het is moet zich op eigen kracht zien te redden. Klokken aan lantaarnpalen en andere masten zie je nauwelijks meer. Soms is een voorwerp ineens ouderwets, zonder dat iemand eraan denkt. Het gebeurt gewoon, en masse verdwenen en toch valt je dat pas veel later op.

In het begin van de jaren zestig werden ze ineens wakker, de dingen, zag je ze overal op tentoonstellingen als Dylaby (Amsterdam, 1962) en Nieuwe Realisten (Den Haag, 1964), elkaar achterna zittende ballonnen of tientallen geraniums, bewegend in het rond.

De bioloog Dick Hillenius, die eerst componist wilde worden, heeft in die jaren vaak geschreven over wat er vooral in Amsterdam gistte in de muziek en de beeldende kunst. Nooit was iets hem gek genoeg, altijd zocht hij het nieuwste.

In het kantelende houten labyrint van Per Olof Ultvedt op Dylaby ziet Hillenius hoe een onopvallend theekastje plotseling een poot beweegt, een onbekend wasmeubel vouwt zich dubbel, een pilaar gaat zwaaien.

Als je hem leest, ontdek je in de doorbraak der dingen allerlei verwantschappen. Hij heeft het in Oefeningen voor een derde oog (1965) over een radio van Tinguely met ritmisch vervormde geluiden, gehoord op Dylaby. Bladzijden verder hoort hij op een heel andere plek de storende radio van de componist György Ligeti.

Heeft Ligeti het werk van Tinguely en misschien ook de klokken van Rauschenberg gekend?

De bijdrage van Rauschenberg aan Dylaby bestaat uit razendsnel draaiende klokken, alsof ze niet meer weten welk tijdstip ze moeten aangeven, op drift geraakte uren. Het zijn de klokken die het meisje als horloge gebruikt in de stad, dezelfde ambtelijke uurwerken, geen cijfers, alleen streepjes, ‘alle klokken lopen nu dank zij de bovenmenselijke inspanning van de electriciens’, schrijft Ad Petersen op 29 augustus in de catalogus van het Stedelijk Museum.

Poème symphonique (1962) van Ligeti is een werk voor honderd metronomen. Het duurt 8.14 minuten en ook hier, als bij Rauschenbergs stadsklok, wordt het een aanval op de enigszins brave openbaringen van de tijd. Ze gaan te snel of te langzaam, soms hebben ze misschien het juiste ritme, samen gaan ze ten onder in een pap van secondes.

Hoe meer uitvoeringen je ziet, je wordt steeds dieper in de tijd gedompeld

Op internet vind je een groot aantal uitvoeringen van het stuk. Je voelt dat elke dirigent het ensemble zo streng mogelijk wil regisseren. Bij de keuze van een ding worden de vaste eigenschappen stopgezet, als dat tenminste lukt. Er blijft altijd iets hangen. Wat is dat bij deze nu wat ouderwets ogende metronoom, het spinet onder de tijdmeters?

In een klassieke zwart-witvoorstelling van Poème symphonique zitten de metronomen in rijen achter elkaar op een stoel. Het lijkt op een bijeenkomst van nonnen waar het bidden in zwaaien met de armen is overgegaan, maar wel tegengesteld. Hier heeft de tijd niets te zeggen.

Al snel vallen in die 8.14 minuten verschillende metronomen stil, in close-ups en totalen. Je voelt waar het op uitloopt, de eenzaamheid van de laatste metronoom, hakend naar nog net niet verdwenen seconden. Als het geluid echt weg is, zweeft de metronoom toch nog even door.

In een kleurenfilm staat een groot aantal mensen, veel jongeren, bij een lange tafel, een altaar, waar de tijd wordt aangemaakt. Zo gebeurt het, je ziet dat de metronoom met een tik in beweging wordt gebracht om het voorlopig niet op te geven.

Hier zijn het geen nonnen, maar Jezusbeeldjes, net iets dichter bij de oorsprong van de tijd. Ik moet ook aan een kansspel denken, zo aandachtig kijken de wakers naar hun persoonlijke metronoom. Wie valt het laatst uit, je vraagt het nog eens, wie duurt het langst?

Hoe meer uitvoeringen je ziet, je wordt steeds dieper in de tijd gedompeld.

De laatste voorstelling, die ik op internet vind, bestaat opnieuw uit honderd figuren. In de vorm wijken ze iets van de metronoom af. De abstractie neemt toe. Het zou ook iets anders kunnen zijn, dat binnenkort moet verdwijnen. Het mag maar tijdelijk aan iets overkoepelends deelnemen.

Wat honderdvoudig aanwezig is, verdwijnt in plukken. Er vallen gaten in de voorstelling, waar net nog iets heeft gestaan. Is het er nog, nee, het is al weg. Dit is geen algemeen spel meer, nee, elke metronoom heeft een aparte laatste seconde gekregen.

Zo wordt het een verbeelding van wat overal om je heen afzonderlijk gebeurt. Geen uitgesmeerde tijd om zo veel mogelijk te kunnen bevatten. Lik van een kat, uitstuiteren van een pingpongballetje, geur van een theedoek; bij Ligeti is elk ogenblik verbonden met een hoogstpersoonlijke seconde.


Op zaterdag 7 april om 17.00 uur wordt Poème symphonique voor 100 metronomen uitgevoerd in de entreehal van het Muziekgebouw (gratis)