‘wie een jood heeft gezien, heeft de duivel gezien’ interview met maarten luther

Dit is een fragment uit Dieter Fortes toneelstuk Martin Luther - Thomas Munzer, of de uitvinding van de dubbele boekhouding. Het geschrevene is grotendeels op historische teksten gebaseerd. De vertaling van het drama is van Dolf Verspoor.
Luther: ‘Hier heb je je stal en je vee, zei de duivel, en joeg zijn moeder een vlieg in haar gat.’
Eerste journalist: ‘Professor, waarom valt u zo uit in uw publikaties?’

Luther: ‘Wie in onze tijd kalme essays schrijft wordt vergeten, en geen mens stoort zich aan hem.’
Eerste journalist: 'Professor, hoe weet u dat u uitverkoren bent?’
Luther: 'Ik ben ervan overtuigd dat mijn woord niet mijn, maar Christus’ woord is. Dus moet mijn mond ook van hem zijn wiens woord eruit komt.’
Tweede journalist: 'Dat is uw opvatting.’
Luther: 'Niemand, zelfs geen engel van de hemel, zal ik de eer aandoen over mijn leer te oordelen. Wie mijn leer niet aanneemt, wordt niet zalig.’
Tweede journalist: 'Bent u daar zeker van, professor?’
Luther: 'In Worms heb ik voor keizer en rijk gestaan en niet geaarzeld. Ik ben de Duitse profeet. Heel Duitsland volgt mij, alleen al op mijn woord.’
Eerste journalist: 'Hoe denkt u over de vorsten?’
Luther: 'Onze God is een grote Heer, en dus moet hij ook hooggeboren, edele en rijke schouts en beulen hebben. Hij wenst dat zij volop rijkdom hebben, en door een ieder geeerd worden en gevreesd. Het behaagt zijn goddelijke wil dat wij zijn beulen betitelen als genadige heren, dat we voor ze knielen en in volle deemoed onderdanig zijn.’
Eerste journalist: 'En uw vorst?’
Luther: 'Ik heb het goed met hem getroffen.’
Tweede journalist: 'Met u zelf hebt u het ook goed getroffen?’
Luther: 'In geen duizend jaar heeft God een bisschop zo grote gaven verleend als aan mij.’
Tweede journalist: 'Er zijn mensen die beweren dat u liegt.’
Luther: 'Als een trouw hart iets veinst, dan is dat geen liegen.’
Eerste journalist: 'Professor, overal is er sprake van dat leken mee willen discussieren.’
Luther: 'Daar komt niets van in. Het blijft bij de geijkte functies en priesters. Het gaat het volk niets aan of ze niet goed onderwijs geven. Het zou me wat moois worden als iedereen je in de rede viel. De gemeente heeft maar te luisteren.’
Tweede journalist: 'Professor, wat vindt u van Erasmus?’
Luther: 'Erasmus is de grootste vijand van Christus, zoals er in duizend jaar geen een geweest is. In al zijn boeken heeft hij geen aandacht voor het Kruis, maar alleen voor een goedkope vrede.’
Eerste journalist: 'En van Copernicus?’
Luther: 'Die idioot wil de hele astronomie omkeren. Maar zo gaat het vandaag de dag: wie wil opvallen, moet met nieuwlichterij aankomen.’
Tweede journalist: 'Professor, wat vindt u van de mohammedanen?’
Luther: 'Een schandelijk, leugenachtig en gruwelijk geloof. Ik ben ontsteld dat mensen zich door de duivel laten ompraten tot het aanvaarden van zulke schandelijke dingen.’
Eerste journalist: 'Professor, wat vindt u van doctor Munzer?’
Luther: 'Wie Munzer heeft gezien, heeft de duivel gezien.’
Tweede journalist: 'In Allstedt heeft hij de Duitse mis ingevoerd.’
Luther: 'Hebben we het over mij of over Munzer?’
Tweede journalist: 'Waarom voert u geen Duitse mis in? Omdat die van Munzer is?’
Luther: 'Eerst moet blijken of God het wil.’
Eerste journalist: 'Die God, is dat uw vorst?’
Luther: 'Dat laat ik aan God over.’
Tweede journalist: 'Hoe staat u tegenover de paus en de kardinalen?’
Luther: 'Wie de paus heeft gezien heeft de duivel gezien. Wat die bezit is allemaal gegapt. Die flikker, die likker met zijn hermafrodieten. Ik wens hem de pest en de syfilis toe, lepra en zweren en alle andere plagen en ziektes. Onze vorsten moeten toeslaan en alles van hem afpakken. Ze zouden het hele zootje de tong moeten uitrukken en aan de galg hangen.’
Eerste journalist: 'Wat vindt u van de joden?
Luther: 'Wie een jood heeft gezien, die heeft de duivel gezien. Wat die hebben is allemaal gegapt. Vorsten en overheid zitten daar rustig bij te snurken. De joden zouden niets mogen bezitten: wat ze hebben moeten wij hebben.’
Tweede journalist: 'Wat moet de overheid dan doen?’
Luther: 'Ten eerste moet de synagoge in vuur en vlam gezet, en wat niet branden wil moet met modder volgegooid dat geen mens er in alle eeuwigheid een steen van ziet. En dat ter ere van het christendom, dat God kan zien dat wij christenen zijn. Daarna moeten hun huizen verwoest. Ze kunnen dan onder een afdak of in een stal, zoals de zigeuners, dat ze goed weten dat ze in de ellende zitten en gevangen. Hun gebedenboekjes moeten hun afgepakt, en hun rabbijnen moeten op lijf en leden verboden worden te onderwijzen. Bovendien moet alle geld en gouden en zilveren sieraden afgepakt en weggelegd.
Jonge, sterke joden en jodinnen krijgen dorsvlegel, bijl, houweel, schop en klos in de hand gestopt, dat ze hun brood verdienen in het zweet van hun neus. Maar als we bang zijn dat ze ons benadelen door voor ons te werken, dan moeten we ons gezonde verstand laten spreken en met ze afrekenen: eerlijk delen, maar ze in elk geval het land uitzetten.’
Eerste journalist: 'Professor, wat vindt u van de Duitsers?’
Luther: 'Wij Duitsers zijn en blijven Duitsers, dat wil zeggen zwijnen en redeloze beesten.’
Tweede journalist: 'En de buitenlanders?’
Luther: 'De Italianen zijn achterbaks. De Fransozen zijn geil, de Spanjaarden zijn wild, Engeland lacht ons uit.’
Eerste journalist: 'Professor, wat is uw mening over de vrouwen?’
Luther: 'Die hebben twee tieten en tussen hun benen een gaatje. (lacht) De vrouw moet haar man liefhebben, eren en gehoorzamen. Of de vrouwen zich ook van louter zwangerschappen afbeulen tot de dood erop volgt, dat geeft niet, daar zijn ze voor. Het is beter kort gezond te leven dan lang ongezond.’
Tweede journalist: 'En de studenten?’
Luther: 'Ongedisciplineerd, onzedelijk, ongehoorzaam.’
Tweede journalist: 'Hoe ziet de hemel eruit?’
Luther: 'Er komt een groot licht. Bloemen, gebladerte en gras, prachtig als een smaragd. Hondjes met gouden huid. Al in al zal het erg mooi zijn.’
Eerste journalist: 'Hoe zag de ark van Noach eruit?’
Luther: 'Driehonderd el lang, vijftig breed, vijftig hoog. Helemaal beneden beren en leeuwen en andere wilde dieren, de vreedzame op het tussendek met het voer, en boven de huisdieren en het pluimvee. Binnenin was het erg donker. Het is een fantastisch verhaal, en ongeloofwaardig als het niet in de bijbel stond.’
Tweede journalist: 'Wanneer viel de zondeval?’
Luther: 'Om twee uur ’s middags. God heeft van vier tot vijf gezwegen.’
Tweede journalist: 'Wanneer valt het Laatste Oordeel?’
Luther: 'Oorspronkelijk in 1590. Maar nu komt het eerder. Dat heb ik uitgerekend.’
Eerste journalist: 'Bestaan er duivels?’
Luther: 'In Wittenberg hebben wij tweeduizend duivels op de daken, veertigduizend zitten in de wolken. Pruisen heeft veel boze geesten. In Zwitserland, niet ver van Luzern, op een erg hoge berg, daar ligt een meer, dat heet het meer van Pilatus, en daarin staan de huizen van de duivels.’
Tweede journalist: 'U hebt erg met de duivel te kampen?’
Luther: 'Ik ken Satan goed.’
Eerste journalist: 'Professor, wij danken u voor het gesprek.’