De zandkastelen van amateur-archeoloog Tjerk Vermaning

Wie een kuil graaft

Het scenario voldeed aan alle eisen. De verdachte, een eenvoudige grasmachineslijper, was ongeschoold. De tenlastelegging was duidelijk: vuurstenen transformeren tot ‘prehistorische voorwerpen’ en ze eigenhandig in de Drentse bodem stoppen is laakbaar. Beroeps-archeologen doorzagen de listen van de amateur. Hulde uit de vakwereld. Maar wie speelde er nu echt vals?

DAT DE DRENTSE amateur-archeoloog Tjerk Vermaning (1929-1987) tóch in een rechtszaak verzeild raakte is achteraf verklaarbaar. De beperkte strekking van zijn vrijspraak in hoger beroep — ‘híj heeft hét niet gedaan’ — begint een bredere betekenis te krijgen, want een kwart eeuw na dato ontbreekt nog steeds een unanieme bevestiging van de vakwereld dat het om falsificaties gaat. Moet dat dan? Nou, het probleem schuilt hierin dat prof. H.Tj. Waterbolk en drs. D. Stapert van het voormalig Biologisch Archeologisch Instituut (BAI), Rijksuniversiteit Groningen, de aanjagers van de rechtszaak, daar zelf herhaaldelijk om hebben gevraagd. De vakwereld verkiest te zwijgen. Zo zitten we na 25 jaar nog steeds opgezadeld met een onvoltooide kwestie.

WIE WAS IN hemelsnaam Tjerk Vermaning? Een Drentse steentjeszoeker, die al decennialang Drentse akkers had afgestroopt, op zoek naar prehistorische vondsten. In zijn jonge jaren raakte hij gefascineerd door de prehistorische vuistbijl van Wijnjeterp, die hij in de oudheidkamer van Gorredijk had zien liggen. Zoeken, maar waar? Hij zocht in gebieden die voldeden aan de geologische voorwaarden. In januari 1965 schiet hij raak. In de buurt van Hoogersmilde stuit hij op de restanten van een mammoetjagerskamp. Professor Waterbolk belast zich met de opgraving. De vondst heeft de menselijke geschiedenis van Nederland met maar eventjes vijftigduizend jaar verlengd. Vermaning krijgt het jaar daarop de Cultuurprijs van de provincie Drenthe. Een eredoctoraat, zegt hij onbescheiden, had toch meer in de rede gelegen. Hij voelt zich miskend en koestert na zijn klapper bij Hoogersmilde om allerlei redenen een primitief aandoende wrok tegen ‘de’ wetenschap in het algemeen en Waterbolk in het bijzonder.


Maar Waterbolk ziet steentjeszoekers als nuttige, zelfs onontbeerlijke leveranciers van het archeologisch bedrijf en daarmee is hun taak voltooid. De interpretatie van het gevondene is weggelegd voor de wetenschapper. Vermaning ontdekt nieuwe mammoetjagerskampen bij de Drentse buurtschappen Hijken (1968) en Eemster (1973). Hij raapt alles zelf uit de omgeploegde aarde. Het BAI kan zijn rug op! Dan is het ineens over. Op 18 maart 1975 plukt de politie hem in Meppel van zijn brommer. Prof. Waterbolk en zijn medewerker drs. D. Stapert verdenken hem van oplichting. Drie jaar later acht het gerechtshof in Leeuwarden voor alle aanklachten hun bewijsvoering onder de maat.


De hamvraag — waren de stenen bewerkt door de Neanderthaler? — laat het gerechtshof nadrukkelijk in het midden. Dat moeten de beroepsarcheologen onderling maar oplossen. Maar geen archeoloog in het land voelt zich geroepen de beroepstrots te krenken van Waterbolk en Stapert, die hun standpunt — vals — handhaven. Waarom ook? Het gerechtshof heeft Vermaning vrijgesproken, niet de stenen.


In algemene zin heeft Waterbolk met zijn rolverdeling amateur-beroeps natuurlijk gelijk. Maar wat de bestudering van het Paleolithicum aangaat past deze opvatting toch enige relativering. Dit onderdeel van de archeologie verkeert in Nederland in die jaren in een pioniersfase. Zegge en schrijve één (Groningse) archeoloog houdt zich er fulltime mee bezig. Daarnaast is er nog een getalenteerde amateur-archeoloog in het midden des lands, door drie Nederlandse universiteiten erkend als Paleolithicum-expert. Er bestaat nog maar weinig Nederlandse literatuur over.


Die toch al schaarse kennis van het Paleolithicum wordt door een samenloop van merkwaardige omstandigheden in een oogwenk tot nul gereduceerd, uitgerekend op het moment dat Vermaning zijn spectaculaire vondst in Hoogersmilde in januari 1965 meldt. Het BAI stuurt zijn expert om de vindplaats ter plekke te inspecteren, dr. A. Bohmers, die enige archeoloog die zich fulltime met het Paleolithicum bezighoudt. Hij is onder de indruk van de vindplaats. De dag van deze inspectie zal de laatste van zijn archeologische carrière zijn. Hij wordt door Waterbolk met onmiddellijke ingang geschorst. Waarom is onduidelijk. Na een slepende procedure neemt hij in februari 1967 ontslag. Dat wordt hem eervol verleend.


Gelukkig is er nog die getalenteerde amateur uit het midden des lands, de sparring partner van drie Nederlandse universiteiten (even geduld, zijn naam komt nog). Hangende de schorsing van Bohmers ziet Waterbolk geen aanleiding de band met deze gekwalificeerde amateur-archeoloog aan te halen. De universiteitsdeur is nog maar net achter Bohmers gesloten of Waterbolk staat op 2 april 1967 op de stoep bij de amateur. Gesecondeerd door twee Groningse rechercheurs. Hij zoekt stenen die hij kwijt is, of de amateur die soms heeft? Nee, antwoordt de amateur, hoezo? De hoogleraar en zijn secondanten keren onverrichter zake terug naar Groningen. Waterbolk (bioloog) besluit de vondst in eigen beheer te onderzoeken.



MET DE DRENTSE trofeeën van Vermaning in de kofferbak maakt Waterbolk later samen met collega dr. D. van der Waals een consultatie-tournee langs de Paleo-deskundigen van Europese universiteiten als Bordes (Bordeaux) en Schwabedissen (Keulen). Met hun nihil obstat op zak zetten zij zich in Groningen aan de schrijftafel voor een wetenschappelijke publicatie over Hoogersmilde. Zij publiceren die in het wetenschappelijk tijdschrift Paleohistoria (1973). Een kwart van de buit komt ‘uit met zekerheid ongestoorde grond’. Hulde uit de vakwereld, nationaal en internationaal.


Vermaning, trots als een pauw, krast er met zijn snerpende stem onbevangen doorheen via lokale radio en tijdschriften: ‘Ik ben de Messias van de oude steentijd!’ ‘De wetenschap, die kan me wat!’ En: ‘Ik word in een adem genoemd met Piet Hein en admiraal De Ruijter.’


Eind 1974 broeit er iets op het Groningse instituut. Telkens valt de naam Vermaning. Het gonst van de geruchten, en de twijfels. De bron is Stapert (27), die een jaar eerder zijn doctoraal examen heeft gedaan. Dat examen bezorgde hem een vaste aanstelling op het BAI, om zich in het Paleolithicum te bekwamen. De vondsten van Vermaning horen bij die opdracht. Staperts twijfels verhinderen niet dat het BAI blijft aangewezen op Vermaning als meest productieve amateur-archeoloog.


Zo ook op 25 februari 1975, als Waterbolk een poging doet achter de vindplaats te komen van Eemster. Dit prehistorische mammoetjagerskamp in Drenthe heeft Vermaning zoals gezegd zelf verzameld. De hoogleraar wil de vuurstenen werktuigen namens de provincie Drenthe kopen. Zonder vindplaatsgegevens heeft aankoop echter geen waarde. ‘Hijken’ wilde Vermaning destijds (1968) ook al niet aan Waterbolk kwijt. Hij koos toen demonstratief voor oud-hoogleraar A.E. van Giffen, oprichter van het BAI en stimulator van Vermaning. Waterbolk wil zich in het geval-Eemster niet nóg eens laten passeren. Maar Vermaning geeft geen krimp.


Dan is het geduld van de hoogleraar op. Drs. Stapert trekt toevallig omstreeks dezelfde tijd een conclusie: ‘In een flits wist ik: ze zijn vals, en toen viel alles op zijn plaats.’ Stapert zet de aanklacht op papier, Waterbolk legt een reeks informele bezoeken af bij plaatselijke autoriteiten om hen deelachtig te maken van de ontdekking. Het provinciebestuur van Drenthe doet als benadeelde partij officieel aangifte wegens oplichting.


Als de politie op de ochtend van 18 maart 1975 Tjerk Vermaning in Meppel aanhoudt, is de verstrengeling tussen bevoegd en wetenschappelijk gezag direct zichtbaar. Stapert instrueert op het woonschip van Vermaning de rijksrecherche wat zij in beslag moet nemen. ’s Middags staat hij met justitie en provinciebestuur journalisten te woord. Waterbolk wimpelt alle moeilijke vragen af, wijzend naar Stapert: ‘Daar zit de deskundige.’



ER BESTAAT VERMOEDELIJK geen aanklacht zo verpletterend, zo sluitend en zo logisch als die tegen Tjerk Vermaning. Alle stenen had drs. Stapert op het BAI onderzocht. Ze bestaan zonder uitzondering uit vers geklopte steen. Ze zijn allemaal met een elektrische slijpschijf bewerkt, en hij kan aantonen hóe. Een onderzoek van het Lab voor Fysische Metaalkunde van de Rijksuniversiteit Groningen heeft die kunstmatige vettige substantie geïdentificeerd. Een geoloog verricht afzonderlijk onderzoek. Tot slot meldt Stapert dat ‘zijn opvattingen’ door nadere rapporten, expertises, illustraties et cetera kunnen worden ‘geadstrueerd’. Kortom, een degelijk onderbouwde ontdekking van een jonge archeoloog, die daarmee behalve de Europese paleolithische top ook zijn hoogleraar verraste.


Een cause célèbre, jubelt rechter-commissaris mr. W.C. van Oordt te Assen in een brief aan het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk. Maar dit lab laat hem na drie maanden weten dat het met die stenen geen kant uit kan zonder er deskundigen bij te betrekken. Deze noodkreet is niet zo verwonderlijk.


Het onvoorstelbare feit doet zich voor dat drs. Stapert de ernstige beschuldigingen heeft verzonnen. De helft van de stenen heeft hij nooit gezien. Hij blijkt niet in staat één voorbeeld van zijn slijpproeven te demonstreren. Het onderzoek van de assisterende geoloog bestond uit een koffievisite bij Vermaning. Er bestaat op 18 maart 1975 helemaal geen rapport van Fysische Metaalkunde over die vettige substantie. Ja, drs. Stapert heeft op 1 maart een opdracht verstrekt aan dat lab. Maar het rapport is pas een maand na de aanklacht klaar. De uitslag is bloedstollend: negatief.


De aanklacht seponeren? Nee, rechter-commissaris Van Oordt herinnert zich ineens — het is inmiddels augustus 1975 — dat drs. Stapert nog niet heeft voldaan aan de bewijslast. Hij verzoekt Stapert dus om die nadere rapporten, expertises et cetera. Stapert schrijft na enkele weken bedeesd terug: ‘Die bestaan niet.’


Toch maar seponeren? Nee, Van Oordt denkt drie maanden na en verzoekt Stapert beleefd alsnog met zijn bewijzen te komen. Waterbolk ook. De aanklacht tegen Vermaning is dan precies negen maanden oud en het tweetal moet nog beginnen met de bewijsvoering op schrift te stellen.


Drs. Stapert overlegt de rechtbank een jaar na de aanklacht een bewijzenrapport, waarin hij een theorie ontvouwt. ‘Het betoog van Stapert’, verklaart prof. Waterbolk, ‘sluit voor honderd procent. Niemand komt daar meer aan. Deze ontdekking heeft in de vakwereld honderd procent erkenning gekregen, ook internationaal.’ Maar de hoogleraar rekent buiten de factor tijd. De theorie zoals Stapert die onder ede ontvouwt, wordt na de rechtszaak door hemzelf begraven op het kerkhof van de Gesneuvelde Theorieën.



EEN ZEKERE dr. ir. C. Franssen uit Bennekom en Ad Wouters uit Lent melden zich bij de rechtbank in Assen als getuigen-deskundigen voor Vermaning. Ad Wouters is de getalenteerde amateur-archeoloog uit het midden des lands, die ooit werd vereerd met dat raadselachtige bezoek van Waterbolk. De hoogleraar probeerde toen tevergeefs Wouters’ integriteit aan te tasten.


Wouters is lid van het jaarlijks universitair symposium voor Prehistorie van Nederland (mede op verzoek van Waterbolk), zit in de commissie Periodisering van de Nederlandse Praehistorie en is correspondent van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek. Hij deed opgravingen met dr. Bohmers (Groningen), prof. Hamal (Luik), prof. Breuil (Institut de France), publiceerde tientallen artikelen (met onder anderen Bohmers en prof. Glasbergen), hield honderden lezingen (ook op het BAI in Groningen) en hielp archeologiestudenten. De zaak-Vermaning beschreef hij in het boek J’accuse, dat vorig jaar in beperkte oplage verscheen. Wouters (83) is tot op de dag van vandaag, óók in vakkringen, een gerespecteerd archeoloog.


Prof. Waterbolk en drs. Stapert reageren op het aantreden van Wouters met een besluit. Omdat zij het zelf te druk hebben met hun Vermaning-bewijzen krijgt een BAI-medewerker opdracht een rapport over Wouters aan te leggen voor intern gebruik. De opdracht draait uit op een smadelijk schrijfsel, met louter lasterpraat en insinuaties over Wouters, zonder enig bewijs. De inhoud van het rapport komt op nooit opgehelderde wijze op straat. Wouters roept de auteur ter verantwoording. De BAI-medewerker raakt in gewetensnood en betuigt zijn spijt. Uit dat rapport put Stapert inspiratie voor enkele artikelen die het rechtstreeks op de integriteit van Wouters hebben gemunt. Die pogingen mislukken.


Een nieuw archeologisch hoogtepunt, honderd kilometer zuidelijker, dient zich tussentijds aan. Franssen en Wouters zijn koud met de verdediging van Vermaning bezig of zij doen op een zandafgraving in de stuwwallen bij Rhenen een ontdekking waarbij die van Vermaning verbleekt. De menselijke geschiedenis van Nederland wordt hier niet met 50.000 maar met 150.000 jaar, ja misschien wel 200.000 jaar verlengd. Wouters meldt de vondst aan de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort. De archeologische instellingen van Nederland zwijgen. Dan doorbreekt Stapert van het BAI de stilte. De stuwwalvondsten noemt hij ‘pseudo’s’ en ‘door ijs geklopte stenen’. Hij waarschuwt publiekelijk voor de onbetrouwbaarheid van Franssen en Wouters. Er wordt nog meer gevonden, duizenden prehistorische artefacten. De internationale vakwereld stort zich enthousiast op de stuwwallen. Prof. Louwe Kooijmans, van het Instituut voor Prehistorie in Leiden, laat weten dat je toch niet voor elke steen in de auto kunt stappen. De Leidse hoogleraar valt de twijfelachtige eer te beurt om in 1981 — zes jaar na de melding — de stuwwalvondsten de vaderlandse geschiedenis binnen te smokkelen. In het boek Verleden land (1981) verzwijgt hij de namen van Franssen en Wouters.


Na de veroordeling van Vermaning in Assen (1977, een maand voorwaardelijk) raakt de verdediging van Vermaning in een stroomversnelling als Piet Beersma, adjunct-directeur research op het lab van Scholte Honig zijn diensten aanbiedt. Het toetsen van research-rapporten op haalbaarheid voor commerciële toepassingen is zijn vak.


Beersma krijgt alle gerechtelijke dossiers. Ook dat van de later erbij geroepen getuige-deskundige prof. Bosinski uit Keulen. Een kolfje naar zijn hand. Hij catalogiseert álle sleutelwoorden (krasjes, glans, patina, vondstomstandigheden et cetera) van de corpora delicta en vermeldt bij elk wie daarover wat te melden had. Zijn systematische databank wordt gekoppeld aan de maandenlange research van Ad Wouters. Tientallen, soms komische tegenstrijdigheden komen aan het licht. De Leemdijkbijl bijvoorbeeld is door afzonderlijke onderzoekers à charge zeven keer ontdaan van die ‘kunstmatige glans’. Prof. Bosinski slaagt er zelfs in een valse steen van Vermaning op een door hem authentiek verklaard prehistorisch stenen werktuig te doen passen. De aanklagers hebben gefaald in het op elkaar afstemmen van hun beschuldigingen. Dat vindt het hof ook.



TJERK VERMANING reageert blij als een kind op de vrijspraak in hoger beroep (1978). Zijn vrouw Grada valt hem in de armen, beiden zijn in tranen. Tjerk hoort er weer helemaal bij. ‘Nu de stenen nog!’ roept hij strijdlustig.


Grada overlijdt drie jaar na de vrijspraak, Vermanings gezondheid sukkelt achteruit. Maar dan gloort er hoop. In 1983 ontdekt uitgerekend Ad Wouters vlak bij de door Vermaning geraapte vindplaats Eemster een tweede concentratie. Die zit nog in de grond. Een godswonder, zou je bijna zeggen, of een list van de duivel. Wouters meldt die terstond als Eemster II bij de ROB. De Rijksdienst reageert ditmaal op de melding als op een naar binnen gegooide handgranaat: opgraving van Eemster II zal Waterbolk en Stapert een unieke gelegenheid bieden een ‘door Vermaning geprepareerde vindplaats’ bloot te leggen. Brengt de opgraving niets verdachts aan het licht, dan hebben zij een probleem.


Vermaning, die de ene hartoperatie na de andere ondergaat, schrijft het provinciebestuur een brandbrief: laat Eemster II opgraven, liefst vóór ik het tijdelijke met het eeuwige verwissel. Er gebeurt weer een wonder. Het provinciebestuur van Drenthe, dat als zijn officiële aanklager bij Vermaning in het krijt staat, stelt genereus een ton ter beschikking voor de opgraving van Eemster II.


Louwe Kooijmans uit Leiden laat Waterbolk terloops weten dat hij die opgraving als second opinion wel wil doen. Waterbolk reageert verbijsterd op het voornemen van Louwe Kooijmans: ‘Kun je met een dergelijke opgraving iets bewijzen? Mijn antwoord is: nee’, waarschuwt hij in een brief. En mocht Leiden onverhoopt toch iets ondernemen, dan dienen eerst de stenen van Eemster I te worden onderzocht. Dan zal vanzelf de lust tot graven vergaan.


Louwe Kooijmans reageert begripvol. Zoiets, sust Louwe Kooijmans collegiaal, ‘zou ik niet zonder jullie instemming willen doen.’


Waterbolk is gerustgesteld. Voor de zekerheid herinnert hij Louwe Kooijmans aan de gesloten deal: ‘Hoe dan ook, en hierover zijn we het in elk geval eens, de opgraving (van Eemster II — fv) kan ten aanzien van de vraag of de gevonden collecties (Hoogersmilde en Hijken — fv) echt of vals zijn, geen oplossing geven.’


Louwe Kooijmans zwicht. Hij belooft eerst de stenen van Eemster I te bestuderen en pas dan eventueel te graven in Eemster II. Er ontstaat een probleem. De stenen van Eemster I heeft Vermaning deels weggegeven, deels verkocht aan amateurs. Het provinciaal bestuur van Drenthe verzoekt dus de amateurs die stenen ter beschikking te stellen. Daartoe zijn zij bereid, maar wat heeft dat verzoek eigenlijk met de opgraving te maken?


Dan voltrekt zich een ramp. De briefwisseling tussen beide hoogleraren komt in de openbaarheid. Ongeloof en verwarring onder de amateurs. Die weigeren elke verdere medewerking. De reactie van het provinciaal bestuur is niet goed verklaarbaar. Het had geld uitgetrokken voor de opgraving. De provincie stelt niettemin de amateurs een ultimatum: de stenen direct inleveren of de opgraving gaat niet door. Het laatste geschiedt.


Twee Groningse wetenschappers halen opgelucht adem.


Vermaning sterft anderhalf jaar later. Zijn as laat hij overeenkomstig zijn laatste wilsbeschikking uitstrooien op de vindplaats Hoogersmilde. Waterbolk gaat hetzelfde jaar met pensioen. Hij besluit zijn afscheidsinterview in het Nieuwsblad van het Noorden — Vermaning was het laatste gespreksonderwerp — met de woorden: ‘Wat er precies is gebeurd zal altijd wel een raadsel blijven.’