Interview cultuurfilosoof Claudio Magris

«Wie geen ironie inbouwt, verliest»

De Italiaanse cultuurfilosoof Claudio Magris ontvangt op 7 november in Amsterdam de Erasmusprijs. Reden: zijn essays zijn doordrongen van het besef van culturele en politieke verscheidenheid in de samenleving.

Al op 13 september duidde de Italiaanse cultuurfilosoof Claudio Magris in de Corriere della Sera het nog verse bloedbad van Manhattan als een symptoom dat de neergang aankondigde van Amerika als supermacht. Magris: «We zijn allemaal vreselijk conservatief. In de herfst van 1989 was ik aanwezig op een congres in het Franse kasteel van Blois. Daar kwam een Oost-Duitse intellectueel vertellen dat er in het Oosten veel zou veranderen, maar dat de Muur nog decennia zou blijven staan. Een week later lag hij al omver. Telkens weer stel ik vast dat de ‹bekeerlingen› — de voormalige progressieve intellectuelen die hun geloof in verandering hebben opgegeven — het verst gaan in datgene wat ik ‹het valse realisme› noem. Ze beschouwen hun werkelijkheid als de laatste en enig mogelijke werkelijkheid, iets wat ze beter aan de politici kunnen overlaten. Ze zijn arrogant geworden. De val van de totalitaire utopieën heeft hen ertoe gebracht te lachen om elk project dat de wereld wil veranderen. Ze zijn niet meer in staat om de complexiteit van het leven te begrijpen en ze willen niet aanvaarden dat de dingen eensklaps kunnen veranderen, onafhankelijk van hun wil. Ze beschouwen degenen die wél geloven in de mogelijkheid om in de wereld in te grijpen als naïeve utopisten. Ze halen hun neus op voor de idealen van solidariteit en rechtvaardigheid die ze ooit hebben aangehangen en ze gaan er zelfs tegen tekeer. Ze verzetten zich tegen elke vorm van maatschappelijke rebellie en ze gaan zelfs zo ver om de Franse Revolutie te discrediteren als de moeder van het totalitarisme. Natuurlijk mag je van mening veranderen, maar ik heb er een hekel aan dat mensen zich beter voelen omdat ze zich ‹bekeerd› hebben en dat ze daar het recht aan ontlenen om alles te verbranden waarin ze ooit geloofd hebben.»

Claudio Magris beschouwt tegendraadsheid niet als een maatschappelijk veld dat wordt gemonopoliseerd door alleen maar rebellen van het type Robin Hood. Méér dan voor de drie musketiers, de helden uit vele jongensdromen, neemt hij het op voor hun tegenspeler: vanuit zijn gevestigde positie verklaarde kardinaal Richelieu de oorlog aan de privileges van de feodale adel. Niet dat de machtigen der aarde door Magris bejubeld worden, maar wie goed toekijkt, merkt dat hij de heersers graag in hun raadselachtige dubbelzinnigheid beschrijft.

Het beschrijven van de ambivalenties van het handelende individu is een watermerk van de opvattingen die Claudio Magris in zijn opstellen etaleert. Hij treft de dubbelzinnigheden aan in literaire meesterwerken die in zijn ogen zowel utopisch als ontnuchterend of onttoverend zijn. Magris: «Het behoort tot de grootheid van Cervantes’ Don Quichot dat hij niet wil afzien van zijn obsessies, dat hij in de onbeholpen boerin Aldonza zijn betoverende Dulcinea blijft zien. Dat is natuurlijk niet redelijk en we mogen wel zeggen dat Don Quichot een gevaar voor de samenleving zou opleveren als hij in zijn eentje op stap zou gaan en niet zou worden afgeremd. Maar gelukkig heeft Don Quichot in Sancho Panza een gezel gevonden die zich door zijn gezond verstand laat leiden. Panza beseft zeer goed dat de geïdealiseerde geliefde van zijn baas een stalgeur heeft. Toch plaats ik Don Quichot en Sancho Panza niet tegenover elkaar. Voor mij zijn deze personages geen tegenstellingen. Telkens als Don Quichot tot rede lijkt te komen, voelt Sancho Panza zich verloren en prikkelt hij zijn baas opdat die weer op stap gaat. De abstracte schrielheid van Don Quichot zou ons tegenstaan zonder het sensuele plezier dat Sancho Panza aan het leven heeft.»

Maar Magris gaat een stap verder om aan te tonen dat utopie en ontnuchtering eerder complementaire dan tegengestelde begrippen zijn. Om duidelijk te maken wat hij bedoelt, grijpt hij — liever dan naar de «moeilijke» Joyce of Beckett — naar een toegankelijk werk als L’Éducation sentimentale van Gustave Flaubert, een zwarte idylle waarin een volslagen negatieve balans van het leven wordt opgemaakt. Magris: «L’Éducation sentimentale, waaraan Flaubert een groot deel van zijn leven heeft gewerkt, is een roman waarin uiteindelijk de betovering van het leven wordt ontkend. De balans is alleen maar ontnuchtering. Maar de pendel van dat zwarte pessimisme zwaait terug door de betoverende toon waarin Flaubert L’Éducation sentimentale geschreven heeft. Flaubert zegt wel dat de betovering niet bestaat, maar de manier waarop hij het formuleert, suggereert dat die betovering elk ogenblik toch weer om de hoek kan komen kijken, en misschien wel op een moment dat je dat het minst verwacht.»

Oppervlakkig beschouwd lijkt de wereld statisch en onveranderlijk, maar achter die valse realiteit schuilen mogelijkheden die bevrijd kunnen worden uit de gevangenis van het bestaan. In Utopie en onttovering, het essay waarin Magris de werkelijkheid van haar vermommingen probeert te ontdoen, formuleert de schrijver het op den duur in de helderheid van de paradox: «De ontnuchtering is een ironische, melancholische en herstelde vorm van de hoop.» Als we tot op de bodem zijn gegaan en oog in oog hebben gestaan met het niets, als we de confrontatie zijn aangegaan met de onuitstaanbare en demonische waarheden van het leven, kunnen we ons opmaken voor een nieuwe sprong. Maar dat we ons engageren betekent niet dat we het recht mogen opeisen om het beloofde land te zien, aldus de erudiete humanist, die herinnert aan de kern van Borges’ literaire oeuvre: «Het naken van een openbaring die niet plaatsvindt».

Magris heeft een afschuw van idolatrie en van mensen die zich geroepen voelen om een afgodsbeeld te zijn. Hij heeft een aversie tegen figuren die anderen wegcijferen omdat ze — afgevaardigde beheerders van hun eigen bestaan — narcistisch en arrogant op zichzelf zijn gefixeerd. Liever verwijst Magris naar de anonieme Duitser die hij begin jaren zestig in pension Goldener Anker in Straatsburg aantrof: «Die Duitser had Duitsland verlaten kort nadat de nazi’s aan de macht waren gekomen. Hij hoefde niet weg te gaan, want hij was wel degelijk een Ariër. Maar omdat nazi-Duitsland hem niet beviel, keerde hij zijn land de rug toe. Deze humanist en patriot was zijn vaderland niet vergeten toen hij de Franse grens overschreed, maar hij besefte dat zijn plaats niet langer in Hitler-Duitsland kon zijn. Toen de nazi’s waren verslagen, keerde hij terug. De vernietiging van Duitsland had hem zwaar aangegrepen en hij had geleden onder de deling van zijn vaderland.»

Die Duitser is volgens Magris het type van de echte intellectueel, want bij intellectualiteit gaat het volgens hem eerder om een houding dan om een beroep of een omgang met de pen. Hij schat zulke anonieme intellectuelen in zijn opstel Intellectuelen, intelligentie en vrijheid veel hoger in dan de ideologisch verblinden van het type Eluard en Aragon, over wie hij schrijft: «We kunnen ze wegens hun deplorabele keuze voor het totalitarisme niet als opener of verlichter beschouwen dan de miljoenen mensen zonder beroemde naam en zonder poëtisch genie die bewezen hebben veel intelligenter en veel humaner te zijn.»

Een intellectueel is in de ogen van Magris de onvermoeibare zwerfhond zoals Elias Canetti hem beschreven heeft in een opstel waarin de vijftigste verjaardag van Hermann Broch werd gevierd: een dier dat weliswaar aan de ketting van zijn tijdperk vastgebonden ligt, maar dat voor de rest de vrijheid neemt om overal zijn vochtige en onbeschaamde snuit in te steken. Die hond is verwant met Magris’ dolende alter ego dat in Donau opduikt. Donau is het verhaal van een sentimental journey, een reis die zich zowel op papier als in de realiteit afspeelt, een Bildungsroman waarin de reiziger weet dat het naderen van zijn eindbestemming — de monding van de stroom die feitelijk verdwijnt in een amorfe delta — hand in gaat met een toenemende vervreemding van de hem vertrouwde wereld. Weliswaar is de «ik» in Donau niet van plan zijn universele waarden op te geven, maar toch weet de verteller dat alles wat hem overkomt hem ook op een andere manier had kunnen treffen, wat zijn doorgaans ironische omgang met de wereld verklaart.

Voor Magris is die ironie een harnas tegen de verleidingen van het rigide totalitarisme. Het ironisch benaderen van de dingen en vooral van de eigen persoon is een afweermiddel tegen het pathos vanuit de onderbuik, tegen het postmoderne minimalisme en tegen een te grote obsessie voor de eigen identiteit. We kunnen immers niet alles definiëren. Het omschrijven van waarden is even moeilijk als het karakteriseren van het weer: we weten allemaal wat het is zolang ons er niet naar wordt gevraagd, maar we staan met onze mond vol tanden als ons gevraagd wordt het te definiëren. Maar het is niet omdat een verschijnsel moeilijk omschrijfbaar is dat het niet zou bestaan. Vanaf de aarde lijkt Orion op een compacte lichtgevende ster, terwijl hij niets meer is dan een uitgestrekte nevel die we niet eens zouden kunnen ontwaren als we ons er middenin zouden bevinden.

Het te dicht benaderen van iets helpt ons niet altijd verder. Dat toonde Magris al aan in De sabel, een verhaal waarin gesuggereerd wordt dat er een verband bestaat tussen wreedheid en een gebrek aan fantasie. Magris: «Tijdens de jongste parlementsverkiezingen waren hier grote plakkaten te zien waarop Silvio Berlusconi als de presidente-operaio, de voorzitter-arbeider, werd voorgesteld. Ik had verwacht dat iedereen de voorstelling van Berlusconi als arbeider een kolossale grap zou vinden, maar tot mijn ontsteltenis was dat helemaal niet het geval. Het gebeuren gaf geen aanleiding tot spot. Van dezelfde orde is het onvermogen om ironisch met de dingen om te gaan, wat ik als problematisch ervaar. Wie geen ironie inbouwt, is aan de verliezende hand. Toen in 1961 de Rus Joeri Gagarin als eerste mens uit de ruimte terugkeerde, wist hij te melden dat daar geen God te bespeuren was. De paus stond met zijn mond vol tanden. Ik heb nooit begrepen waarom de paus deze vorm van kinderlijk atheïsme niet ironisch pareerde door te zeggen: ‹Wel, wel, mijnheer Gagarin, wat een geluk dat het zo is afgelopen, want ik zou het als paus niet leuk hebben gevonden als uitgerekend een Russische atheïst uit de ruimte zou zijn teruggekeerd met de boodschap dat hij daar Gods hand had geschud.›»

Het vertellen van «grote» geschiedenissen is vaak gemakkelijker en comfortabeler dan het plaatsen en beoordelen van «marginale» verhalen die voor Magris juist het onderwerp zijn van de literatuur. Dat herinnert hem aan de woorden van de Siciliaanse schrijver Leonardo Sciascia, die meende dat de meeste mensen niets van zichzelf en van de wereld zouden begrijpen als de literatuur hun dat niet zou leren. De roman is de mimesis van de werkelijkheid. Hij lijkt op een sensatiekrant waarmee het vuil van de wereld wordt opgeschept. Dickens, Dostojevski en Dante zijn chroniqueurs van het alledaagse, straathonden die snuffelen in het afval van de geschiedenis, hellevaarders dus, die echter de schijnwerpers van de eeuwigheid richten op de goorheid waar over ze berichten.

Uit het lijdensverhaal van het veertienjarige dienstmeisje Anna Augustin, waarover Claudio Magris in Donau vertelt, kunnen we niets halen wat ons zou kunnen troosten of verheffen. Anna werd niet vermoord door een psychopaat, maar door haar welgestelde Weense meesteres Josefine Luner.

Magris schreef samen met Angelo Ara in 1982 over zijn geboortestad het boek Trieste: Un’identità di frontiera. Magris: «Vlak na de Tweede Wereldoorlog was Triëst een grensstad. Triëst werd ‹klein Berlijn› genoemd en het IJzeren Gordijn was vlakbij. Ik heb het ontstaan van mijn verhalen ook te danken aan het feit dat ik als kind getuige was van de misverstanden die in het leven en de geschiedenis kunnen opduiken. Zelf was ik destijds getuige van de stichting van Krasnovs kozakkenland, dat eigenlijk een fantoomland was. Mijn eigen éducation sentimentale werd getekend door nog een andere grenservaring die ik eerder al in het hoofdstuk ‹Absyrtiden› van Microcosmi heb beschreven. Toen na de Tweede Wereldoorlog driehonderdduizend Italianen het Joegoslavië van Tito verlieten en naar Italië trokken, besloten tweeduizend Italiaanse arbeiders uit Monfalcone en andere gemeenten uit mijn streek samen met hun families in de andere richting te vertrekken, de grens over te steken en naar Joegoslavië te verhuizen om hun bijdrage te leveren aan de opbouw van het socialisme in het land dat zich bevrijd had van het nazi-fascisme, een land dat behalve de vestiging van het communisme ook het einde van uitbuiting, onrecht en onderdrukking had moeten betekenen. De meeste Monfalconesi, onder wie verzetsstrijders, ex-gevangenen van Duitse kampen en antifranquisten, gingen er enthousiast aan de slag. Maar toen Tito in 1948 met Stalin brak, bleven de immigranten uit Italië trouw aan Stalin en de Sovjet-Unie, waardoor ze plots verraderlijke vreemdelingen werden in de ogen van het Joegoslavische regime. Ze werden met stalinistische methoden vervolgd en opgesloten in de Joegoslavische goelags van Goli Otok en Sveti Grugr. Niemand wilde later aan die episode herinneren: de Sovjet-Unie zweeg omdat ze de aandacht niet wilde vestigen op haar eigen kampen en het Westen verhief zijn stem niet omdat het de relatie met Tito niet wilde bederven. De Monfalconesi bevonden zich op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Ik vind dat aan hun lot herinnerd moet worden, ook omdat ze waarden als toewijding, trouw en moed belichamen.»

In zijn essay Buiten de stad, de dichters? heeft Magris zijn literaire opvattingen samengevat in een passage die je een poëtica van zijn complexe werkelijkheidsbeleving zou kunnen noemen: «De literatuur verdedigt het individuele, het bijzondere, de dingen, de kleuren, de zintuigen en het voelbare tegen het kunstmatig universele dat de mensen inlijft en nivelleert en tegen de abstractie die hen steriliseert. Tegen over de geschiedenis die voorwendt het universele te belichamen en te realiseren, plaatst de literatuur wat overgebleven is in de marges van het historisch gebeuren, door stem en herinnering te geven aan wat afgewezen, achtergesteld, vernietigd en uitgewist is door de loop van de vooruitgang. De literatuur verdedigt de uitzondering en het afwijken van de norm en de regels. Ze herinnert eraan dat de totaliteit van de wereld in scherven ligt en dat geen enkele restauratie mag pretenderen een harmonieus en samenhangend beeld van de werkelijkheid te geven, wat immers vals zou zijn.»

Langs grenzen (uitg. Bert Bakker) is een bloemlezing uit reeds vertaald en verschenen werk van Claudio Magris. Het bevat slechts enkele opstellen uit Magris’ nieuwe essaybundel Utopia e Disincanto, een boekdeel waarin niet minder dan vijftig essays van de Italiaanse cultuurfilosoof zijn opgenomen. Een Franse vertaling is beschikbaar: Utopie et désenchantement, 448 blz., uitg. Gallimard.