Wie goed doet

Wat heeft Martin Booth (1944), een Engelse schrijver van thrillers, scripts voor natuurfilms en romans die zich telkens in andere werelddelen afspelen, bewogen een verhaal te schrijven over de Goelag-kampen? Booth zegt er geen woord over, hij vertelt (of veinst) zelfs niet dat het verhaal van de Engelsman die in die ijskoude contreien verdwaalde, waar gebeurd is of niet.

Na vijfentwintig jaar als gevangene in de mijnen te hebben gewerkt woont de Engelsman Alexander Bayliss twintig jaar in een klein Russisch dorp, de geboorteplaats van een van zijn omgekomen medegevangenen. De helft van het boek bestaat uit het volgen van wat de man op zijn tachtigste verjaardag doet - met als hoogtepunt zijn besluit niet alsnog naar Engeland terug te keren. In de andere helft gaat het om herinneringen aan de barre tijd in de mijn. De andere zes uit zijn ploeg waren zogenaamde politieke gevangenen. De navrante en bizarre scènes die Booth beschrijft kan men kennen uit de kampliteratuur, waarvan het verhaal een uittreksel lijkt. ‘We zitten hier niet omdat we ’t socialisme hebben gesaboteerd. (…) We zitten hier omdat er tienduizenden werkmieren nodig zijn om het nieuwste vijfjarenplan enigszins te laten slagen.’ Op die manier verwerkt Booth de nodige informatie in zijn verhaal. Maar hoe zijn hoofdpersoon, afgestudeerd in de Engelse literatuur, in een Russisch kamp terecht is gekomen, komt de lezer niet te weten. Hij werd begin jaren vijftig in Leipzig gearresteerd, beschuldigd van spionage tegen de Sovjetunie, en officieel zou hij in de Elbe verdronken zijn; dan vraag je je toch af hoe dat zit. Hijzelf debiteert tegenover zijn medegevangenen alleen maar een gemeenplaats: 'Ik was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.’ Het gaat helemaal niet om feiten, het doet er ook niet echt toe dat de hoofdpersoon een Brit is; hij is een goed mens, dat is veel belangrijker. En in de ploeg dwangarbeiders ontmoet hij echte kameraden: 'als er ooit een voorbeeld was geweest van voorbeeldig functionerend socialisme, was dat ons zevenkoppige ploegje.’ Ze overleven dankzij elkaars steun en liefde; wie sterft, sneuvelt ingevolge het noodlot. Tja, waarom schreef Booth dit boek? Om te laten zien hoe medemenselijkheid het wint van het hele (sovjet)systeem, in de kampen - en daarbuiten. Van de Engelsman die tien jaar als onderwijzer in het Russische dorp werkt, wordt door het schoolhoofd gezegd dat hij menselijkheid naar het dorpje bracht. Booth gaat verder, want 'eigenlijk’ heeft hij het over de strijd van de mens tegen zijn lot. 'Wat is het lot anders dan het lied van de tijd, dat opklinkt uit een instrument dat ik niet kan stemmen of bespelen, maar waar ik alleen iedere dag naar kan luisteren?’ Wat is nu de moraal van het verhaal? Een mens alleen kan om te overleven zijn lot maar beter aanvaarden; veranderd kan het alleen worden door toedoen van anderen. Die taak was voor de Engelsman weggelegd in de mijn en later in het Russische dorp. 'Hij schrijft als een engel’, citeert de flap een Engelse krant; na dit boek vrees ik dat engelen hun veren maar beter niet voor pen kunnen verslijten.