Wie heeft de camera vast?

Wie vertelt het verhaal? Als er een ik aan het woord is, lijkt het duidelijk. Maar let op, je moet die vertellende ‘ik’ niet altijd vertrouwen en hij/zij valt niet samen met de schrijver. Nee, de ik is niet de schrijver. Maar wie is dan de verteller, de schrijver van de ik, de instantie die de ik op de rails zet? Wie schrijft ‘ik’? De schrijver, maar wie zit er achter de schrijver? Wie of wat brengt hem in de beweging? En wat zit daar weer achter? Niet moeilijk doen: de schrijver is gewoon de naam op het omslag van het boek. Daniël Rovers dus in dit geval. Hij beschrijft een geval van vriendschap. Wie weet zelfs liefde, al schrijft hij dat niet, je kunt het tussen de regels door lezen. Hij schrijft het bijna, steeds denk je nu komt het, maar dan bedenkt hij zich. Ik, Daniël Rovers, ga het niet zeggen, wat er ook gebeurt, laat ze maar raden. ‘Ik’ schrijf: ‘Kikkers bliezen donker gekwaak opbollende longen uit. Er is niets gebeurd die nacht.’ En wij, lezers, die al lang door Rovers in een adembenemende melancholieke leeshouding zijn gemanoeuvreerd, weten dat ook in deze twee zinnen iets doortrilt dat je, wanneer je veel pathetischer dan Rovers zou zijn, als liefde zou kunnen omschrijven.

Ik vraag me nog steeds af waarom deze roman me zo sterk emotioneerde

Deze schrijver heeft weinig vertrouwen in een doorlopende, chronologische vertelling. Hij gelooft meer in een encyclopedische opzet waarbinnen verschillende levens naast elkaar bestaan, ‘een eigen leven leiden’, zoals dat heet, maar elkaar af en toe ook treffen. Zie ook zijn debuutroman Elf levens (2010), de titel zegt het al. Hij wil iets vasthouden van wat er was, of van wat hij dacht dat er was. Er moet toch iets zijn dat levens met elkaar verbindt.

In De waren gaat het om drie vrienden die eens in de zoveel tijd in Nijmegen afspreken, waar ze alle drie na hun middelbare school studeerden. Ade, Bob en hun vriendin Ricky. Ade treedt min of meer op als verbindende schakel. Ik had wel zin om in hem Rovers voor me te zien, voorzover zoiets kan, omdat de roman met hem start, met een fraaie ontwaakscène: ‘(…) je moet wat willen nu, een plan bedenken, actie ondernemen, terwijl een druppel speeksel uit je mondhoek in het katoen van de kussensloop dringt (…)’. Ze komen in Nijmegen op de Grote Markt bijeen en langzamerhand geeft Rovers een inkijkje in deze drie levens. De vertelcamera switcht van de een naar de ander, zonder dat die ze van de wieg naar het graf volgt. En wie heeft de camera vast? Is het de wat sombere en verlegen Ade? Die af en toe de neiging heeft misprijzend naar de wereld te kijken? Is het Bob die altijd afstand bewaart en daar ineens tegenaan loopt? Is het Ricky die plotseling verbluffend fraai tot leven komt: ‘Haar adem sloeg als wasem neer, met haar wijsvinger schreef ze haar naam – Ricky – en veegde die toen uit.’ Het is uiteraard Rovers, die er moeiteloos in slaagt ons drie levens voor te toveren. Zonder nostalgie, zonder vrees of verlangen naar het voorbije, maar altijd beeldend, open, ruimte scheppend voor de lezer en voor zijn eigen herinneringen.

Small daniel rovers dec 2016   foto chris van houts

Langzamerhand begon ik de camera vast te houden omdat Rovers er al schrijvende in slaagde me steeds overtuigender in deze levens binnen te laten komen. Daar lopen ze, nog steeds, niet alleen in Nijmegen, maar ook hier, om de hoek. Daar trekken ze in een stoet voorbij, de ware liefdes: Nicolien, Elf, Zina, Filippe, Uma, Fanny, Kaat, Janek, Jesse, Mia, Timmie en dan vergeet ik er vast nog een stel uit het naslagwerk van de liefde dat Rovers voor ons neerzette.

Ik vraag me nog steeds af waarom deze roman me zo sterk emotioneerde. Het loopt niet eens slecht af met die drie, ze hadden een mooie tijd in Nijmegen, ze kunnen het goed met elkaar vinden. Misschien is het de rustige afstand die Rovers creëerde, de ijzersterke detailleringen van mensen en omgevingen. De kleine grappen en bizarre, maar altijd geloofwaardige dialogen die de schrijver aan de lopende band rondstrooit. Neem het volgende gesprek: ‘“Hoe ging het met je oude vlam?” “Hij is naar Lent verhuisd.” “Hij heeft zo’n typische Nijmeegse kop.” “Pardon?” “Een scherpe neus en krullend haar en van die heel verzorgde bakkebaarden. De beste bakkebaarden van het hele land hebben ze hier.”’ Er is nog veel meer citeerbaars in deze roman, ik moet me inhouden. Rovers houdt niet van humor die op de man speelt of leedvermaak uitserveert. Verlegen humor is het en wie het niet ziet is gek. Nog zo’n zin en dan hou ik op: ‘Hij stelde zich voor hoe ze nu zou kijken, met die triomfantelijke blik waarmee ze het opportunisme in de wereld doorzag, dat van hem in het bijzonder.’

Misschien zit het ’m er toch ook in dat Rovers met deze roman een ode aan Nijmegen wilde brengen, waar ik ruim vijftien jaar woonde. Ja, het klopt, dacht ik regelmatig, ja, daar was de Hema en daar het Keizer Karelplein met de schouwburg. Wat een raar gebouw is dat. Je moet romans uiteraard niet lezen en bespreken om te kijken of het allemaal klopt. Dan kun je beter de politieberichten volgen. Maar bij Rovers klopt echt alles: de melancholieke blik die ik nog steeds niet van me af kan schudden, de wonderlijke humor, de verbazingwekkende greep op deze drie mensen en die fijne, mooie vrouw Ricky, die me aan alle kanten raakte.