Wie heeft er zeggenschap over de inzet van de Gouden Koets?

10 juni 2021, De Gouden Koets wordt over het Amsterdam Museum getakeld. © ANP/Olaf Kraak

Het Amsterdam Museum vraagt bezoekers naar de toekomst van de Gouden Koets: Wat is je advies aan de koning? Moet de koets op ceremoniële momenten blijven rijden of niet? Tijdens bijeenkomsten van de klankbordgroep bij de tentoonstelling wees ik erop dat niet alleen de koning hierover beslist, maar vooral de premier. Als jurist en lid van het Republikeins Genootschap plaats ik graag enkele opmerkingen over de zeggenschap.

Het staat buiten kijf dat de Gouden Koets eigendom is van koningin Wilhelmina en haar erfgenamen, die het formele eigendom sinds 1968 hebben ondergebracht in de Stichting Kroongoederen van het Huis Oranje-Nassau. Maar daarmee is het laatste woord nog niet gezegd. De bevoegdheid van de eigenaar om over de Gouden Koets te beschikken is namelijk begrensd doordat hij wordt ingezet bij de staatstaken van de koning, en voor die activiteiten is de minister die het aangaat verantwoordelijk. Net zoals de koning en potentiële troonopvolgers niet mogen trouwen zonder goedkeuring van het parlement − hoe achterhaald die regeling ook is − zo kan hij ook niet vrij beschikken over de inzet van het ceremoniële vervoermiddel. Sinds 1848 kennen we in onze Grondwet het wonderbaarlijke systeem van de koninklijke onschendbaarheid met de daaraan verbonden ministeriële verantwoordelijkheid. Voor al het officiële doen en laten van de koning(in) legt niet hij/zij, maar de minister politieke verantwoording af in het parlement. Alles wat valt onder de uitoefening van de functie van staatshoofd, het lidmaatschap van de regering en het voorzitterschap van de Raad van State is het politieke pakkie-an van de betrokken minister, in het algemeen de minister-president. De premier is de katvanger voor de missers van de koning. En wie de politieke verantwoording draagt heeft het ook voor het zeggen.

Natuurlijk heeft de koning ook een privéleven, maar ook daar rukt de ministeriële verantwoordelijkheid op. Zodra het openbaar belang geraakt wordt, activeert zich de ministeriële verantwoordelijkheid. Media dringen de private sfeer steeds verder terug. Al gauw ontstaat er publieke discussie over acties van de koning en dan krijgt de minister het voor zijn kiezen. De recente vakantiereis in coronatijd van de koninklijke familie naar het Griekse buitenverblijf is een goed voorbeeld. Premier Rutte deed wat hij staatsrechtelijk moest doen: in het parlement boog hij deemoedig het hoofd. Hij had, zei hij, de reis verkeerd ingeschat. De koning zat, samen met de koningin, ook voor het volk en betuigde knarsetandend spijt.

Bij vragen over de kosten van de restauratie van de Gouden Koets weigerde de premier te antwoorden en verwees hij naar artikel 41 van de grondwet, het recht van de koning zijn huis in te richten. De koning betaalt, als eigenaar van de koets, zelf de restauratie en verder deed Mark Rutte er het zwijgen toe. In feite worden de kosten van reparatie en renovatie van de brik toegerekend aan de functionele kosten van het Koninklijk Huis, en worden deze uit de staatskas betaald.

De ministeriële verantwoordelijkheid krijgt gestalte door het maandagoverleg op het paleis. Dat zal ook gebeuren als het gaat over het lot van de Gouden Koets. En als de premier (eventueel na peiling in het kabinet en het parlement) van oordeel is dat het openbaar belang vereist dat op Prinsjesdag de tocht naar het Binnenhof beter niet in de met koloniale smetten beladen Gouden Koets kan worden afgelegd, dan mag de koning daarover wel zijn gevoelens delen, maar heeft de premier het laatste woord. Die is verantwoordelijk.

En neemt hij het wijze en vrijwel onontkoombare besluit om de statiebrik met pensioen te laten gaan, dan rest natuurlijk de eigendom ervan bij de koning. Mijn advies aan hem: overleg met het Amsterdam Museum over de modaliteiten van eeuwig bruikleen van de Gouden Koets. Een plezierritje moet natuurlijk altijd mogelijk zijn. Maar verder is het cadeau van de Amsterdamse bevolking over zijn uiterste houdbaarheidsdatum geraakt, en moet het vehikel zijn laatste rustplaats maar weer in Amsterdam vinden. De cirkel is rond.


H.U. Jessurun d’Oliveira is emeritus-hoogleraar Universiteit van Amsterdam en het Europees Universitair Instituut (Florence), en lid van het Republikeins Genootschap