Opheffer

Wie heeft mij lief?

Ja, het is al goed: kunst troost. Maar lost het iets op?

Daar merk ik niets van. Het enige oplossend vermogen dat kunst heeft, ontstaat wanneer je zelf kunst bedrijft. Het is onzin dat bijvoorbeeld het lezen van de gedichten van Petrarca je over je liefdesverdriet heen helpt. Je verliefdheid wordt er niet minder door. Het zien van de Guerníca van Picasso maakt me niet vredelievender en een fascist die Schindler’s List ziet, zal er niet plotseling een sociaal-democraat door worden.

Nu ik nog steeds depressieus ben, meent men mij een plezier te doen door me te confronteren met allerhande kunst.

Het is verschrikkelijk. Ik krijg allemaal boeken over eenzame mensen, gestoorde relaties en oorlogsleed. Of boeken die helemaal nergens over gaan, of — het ergste — boeken met daarin geluk kige mensen, of over jongelieden die de liefde van hun leven ontmoeten.

Weg ermee.

Het enige wat ik nu lees is: De verzorging van uw poes. Dat is een heel goed boek, hoewel de reden dat ik het heb gekocht — hoe maak ik mijn een jaar oude, onzindelijke kat zindelijk — eigenlijk niet ter sprake komt.

Ondertussen erger ik me aan kunst en vooral aan al die mensen die er hoge praatjes over hebben. Soms bid ik dat wanneer een of andere trut weer iets wijsneuzigs over literatuur in de Volkskrant schrijft, getroffen wordt door schavende ellende, zodat ik kan opmerken: «Mag ik even kijken hoe je alles nu gaat oplossen met die mooie praatjes van je?»

Ik wil op dit moment een verhaal schrijven over hoe mijn oude hond in mijn armen is gestorven, maar ik kan het niet; niet alleen haal ik er steeds mijn moeder bij, ik moet om alles lachen. Een schaamtelach. Bij elke zin.

Zin 1: «Eigenlijk heb ik nooit goed voor Jas gezorgd» — en dan moet ik alweer lachen. Zin 2: «Ik heb mijn moeder op haar sterfbed beloofd dat ik Jasper zou afmaken — ook aan die wens heb ik niet voldaan.» En weer grinnik ik. Dus ben ik na twee regels gestopt, terwijl ik er literatuur van wilde maken, dus alles wilde liegen.

Ik heb foto’s verzameld van bedelaars hier in Amsterdam die in een hoop vuil wonen. Als ik niet oppas word ik ook zo. Het is fijn om in vuil te wonen. Het is ook straf. Er is niemand die voor me opruimt, er is niemand die zegt dat m'n gulp openstaat, dat ik uit mijn mond stink of dat ik er niet uitzie; er is geen spiegel die praat. En wat de spiegel laat zien, bevalt me eigenlijk wel: een vieze leugenaar die z'n leven heeft verkankerd en van het leven zelf straf krijgt. Ga maar lekker in de stront zitten!

Laatst iemand het huis uit getimmerd die zei: «Is het ook niet enigszins je imago?»

«Wat bedoel je?» vroeg ik.

«Nou, altijd maar de depressieve kunstenaar uithangen met wie het zo zielig gaat.»

Dat soort moet hier weg en wil ik hier niet over de vloer hebben. Imago. Tjonge, wat een fijn imago: kansloze man van 47, stinkdier, zonderling, depressief, is in de markt voor alles: huwelijk, het leven, vriendschap, noem maar op.

«Toch denk ik dat het ook een beetje een kunstenaarsimago van je is.»

Laat duizend bommen vallen.

Je weet dat je niet moet haten, maar moet liefhebben, maar wie heeft mij lief? Ja, gekken en idioten, die iets anders zien dan ik ben.

Een kennis van mij heeft onlangs een contactadvertentie gezet. Hij heeft nu een vriendin met wie hij de hele dag in bed ligt. Na drie maanden neuken kwamen ze gisteren vertellen dat ze in Amerika gaan trouwen. Hun ogen waren vurige saffieren en van hun lippen rolden sterren, hun adem ruiste warm en harten klopten gelijk.

Mijn poes die niet zindelijk is, drolde een mooie bolus vlak voor hun neus.