Jaren na de oorlog treffen drie agenten van de Britse geheime dienst elkaar in een troosteloze Londense parkeergarage. De Hongaarse jood Zucker wenst zijn gewezen chef Murdoch te spreken, tevens zoekt hij zijn gewezen lief en collega Maggie. Zucker wil zijn memoires schrijven. En Murdoch moet opheldering verschaffen over enkele pijnlijke witte vlek in Zuckers herinnering. Maggies aanwezigheid is dringend vereist, omdat zij zelf een witte vlek is. De centrale vraag handelt over verraad. Wie deed wat? Maggie stelt de vraag aan het eind van scene een op scherp: Wie van jullie twee heeft mij verpfiffen, verraden? De heren ontkennen. Het hoe of het wat van het verraad interesseert Tabori ook niet. Die ontkenning, het afdekken, het grote vergeten heeft - als altijd - zijn primaire aandacht. Het genadeloze afpellen van de ontkenning maakt Requiem voor een spion tot een tekst die pijn doet, een stuk waarin de krankzinnige humor het voertuig wordt van een groeiende graad van radeloosheid.
Centraal staat Heinrich Zucker, de jood die geen held kon worden en van jongs af aan verraad op verraad stapelde. Tegenover de opportunistische Murdoch (die Zucker ooit aan de nazi’s overdroeg zonder met zijn ogen te knipperen) en Maggie (ooit het slachtoffer van Zuckers verraad) pelt de Hongaarse jood zijn hele droeve geschiedenis af. Tot er niks over is om af te pellen.
Zucker: ‘Ik hoop bij Salzburg begraven te worden, bij het Maanmeer. Heerlijk uitzicht. Geen luchtvervuiling. Vriendelijke buren. Maar, zo vertelden ze me, liever geen joden. We hebben niet genoeg zeep om de hakenkruizen van de grafstenen te boenen.’
Murdoch: ‘Probeer het eens met verbranden.’
Zucker: ‘Geen slecht idee. Oude familietraditie. Mijn moeder is in Majdanek gestorven.’
Murdoch: ‘Ach, waaraan? Enfin, mooi slot voor uw memoires.’
Zo kan, zo mag in het Duitse taalgebied alleen George Tabori schrijven, lijkt het. Een trieste maar harde lach over het graf heen. Tabori heeft zijn Krimi- Witz om de persoon van Zucker heengeschreven. En geregisseerd. Maggie krijgt van Ursula Ho"pfner een koele, bijna onbewogen vertolking. Branko Samarovski maakt van Murdoch een trefzekere aangever. Zucker wordt bij het Weense Akademie-theater gespeeld door Gert Voss. Zijn opkomst in de griezelig realistische parkeergarage (ontwerp: Karl-Ernst Hermann) lijkt zwierig en schaamteloos. Voss combineert vervolgens twee uur lang de fysieke instrumentaliteit van de volleerde slapstick-acteur met een eindeloze reeks onhandigheidstics, vol stille paniek. Alles naadloos vanuit de tekst. Voss danst, balanceert, hij bokst en copuleert, hij klimt in zijn tegenspeler, en probeert zich te verhangen, hij steekt zich in travestie, doet een mimeparodie van zijn eigen penis.
In de slotscene verstilt de brille in een troosteloos sterfbed. Zucker is dan blind en afgeleefd, Gloster en Lear ineen. Met een dode kat in zijn armen vertelt hij de nachtmerrie waar het allemaal om begonnen was, de nachtmerrie van het verraad. De droom ook waarin de ‘ik’-dromer en de gedroomde ‘ik’ twee figuren worden die elkaar voortdurend verbijsterd aanstaren. ‘Deze keer is de kloof tussen ons nog dieper dan het graf’ - Voss maakt van dat woord een oerschreeuw, er trekt een koude huiver door het Berlijnse auditorium.
Tabori in zijn ‘verjaardagsinterview’ met Andre Mu"ller in Die Zeit: ‘Wij theatermakers zijn vluchtenden. We redden ons in een soort utopie. Een theaterrepetitie is een korte afspiegeling van het ideale leven. Mensen ontmoeten elkaar. Ze hebben een gemeenschappelijk doel. Ze werken. Ze praten. En aan het eind is er niet de dood. Maar een premiere.’