Nicoline van der Sijs, Taal als mensenwerk: Het ontstaan van het ABN

Wie heeft «paard» bedacht?

Nicoline van der Sijs

Taal als mensenwerk: Het ontstaan van het ABN

SDU, 720 blz, € 54,50

De regel dat het «groter dan» en niet «groter als» moet zijn, is niet zo onwrikbaar. Ook al hebben we dat zo op school geleerd, het is een min of meer willekeurige afspraak waar je je niet strikt aan hoeft te houden als je wilt schrijven. Het Algemeen Beschaafd Nederlands is niet, zoals de rekenkunde, gebouwd op tegenspraakloze axioma’s, maar is ontstaan uit een reeks van historische en maatschappelijke toevalligheden, gelukkige en ongelukkige keuzes en alles wat er meer komt kijken bij het bouwen van een standaardtaal.

Taalkundige Nicoline van der Sijs stelt in haar nieuwe boek Taal als mensenwerk: Het ontstaan van het ABN steeds consequent een enkele vraag: wie heeft dat eigenlijk bedacht? Van wie moeten we «groter dan» zeggen en niet «groter als»? Waarom schrijven we wel «paard» met een d omdat het «paarden» is, maar niet «hij speeld» terwijl het «hij speelde» is? Waar zijn de naamvallen en de woordgeslachten gebleven? En ten slotte ook: wordt het niet tijd om de teugels eens wat te vieren en basisschoolkinderen niet meer op te zadelen met regels zonder enig draagvlak in het dagelijks taalgebruik?

Haar boek van zevenhonderd pagina’s is een goudmijn voor iedereen die in taal geïnteresseerd is. Ze behandelt niet alleen «groter als» maar ook het ontstaan van «ij» en «jij», de uitspraak van de letters van het alfabet, «de heren wordt verzocht», de zwaar overschatte invloed van de Statenvertaling, de geschiedenis van Nederlandse woordenboeken. Op grond van historische bronnen toont ze aan dat de invloed van het Zuid-Nederlands op de standaardtaal een mythe is die in de negentiende eeuw is ontstaan om de groot-Nederlandse gedachte te verspreiden en de juist afgescheiden Belgen te paaien. De invloed van het Duits op het Standaard-Nederlands is veel en veel groter geweest. Zelfs complete wederkerende voornaamwoorden werden vertaald: «hem» werd te verwarrend gevonden («hij wast hem»), en vervangen door «zich», regelrecht uit het Duits. Dat ziet men toch niet vaak.

En ze laat zien dat de gevierde Simon Stevin (men zegt Stévin, niet Stevín, merkt Van der Sijs in het voorbijgaan nog even op) de wetenschapstaal helemaal niet zo vreselijk heeft verrijkt met Nederlandse woorden. Meestal ging het om al bestaande woorden die een nieuwe betekenis kregen, of om nieuwe samenstellingen – echt nieuwe woorden zijn niet zo makkelijk te munten.

Maar wat Van der Sijs vooral wil laten zien, is dat het bouwen van een standaardtaal een buitengewoon dynamisch proces is geweest, waarin nu eens conservatieven, dan weer progressieven, nu eens rekkelijken, dan weer preciezen de overhand hebben gehad.

Met de uitvinding van de boekdrukkunst en de bloei van de handel ontstond de behoefte aan een vocabulaire, een spelling en een grammatica die niet alleen in Haarlem en Antwerpen, maar ook in Leeuwarden en Maastricht werd begrepen. Vaste regels bestonden niet en drukkers wilden toch enige omzet. Aan het begin van de zeventiende eeuw werden door schrijvers als P.C. Hooft en Vondel de eerste keuzes gemaakt. Aardig is hoe Van der Sijs de weifelingen bij bijvoorbeeld Vondel laat zien – in het begin van zijn carrière schreef hij nog «groter als», later neigde hij naar «groter dan» (hij kwam dan ook uit Duitsland).

In de achttiende eeuw krijgt de historische, om niet te zeggen conservatieve beweging de overhand. Er kwamen Middelnederlandse teksten beschikbaar, en vroeger was alles beter, dus de standaardtaal werd eerder ingewikkelder dan eenvoudiger. De taalkundige met het meeste aanzien was Balthasar Huydecoper. Hij stelde onomwonden dat de spelling van woorden afhangt van hun oorsprong – hoe beter men de etymologie zag, hoe mooier. Vandaar «ambt» en niet «amt», want het komt van «ambacht», zo bepaalde zijn navolger Siegenbeek. Aan Huydecoper zelf hebben we ook «groter dan» te danken. Hij keek wat Vondel en Hooft hadden gedaan, niet naar wat gebruikelijk was, en bepaalde in 1730 dat het «groter dan» moest zijn.

En naamvallen natuurlijk, het liefst zes zoals in het Latijn, maar uiteindelijk toch maar vier zoals in het Duits. In het gewone spraakgebruik waren naamvallen toen al volstrekt gefossiliseerd, maar in de schrijftaal waren ze nog verplicht en dreven, net als het woord geslacht, mensen tot wanhoop.

In deze tijd ontstond, zo laat Van der Sijs zien, ook de behoefte om mensen via de spelling netjes te laten praten. In de standaardtaal werden keuzes gemaakt voor bijvoorbeeld klinkers. Niet de Amsterdamse «ao» was beschaafd, maar de open «aa». Dat moest in de spelling tot uitdrukking komen, en het werd dus «aa». En «ei» en niet «aai». Het beschavingsoffensief, zouden sociologen zeggen, was in volle gang, en spelling en grammatica vormden belangrijke fronten.

Het gevolg van al deze geleerdheid was wel dat de schrijftaal sterk ging af wijken van de gesproken taal, en vooral dat gewone mensen geen behoorlijke zin meer op papier konden en dorsten zetten. Terwijl schrijvers als Bilderdijk en Ten Kate het nog mooi vonden om half Latijn te schrijven («eenes grooten mans»), kwam nu Multatuli op die – Van der Sijs citeert hem instemmend – zei: «Ik leg mij toe op ’t schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.» De spellingvereenvoudigers, onder leiding van de taalkundige Roeland Kollewijn, wonnen langzaam aan invloed. Kollewijn pleitte bijvoorbeeld al in 1890 voor afschaffing van de naamvals-n. Pas in 1947, bij de invoering van de vereenvoudigde spelling-Marchant, werd in Ne derland de naamvals-n bij mannelijke zelfstandige naamwoorden facultatief gesteld. Daarna «is er nooit meer iets van vernomen», schrijft Van der Sijs ironisch.

Inmiddels ligt de standaardtaal wel ongeveer vast – met andere woorden, die bestaat eigenlijk pas amper een halve eeuw. Van der Sijs is ervan overtuigd dat een standaard in ieder geval nu onmisbaar is en dat er ook eigenlijk niet zo veel mis mee is. Maar dat betekent niet, zegt zij multatuliaans, dat je er verder geen ideeën meer over mag hebben. De verhouding tussen «de vrouw met wie» en «de vrouw waarmee» ligt op het internet ongeveer 1 op 1 (in formele teksten, niet op weblogs en discussiegroepen). Het onderscheid tussen «hen» en «hun» leidt ook onder geletterden tot veel discussies, maar van «hun hebben» gruwen wij voorlopig nog. Er zal, denkt Van der Sijs, vooral weer meer variatie komen, net als aan het begin van de twintigste eeuw. De eendracht was van korte duur. Meer mensen dan ooit schrijven, en dat leidt onherroepelijk tot het ontstaan van nieuwe eigenaardigheden en vondsten en modes in de schrijftaal.