Opheffer

Wie heeft schuld?

Wie is hier te ver gegaan? Is de columnist te ver gegaan? Is daardoor het debat «vertroebeld»? Heeft het «ranzige vocabulaire» de aandacht afgeleid van de zaak? Of is door datzelfde vocabulaire de zaak juist opengebroken, aan de kaak gesteld? Is de politiek te ver gegaan door steeds maar weer subsidies te geven aan instituten die onze vernietiging op het oog hadden, of is de politiek te ver gegaan door juist te weinig aandacht te geven? Was het beleid te idealistisch, of juist te weinig? Hadden we de moskeeën moeten sluiten, of hadden we erop moeten aandringen dat ze meer opengegooid moesten worden?

Wie heeft schuld? Wie heeft er gelijk?

De toon van de vragen en de vragen zelf tonen aan dat we in verwarring zijn. Verwarring – je weet niet goed meer wat de woorden en de dingen betekenen. Het is iets wat ik bij mijn ouders heb waargenomen. Er was een vooroorlogs taalgebruik en een naoorlogs taalgebruik. Fatsoen en idealisme betekenden nog iets voor de oorlog, net als eer, vaderland, Indië, kolonialisme – zulke woorden hadden na de oorlog hun betekenis verloren.

Ik zie het nu weer. Gemeenschap, tolerantie, vrijheid van meningsuiting, scherpe polemiek, discriminatie – er is een bom onder tal van generalisaties gelegd, we hebben er even zovele slechte generalisaties voor terug gekregen.

En ondertussen lag mijn vriend daar.

Neergeschoten met een automatisch pistool, daarna neergestoken met twee messen, zijn keel was doorgesneden – en toen was de dader gevlucht. O ja, met een van de messen was nog een briefje op het lijk geprikt. Met welke woorden? Met een van internet bij elkaar geveegde diarree van middeleeuwse islam-retoriek die je niet eens goed kunt begrijpen als je geen arabist bent.

Van Gogh moest dood. Hij moet gevaarlijk zijn geweest. Maar waar was men dan precies bang voor?

Voor zijn kunst? Voor zijn films? Voor zijn woorden?

Misschien is dat wel het meest tragische.

De op zijn lijk gevonden brief was niet eens aan hem gericht, maar aan Ayaan Hirsi Ali.

Alsof je Ayaan dood zou maken door Theo te vermoorden.

Welke gedachte zat hier achter? Welke gedachte zat hier precies achter?

Het feit dat ik het eigenlijk niet weet, dat ik alleen maar vervelende vermoedens heb, betekent dat ik naïef ben.

Wie schrijft krijgt wel eens post. Meestal lieve brieven, maar er zit ook wel eens een brief van een gek tussen. Je ziet het meestal al aan de envelop. Daar zitten tekens op, een vreemd handschrift, merkwaardige teksten. Het is alsof de gek zich niet kon beheersen en nadat hij de brief in de envelop had gestopt nog door wilde gaan. Hij herinnerde zich nog iets, een bijbeltekst of een kalenderspreuk. Die brieven gaan regelrecht naar de prullenmand, want meestal word je geen wijs uit het geschrijf.

Toen ik de brief van Mohammed B. las, dacht ik: als ik zo’n brief had ontvangen, had ik meteen weer gedacht: een gek. En dat zou naïef zijn geweest. Want Mohammed B. schijnt wel degelijk iets te beweren, alleen heb ik het gereedschap niet om hem te begrijpen. Zoals hij het gereedschap niet had om ons te begrijpen. Onderwijs? Het was een Amsterdamse jongen. Goede opleiding gehad. Dezelfde die Theo had genoten. Net zo op zoek naar zijn identiteit als Theo op die leeftijd. Alleen niet gekozen voor taal en de taal van de film, maar voor de taal van het geweld. Het is zo duidelijk: zijn moeder was gestorven, en daar stond-ie: geen Marokkaan, geen Nederlander, dus nergens thuis, altijd, waar dan ook, ontheemd… Nou ja, dat is niet waar. Zijn broeders van een of andere fundamentalistische gemeenschap gaven hem een thuis. Sterker: ze gaven hem de mogelijkheid een held te worden…

Na de moord op Theo belde een krant of een radioprogramma mij op (ik ben vergeten wie en hoe) met de vraag of ik de moordenaar ooit zou kunnen «vergeven». Een vreemde, belachelijke vraag, maar goed. Ik wist trouwens niet precies wat werd bedoeld, maar ik voelde het wel zo ongeveer aan.

Ik antwoordde: «Wanneer Mohammed net zo’n geniale persoonlijkheid is als Theo, wanneer hij net zulke mooie films maakt, wanneer hij acteurs net zo kan inspireren, wanneer hij net zo levenslustig is, wanneer hij net zo veel humor heeft, wanneer hij net zo veel zaken in gang kan zetten, wanneer hij net zo charmant is, wanneer hij net zo krachtig is, wanneer hij net zo kan schrijven, wanneer hij net zo kan denken, voelen en analyseren, wanneer hij net zo idioot kan zijn, net zo absurd, net zo mooi kan dansen, kan lachen, kan treiteren, winden kan laten en kan boeren («Sorry, ik heb te snel gegeten») – misschien dat ik dan eventueel zou kunnen vergeven, maar ik denk het niet!

En dan de vraag: hoe nu verder?

Steeds weer die microfoon onder mijn neus met speciaal die vraag. Alsof ik, zijn vriend, ook maar enig besef daarvan had.

Het antwoord van de vrienden van Theo was: wij blijven strijden, maar met humor. Met ironie. Kwaadheid verborgen in een verneukeratief jasje. Mettertijd misschien met een kunstwerk, met een pamflet, met een polemiek, met een film of een roman – met wat ons eigen is.

Maar vooreerst houden we ons bezig met de vraag: hoe laat je kwaadheid bezinken?

Dat weet ik niet.