De moeizame schoonmaak van Nigeria

Wie helpt Ogoniland uit de olie?

Kinderen spelen in een mix van ruwe olie, water en zand. Vlak bij Bodo, Nigerdelta, Nigeria, 2011

De olievervuiling in Ogoniland is legendarisch. Uitzondering is het door Shell vervuilde gebied rond vissersdorp Bodo. Maar ook deze ‘blauwdruk voor de Nigerdelta’ dreigt te mislukken.

Begin oktober , aan het eind van twee zittingsdagen waarop Milieudefensie namens vier Nigeriaanse boeren de degens kruiste met Shell, komt de voorzitter van het gerechtshof met een laatste vraag voor de advocaat van Shell.

Twee dagen is het in deze zaak in hoger beroep gegaan over de vraag in hoeverre Shell aansprakelijk is voor de olievervuiling die de landbouwgrond en visvijvers van de boeren heeft verpest, waardoor ze niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Shell heeft elke aansprakelijkheid ontkend sinds het begin van de zaak in 2008, en de drie rechters zullen natuurlijk met hun vonnis komen, zegt rechter J.M. van der Klooster. Maar, wil hij weten, kan de Nigeriaanse Shell-dochter spdc intussen niet gewoon schikken met de vier boeren? Het olieconcern zegt steeds ‘niets liever te doen dan vervuilde grond helemaal schoon te maken’, wat volgens de boeren nog niet is gebeurd, vervolgt hij. ‘Waarom zegt u dan niet: laten we samen kijken wat we kunnen doen om dit uit de wereld te helpen?’

De advocaat van Shell blijft stil. Als Van der Klooster zijn vraag iets anders formuleert, neemt hij aarzelend het woord. Met een schikking met vier individuen ‘zijn we er niet’, zegt hij namens Shell. Want daarna zouden de drie gemeenschappen waartoe ze behoren bij Shell aankloppen. En dat wil het concern absoluut voorkomen.

Het past in het beeld dat bestaat van het optreden van Shell in Nigeria, waar het al decennia op grote schaal olie wint: het concern ruimt lang niet alle olievervuiling uit zichzelf op, en zeker niet volgens internationale standaarden. ‘Helaas komt Shell alleen serieus in actie als er een rechtszaak dreigt in het Verenigd Koninkrijk of in Nederland’, zegt ook Daniel Leader, mensenrechtenadvocaat van het kantoor Leigh Day in Londen. ‘Dat laat Bodo wel zien.’

Leader verwijst naar het vissersdorp in de Nigerdelta dat in 2015 wereldnieuws werd toen de inwoners ervan een historische schikking met Shell troffen. Shell aanvaardde de verantwoordelijkheid voor twee lekken in 2008 in de Trans Niger-pijpleiding vlak bij Bodo, waaruit talloze weken olie was blijven stromen.

Op voorwaarde dat werd afgezien van een rechtszaak beloofde het olieconcern 55 miljoen pond compensatie te betalen, te verdelen onder vijftienduizend gedupeerde gezinnen. Belangrijker nog was de belofte zo’n tweeduizend hectare rondom Bodo te ontdoen van olievervuiling, volgens internationale standaarden en begeleid door internationale experts, en honderden hectares mangrovebomen te planten. Kosten: minimaal 150 miljoen, mogelijk 500 miljoen dollar.

Advocatenkantoor Leigh Day onderhandelde met Shell over de schikking. Maar dat Shell en de inwoners überhaupt met elkaar in gesprek kwamen, dankte Bodo aan de bemiddeling door de Nederlandse ex-ambassadeur Bert Ronhaar en het door hem opgerichte Bodo Bemiddelingsinitiatief (bmi), dat Nederland subsidieerde met tot op heden 470.000 euro.

Bodo werd door de schikking dé grote uitzondering in de Nigerdelta. Nergens ter wereld is zoveel kwetsbaar mangrovewoud zo ernstig vervuild geraakt als rond dit dorp. Tegelijkertijd zijn er unieke omstandigheden voor herstel geschapen. Dankzij het beschikbare geld, de internationale expertise en de activiteiten van het bmi zou ‘Bodo’ kunnen uitgroeien tot lichtend voorbeeld voor de hele Nigerdelta, waarmee Shell kan laten zien dat het hem ernst is met zijn beloftes over het milieu. Maar zover is het nog niet. Eerst moeten tegenkrachten worden overwonnen, die baat lijken te hebben bij een mislukking. Dat is de les van vijf jaar gebakkelei en haperende pogingen de olie te ruimen. Terwijl het zo hoopvol begon, negen jaar geleden.

Een roodgeverfde tankwagen met schoon drinkwater rijdt door het dorp Nsisioken in Ogoniland. De bewoners, vooral kinderen, staan klaar met jerrycans en emmers om voorraden bij te vullen.

Het is september 2011, een maand nadat een baanbrekend rapport uitkwam van het VN-Milieuprogramma unep. Hierin werden decennia aan olievervuiling in Ogoniland, een gebied van duizend vierkante kilometer in de Nigerdelta, voor het eerst op wetenschappelijke wijze in kaart gebracht. Een van de bevindingen was dat vier van de vijf waterbronnen concentraties bevatten van het kankerverwekkende benzeen, die zeven- tot negenhonderd keer hoger waren dan wat de Wereldgezondheidsorganisatie (who) aanvaardbaar acht. Vandaar de tankwagens, als noodvoorziening.

Het rapport is somber en positief tegelijk. Opruiming van de vervuiling en herstel van het milieu in dit gebied in de Nigerdelta zijn zeker mogelijk, stelt unep. Het zal echter minstens dertig jaar duren en de eerste jaren een miljard euro vergen. De olieconcerns in het gebied moeten dat betalen. En die zijn daartoe bereid.

In een restaurant noemt Ferdinand Giadom, geoloog van de Universiteit van Port Harcourt, Nigeria, die aan het unep-onderzoek meewerkte, de vervuiling ‘veel groter dan ik me in mijn wildste dromen had kunnen voorstellen’. Dat komt doordat giftige koolwaterstoffen zich via het grondwater onverwacht ver hebben verspreid, via harde kleilagen in de bodem.

Het onderzoek verliep moeizaam omdat bij de bevolking een diep wantrouwen tegenover buitenstaanders heerst, een overblijfsel van de jaren negentig, toen de Ogoni in opstand kwamen om een groter deel van de oliewinsten op te eisen. Het militaire bewind had de opstand op bloedige wijze neergeslagen, waarbij honderden doden vielen, en had negen Ogoni-leiders laten ophangen, onder wie de bekende schrijver Ken Saro-Wiwa.

‘Als je ergens bodemmonsters wilt nemen’, vertelt Giadom, ‘moet je de eerste dag naar het dorpshoofd om over het onderzoek te vertellen. De tweede dag leg je alles uit aan de raad van ouderen. Als je geluk hebt‚ kun je de derde dag beginnen. En dan komt het voor dat boze jongeren om je heen gaan staan en vragen wiens belangen je dient. Daar kunnen jeugdleiders bij zitten die je een dag eerder medewerking toezegden.’

De unep-onderzoekers hadden hun werk echter kunnen afronden. Giadom is dan ook hoopvol over de toekomst. ‘Ik geloof dat het vermogen te veranderen deel uitmaakt van de mens’, zegt hij filosofisch. ‘De maatschappij kán veranderen.’

Voor het vissersdorp Bodo lijkt het optimisme dan nog voorbarig. Het dorp ligt aan een stelsel van kreken, baaien en eilandjes, vergeven van mangrovewoud, direct verbonden met de zee. De vijf, zes meter hoge bomen staan op hoge wortels waartussen vis, krabben en schelpdieren huizen. Door het verschil tussen eb en vloed van anderhalf tot twee meter komen de wortels bij laagwater droog te liggen, net als vele kreken en baaien. Wie zich waagt aan tropisch wadlopen, kan er een halve meter wegzakken in zacht zuigend slib.

De helgroene bomen zijn echter veranderd in zwarte, doodse staken sinds drie jaar eerder olie wekenlang uit de twee lekken in de door Shell beheerde pijpleiding was blijven stromen. Bij vloed wijzen de regenboogkleuren op het water op de aanwezigheid van olie, bij eb is overal zwarte drab zichtbaar, waaruit zwarte wortels van stervende of gestorven mangroven steken.

In het nabijgelegen dorp Goi, dat door weer een ander olielek was vervuild, laat Eric Dooh zien hoe hij en zijn buren vroeger vis kweekten: je damt een kreek af die met vloed volstroomt‚ waarna je het gat in het walletje dicht. In de visvijver die zo ontstaat laat je tilapia of andere vis een half jaar groeien‚ waarna je het water met eb door een net laat wegstromen naar een iets lager gelegen poel. De kleine vissen zwemmen door de mazen‚ waar ze verder groeien in de poel‚ de grote vissen kun je zo oprapen. Maar nu ligt de visvijver er doods bij, bedekt met een zwarte laag drab.

In het haventje vol smalle houten boten, de onderkant pikzwart van de olie, vertellen vissers hoe ze drie uur moeten varen voor ze met succes hun werpnetten kunnen uitgooien, terwijl ze vroeger voor de deur hun koopwaar vingen. Op de markt zie je wat er verder leeft in de kreken: krabben, penhorenslakken, oesters. Alleen komt dat nu allemaal uit Kameroen‚ tien uur varen met een supersnelle speedboot.

Vijf jaar gebakkelei en haperende pogingen de olie te ruimen. Terwijl het zo hoopvol begon, negen jaar geleden

In het Pius College in Bodo‚ een grote middelbare school‚ zitten in die weken medewerkers van het Londense advocatenkantoor Leigh Day in een zaal met een tiental tafeltjes met de getroffen bewoners de inkomstenderving en andere schade door te praten die ze naar eigen zeggen door de olievervuiling hebben geleden. Als voorbereiding op een rechtszaak tegen Shell. Bewoners zijn opgewekt over deze kans op verandering.

De familie van Eric Dooh had sinds generaties een viskwekerij, die is vernietigd door een lek in oliepijpleidingen van Shell. De familie daagt Shell voor de rechter. Bodo, 2011

Bert Ronhaar is dan de Nederlandse ambassadeur in Abuja. Voor zijn aantreden in 2010 had hij zich in Nederland door Amnesty en Milieudefensie laten voorlichten over de olievervuiling in de Nigerdelta. Van alle vervuilde plekken was Bodo het ergst, vertelden ze hem. Misschien kon hij er iets betekenen, had hij bedacht. Het zou meteen een mooie afsluiting zijn van zijn carrière; Nigeria was zijn laatste post. Zijn Haagse bazen reageerden afhoudend. Waarom zou hij zich ermee bemoeien, wist hij wel in wat voor wespennest hij zich stak? Minister Lilianne Ploumen wil mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen centraal stellen, bracht hij ertegenin. ‘Dan is het scoren voor open doel als Nederland er iets kan bereiken.’

Hij mag het proberen en merkt dat de verhoudingen verziekt zijn. De bevolking vertrouwt de Shell Petroleum Development Company niet, die als grootste werkgever in het verarmde gebied een enorme machtspositie heeft, terwijl de spdchem vertelt dat het totaal geen zin heeft om met de inwoners van Bodo te praten. Opruimen van de vervuiling interesseert hen niet, ze willen alleen geld claimen en stelen intussen de olie uit de pijpleidingen, zeggen lokale Shell-managers.

De oliediefstal, bunkering genaamd, en de illegale raffinage in het verlengde ervan, vormen de grootste plagen in de Nigerdelta, onder meer omdat het nieuwe olievervuiling veroorzaakt. Een beproefde methode is dat iemand een klein lek maakt in een pijpleiding, waarna de olie wegstroomt en Shell-medewerkers in de centrale controlekamer registreren dat de druk in de buis afneemt. Als volgens de protocollen wordt gewerkt, sluiten ze het bewuste deel van de pijpleiding en komt een team het gat dichten. Omdat er dan tijdelijk geen druk meer op de pijpleiding staat, kan de oliedief zonder gevaar voor explosies elders een gat boren met een doorsnee van 25 centimeter, waarop hij een grote kraan installeert. Als Shell vervolgens de pijpleiding weer opent, hoeft hij de kraan alleen maar te openen om olie af te tappen.

Ronhaar ziet er met eigen ogen voorbeelden van. Ook stuit hij op een lokale contractor van Shell, die ’s nachts olie steelt uit een pijpleiding, om overdag het lek in opdracht van Shell te dichten – wat Ronhaar rapporteert bij Shell, die de man ontslaat.

Maar het zijn lang niet altijd lokale criminelen die erachter zitten. Eén keer ziet Ronhaar een olietanker van honderdduizend ton liggen, in het volle zicht van Shell-installaties op Bonny Island, die zich laat volpompen met gestolen olie. Shell informeert het leger, waarna soldaten aan boord gaan. Een kwartier later ziet Ronhaar hoe ze er weer vanaf komen: ze zijn vanuit Abuja gebeld dat ze zich afzijdig moeten houden. Het was de tijd van olieminister Alison-Madueke, ‘zo corrupt als wat’, zal Ronhaar er later over zeggen.

Ronhaar laat zich echter niet afschrikken en zet het Bodo Bemiddelingsinitiatief op poten, via vele ‘open’ gesprekken met spdc-functionarissen, de bewoners van Bodo, lokale milieugroepen en met de traditionele leider van Bodo, John Berebon.

Die laatste blijkt een dwarsligger. Als Ronhaar zich meldt bij diens huis, ziet hij een man onder een auto liggen sleutelen. Een ander gaat hem en Inemo Samiama, zijn naaste bmi-collega, voor naar een grote kamer. Aan de ene kant zitten zes dorpsoudsten, aan de andere kant negen. Meer dan een uur blijven ze geduldig met Ronhaar wachten op de chief. Als die eindelijk komt, blijkt het de man te zijn die onder de auto lag.

Berebon gaat op een podium op zijn stoel zitten, iets hoger dan Ronhaar en Samiama, en zegt de bemiddeling alleen te steunen als hij er ‘een centrale rol’ in kan spelen. ‘We willen er financieel beter van worden’, zegt hij botweg tegen Ronhaar, terwijl de dorpsoudsten knikken. Een van zijn eisen is dat zijn eigen mensen aanschuiven bij het overleg, in plaats van de vertegenwoordigers uit Bodo die dan al zijn aangewezen om mee te praten. ‘Als je niet doet wat ik wil, zorg ik dat de olie niet wordt opgeruimd’, voegt hij toe.

Het is geen loos dreigement: ‘King’ Berebon kan jongeren met hakmessen en machinegeweren organiseren om de weg te versperren. Later overkomt dat twee bussen met vertegenwoordigers van bedrijven uit de VS, Canada, Europa en Nigeria, die de vervuiling willen zien vóór ze hun offertes voor de schoonmaakoperatie uitbrengen. Een kilometer buiten Port Harcourt stuiten de bussen op de jongens met kapmessen en moeten ze omkeren. Een aantal bedrijven ziet er vervolgens van af een offerte te doen.

Door Berebons gedrag loopt de bemiddelingspoging twee weken vertraging op. Uiteindelijk heeft in 2013 de eerste officiële vergadering plaats: zes mensen uit Bodo, zes namens de spdc, zes van lokale milieuorganisaties, en als zoenoffer aan King Berebon twee mensen uit zijn gevolg. In eerste instantie stralen de laatsten uit waar mogelijk obstructie te willen plegen. Maar gaandeweg draaien de twee bij en zien ze dat er ‘iets leuks’ gebeurt, in de woorden van Ronhaar. Ze worden betrokken en gaan ‘hun steentje bijdragen’.

Op de eerste vergadering houdt toenmalig managing director van de spdc Mutiu Sunmonu een speech waarin hij de steun van Nederland en de ambassade prijst. Eerder heeft hij Ronhaar al gezegd ‘alle vertrouwen’ in hem als persoon te hebben. Wel is er een conflict: Dan Leader is aangeschoven, als juridische vertegenwoordiger van de Bodo-gemeenschap. De afspraak is echter dat de gesprekken zonder advocaten plaatsvinden, om een ‘open sfeer’ te scheppen. Ronhaar schorst de vergadering en stuurt Leader weg.

Verbolgen wijst Leader op de spdc-delegatie, waarin een hoge functionaris zit van de juridische afdeling, die niet als zodanig was geïntroduceerd. Ook die stuurt Ronhaar weg, ondanks protesten van de spdc. Twee jaar later, jaren waarin Ronhaar elke zes weken naar Port Harcourt afreist, ook enige maanden vanuit Nederland na zijn pensionering, is de schikking rond.

Shell is hoofdverantwoordelijk voor gigantische olielekken. In K-Dere Jior hebben bouwbedrijven gelekte olie bedekt met zand. Oliebedrijven hebben oude pijpleidingen achtergelaten

In januari 2015 is de stemming euforisch. De Britse geoloog David Little, die had meegeholpen met de schoonmaak bij zo’n twintig olierampen, besluit om bij het project betrokken te blijven. In 1989 was hij ingeschakeld in Alaska na het ongeluk met de Exxon Valdez-tanker en daar had hij een methode helpen ontwerpen om relatief snel de mate van olievervuiling langs de oevers vast te stellen. Je graaft daarvoor een gat van dertig bij dertig bij dertig centimeter in de vervuilde grond en bekijkt na tien tot dertig minuten hoeveel olie en van welke categorie, vloeibaar of dikker, uit de randen van het gat is gelekt. Ideaal voor zowel een snelle nulmeting als om na de schoonmaakoperatie het succes daarvan te checken, legt hij uit in Bodo. De Duitse geoloog Kay Holtzmann wordt projectdirecteur voor de bmi-operatie en beoordeelt met Little en Ronhaar de offertes van bedrijven, de contractors, die de schoonmaak ter hand moeten nemen.

Maar de wittebroodsweken zijn snel voorbij. Holtzmann stuit op vreemde zaken. Is er één internationaal ervaren contractor geselecteerd die met kop en schouders boven de andere kandidaten uitsteekt, het oorspronkelijk Britse bedrijf Lamor, doemt er ineens een tweede contractor op die de schoonmaakwerkzaamheden ook zal uitvoeren. Dit bedrijf, inkas, is op de vierde plaats geëindigd bij de beoordeling van de offertes en blijkt in de praktijk incapabel. Als Holtzmann tijdens een vergadering om opheldering vraagt, reageert de verantwoordelijke spdc-vertegenwoordiger Philip Shekwolo woedend – al wordt erkend dat Holtzmann en Little gelijk hebben. Maar inkas blijft de schoonmaak uitvoeren, mede op verzoek van King Berebon, zegt Ronhaar zich later te herinneren.

Verder ontdekt Kay Holtzmann dat rekeningen die de contractors indienen één miljoen dollar te hoog zijn. Volgens de spdc, die alle kosten betaalt, is dat geen probleem. Holtzmann moet zich er niet mee bemoeien, krijgt hij te horen, hoewel rekeningen controleren toch echt bij zijn functie hoort. Holtzmanns voorstellen voor de opzet van de schoonmaakactie, in lijn met wat internationaal gebruikelijk is bij olierampen, stuiten op weerstand van de spdc-vertegenwoordiger. Zo kost het veel moeite om een plan voor een nulmeting erdoor te krijgen. ‘Te duur’, krijgt Holtzmann te horen. Hij vermoedt dat de Shell-dochter de uitslag vreest en al weet hoe bedreigend de stoffen in het water kunnen zijn voor de gezondheid.

‘In elk ander land zou de regering hebben gezegd: de vervuiler betaalt, en dan was de olie allang opgeruimd’

Uiteindelijk worden de bodemmonsters toch genomen. Maar in oktober 2015 loopt de hele operatie vast. Tweeduizend jongeren bestormen een kamp van de contractors en eisen dat de schoonmaak stopt. Vijftien jongeren die met Shell willen onderhandelen worden ‘uit hun huizen gehaald en bij de haven in elkaar geslagen’, zal Holtzmann in een evaluatie schrijven. Vier dagen later zegt een overgrote meerderheid van de bewoners tijdens een town hall meeting het vertrouwen in de hele schoonmaakactie op. Het gehele Bodo Bemiddelingsinitiatief treedt af.

Zijn indruk, schrijft Holtzmann, ‘is dat spdc vanaf het begin van plan was het hele proces te controleren’. Ronhaar, wiens werk na zijn pensionering niet meer door Den Haag betaald kan worden, is dan al enkele maanden teruggetreden. ‘Tweede man’ Samiama, afkomstig van een lokale ngo, is hem opgevolgd als voorzitter van het bmi.

Wie achter de intimidatie en de opstand zit, blijft schimmig. De vermoedens lopen uiteen van bendes oliedieven die niet willen dat hun lucratieve handel in gestolen olie wordt verstoord, tot lokale zakenmensen die vinden dat zij de schoonmaakcontracten hadden moeten krijgen, al misten ze de ervaring. Ook is er een machtsstrijd gaande tussen Berebon en diens broer. Holtzmann en Leader houden het op gebrek aan communicatie en onvrede over inkas, omdat dit bedrijf het schoonmaakwerk kwam doen met personeel van elders, in plaats van alleen in Bodo mensen in te huren. Dat zette kwaad bloed.

Terwijl de schoonmaak stilligt, komt een Zwitsers onderzoek naar de gezondheid in de Nigerdelta dat jaar met schokkende resultaten, die bevestigen wat Holtzmann vreesde. Baby’s die binnen tien kilometer van serieuze olievervuiling worden geboren hebben ruim twee keer zoveel kans te overlijden voor ze een maand oud zijn als andere baby’s, blijkt uit onderzoek onder twintigduizend moeders in de Nigerdelta. Dat gaat jaarlijks om duizenden baby’s.

Later dat jaar wordt de impasse in Bodo doorbroken en kan alsnog fase 1 van de schoonmaak beginnen: het opruimen van op het water drijvende olie en het uitspoelen met hogedrukpompen van de bovenste laag aarde en slib. Maar het gaat allemaal traag en de advocaten van Leigh Day krijgen geen informatie over de analyses van de bodemmonsters of over de voortgang.

Michael Cowing (60), de gerespecteerde Britse leider van het unep-onderzoek in Ogoniland in 2011, treedt in 2017 aan als projectdirecteur van het bmi. Achttien maanden later vertrekt hij alweer, deels uit frustratie over het gebrek aan vooruitgang. Hij heeft dan in elk geval bereikt dat procedures om contractors aan te nemen ‘zuiverder’ verlopen: malafide bedrijven zonder voldoende ervaring en expertise kunnen niet meer ingehuurd worden voor fase 2 van de schoonmaak.

‘We moesten twee keer dreigen naar de rechter te stappen om de olieopruiming weer op gang te krijgen’, zegt Dan Leader terugkijkend. ‘Pas eind vorig jaar begonnen ze serieus met fase 2, de schoonmaak van de diepere ondergrond. Ze kwamen tot elf procent van het hele gebied toen de coronaregels de operatie in maart stillegden.’ De informatievoorziening is nog steeds slecht, zegt hij. ‘Tot op de dag van vandaag weigeren Shell en het bmi cruciale informatie over de schoonmaak met ons te delen, waardoor we de gemeenschap niet goed kunnen adviseren.’ Leader vertelt ook dat schoonmaakteams van Bodo recentelijk zijn gestuit op een illegale pijpleiding van twee kilometer lang, waarvan de spdc niets bleek te weten. ‘De spdc bewaakt zijn pijpleiding slecht, om het zacht uit te drukken. Zoiets zou nooit gebeuren in de ontwikkelde noordelijke landen.’ Dat de oliedieven bij deze complexe operatie mogelijk hulp kregen van mensen binnen de spdc, zegt hij desgevraagd ‘niet te kunnen uitsluiten’.

Michael Cowing van unep hoopt nog steeds vurig dat Bodo een succes wordt. ‘Bodo is een testcase. Als Bodo een succes wordt, kan het een blauwdruk worden voor het opruimen van ingewikkelde olievervuiling en herstel van de natuur, zij het een dure. Maar als het mislukt, kan het mensen ervan overtuigen dat zo’n operatie geen zin heeft in gebieden als de Nigerdelta, met al zijn sociale en politieke problemen en zijn gebrek aan veiligheid.’ Een verklaring die rondgaat voor al het uitstel: hoewel een geslaagde schoonmaak en het herstel van Bodo goed zou zijn voor het imago van Shell, kan een mislukt Bodo andere gemeenschappen in de Nigerdelta afschrikken een vergelijkbare opruimactie te eisen. Wat Shell enorme bedragen zou schelen. ‘Dat is een overtuigende redenering’, zegt geoloog Ferdinand Giadom, die vanaf het begin deel uitmaakte van het bmi.

Giadom wordt alom geprezen om zijn diplomatieke gaven, flexibiliteit en geduld, maar halverwege vorig jaar was ook voor hem de maat vol. ‘Al die tijd, al die moeite die ik in het proces heb gestopt, zeven jaar van mijn carrière… Ik ging naar kerken, sprak met geestelijk leiders, met gemeenschapsleiders en met gewapende gangsters, omdat ik weet dat zij illegale raffinage kunnen tegenhouden. “We zijn allemaal afhankelijk van de Bodo Kreek”, zei ik ook tegen hen, “bescherm haar voor onze kinderen en kindskinderen.” Soms had ik succes. Dan beloofden ze het. Maar wat kreeg ik ervoor terug? Doodsbedreigingen. Op het eind had ik het gevoel dat alle moeite voor niets was. Ik ben zo bedroefd dat de operatie niet is verlopen zoals ik had verwacht. We hadden in Bodo zo veel verder kunnen zijn.’ Giadom wil Shell-dochter spdc niet vrijpleiten. ‘Maar de gemeenschap in Bodo had er bovenop kunnen zitten om te zorgen dat de operatie goed werd uitgevoerd. De spdc accepteerde aansprakelijkheid, we hadden hen alles kunnen laten doen wat we wilden. Maar de gemeenschap draaide zich om en saboteerde haar eigen toekomst.’

De neergang begon al met het vertrek van Bert Ronhaar, zegt hij. ‘Bert kon zeggen: ik ben de bemiddelaar, dit gaat gebeuren. En dan gebeurde het. Hij had gezag, ook omdat hij steun had van de Nederlandse regering. Samiama heeft dat gezag niet, de spdc kan hem beïnvloeden. Als Bert voorzitter was gebleven van het bmi, had Dan Leader de informatie gekregen die hij wilde en de notulen van alle belangrijke vergaderingen.’ De grootste schuld ligt misschien bij de Nigeriaanse regering, zegt hij. ‘In Bodo stroomde meer olie de natuur in dan bij de ramp met de Exxon Valdez. In elk ander land zou de regering zijn opgesprongen en hebben gezegd: de vervuiler betaalt, en dan was de olie allang opgeruimd. In Nigeria gebeurt dat helaas niet.’

Hoezeer de regering het laat afweten blijkt uit No Clean-up, No Justice, een rapport over heel Ogoniland van Amnesty International, Friends of the Earth International en Milieudefensie, dat in juni dit jaar verscheen. Van alle beloftes die de regering én de oliemaatschappijen in 2011 deden bij de verschijning van het vermaarde unep-rapport is zo goed als niets terechtgekomen. Zelfs een netwerk van pijpleidingen met schoon drinkwater voor bewoners van Ogoniland is niet aangelegd. Terwijl er wel geld is: de olieconcerns en de Nigeriaanse regering hebben 360 miljoen dollar in een speciaal fonds gestort.

Een van de oorzaken is de inertie van het bestuursorgaan dat de schoonmaak moet uitvoeren, het Hydrocarbon Pollution Restoration Project (hyprep), dat verzandde in corruptie en wanprestatie. Zo werden de lokale bedrijven die het inhuurde voor schoonmaakwerkzaamheden niet degelijk gescreend, terwijl de meeste onervaren waren. ‘Vele contractors hebben gewoon wat materiaal gedownload van internet voor hun offerte, en dienden ook vervalste documenten in. Toch kregen ze hun contracten, in dit belangrijke internationale en gevoelige project’, mailt een bonafide contractor eind augustus.

Toch doet de Nigeriaanse regering wel iets. Zo riep ze begin vorig jaar de hulp in van de VN om de schoonmaak vlot te trekken. Cowing werd gevraagd het unep-team met deze taak te leiden, waar Giadom inmiddels ook weer werkt. ‘Eind dit jaar hebben we de eerste fase afgerond. Zodra we goedkeuring van de regering hebben, kunnen we hyprepweer op de rails krijgen, en het vertrouwen terugwinnen van de Ogoni’s’, zegt Cowing.

Een serieuze schoonmaak kan pas plaatshebben als er een eind komt aan de bunkering en de illegale raffinage. ‘Dat is nooit aangepakt, terwijl de omvang ervan sinds 2011 is verdubbeld of verdrievoudigd.’ Giadom denkt aan een out of the box-oplossing. ‘Ik zeg: geef de jongens die illegale raffinaderijen runnen een vergunning, stel ruwe olie beschikbaar tegen een redelijke prijs en laat ze diesel maken met moderne apparatuur, zo ontworpen dat ze het milieu en de gezondheid niet schaden. Iedereen blij, want het land heeft behoefte aan diesel.’ Hij benadrukt ‘op persoonlijke titel te praten’, dit is geen unep-standpunt.

Reactie Shell

Shell ging niet in op een verzoek voor een interview met betrokkenen. Een woordvoerder van Shell-dochter SPDC liet weten dat de verwijdering van de olie op het wateroppervlak rond Bodo ‘begin dit jaar’ is voltooid. Verdere ‘sanering was aan de gang, met de inzet van ruim achthonderd lokaal getrainde medewerkers, evenals de aanpak van uitdagingen op het gebied van hervervuiling veroorzaakt door oliediefstal en andere illegale activiteiten’, toen alles in maart werd stilgelegd vanwege de coronamaatregelen. Begin november is de schoonmaak hervat die ‘als er niets tussen-komt’ op zijn laatst halverwege 2023 is afgerond. ‘Met het Bodo Bemiddelingsinitiatief blijven we ons volledig inzetten voor het afronden van het sanerings- en herstelplan’, aldus de verklaring.

Apart onderzoek naar de gezondheid van de bewoners in Bodo en de waterkwaliteit van het drinkwater wijst de SPDC af. Die ‘belangrijke kwesties’ worden al aangepakt door HYPREP, aldus de verklaring. Als het Bodo Bemiddelingsinitiatief zich ook zou bezighouden met de volksgezondheid, zou dat ‘dubbel werk’ betekenen ‘en de aandacht afleiden van de bodemsaneringswerkzaamheden’.

De schoonmaak in Bodo kon pas in november worden hervat, het herplanten van vijfhonderd hectare mangrovebos is nog ver weg, toch blijven Cowing en Giadom geloven dat een schoon Ogoniland haalbaar is. ‘Ik heb in bijna zeventig landen gewerkt en zonder twijfel is Nigeria de moeilijkste plek van allemaal’, zegt Cowing. ‘Maar na vijftien jaar in de Nigerdelta kan niets me meer verrassen. Er is een enorm milieuprobleem, met allerlei lagen vol politieke en sociale problemen. Maar als het je lukt die lagen af te pellen, en als je dan met iets komt wat werkt, zal dat enorm veel voldoening geven.’

Kijk naar wat wel is bereikt in Bodo, zegt Giadom: de eerste fase is afgerond, de op het water drijvende olie is opgeruimd. Maar liefst twaalfhonderd jongeren uit Bodo zijn getraind in het opruimen van olie, die nu elders voor dit werk kunnen worden ingehuurd. Verder heeft de ‘snelle’ procedure om vervuiling te meten zich bewezen, een procedure die overal in West-Afrika kan worden ingezet. ‘Alle gemeenschappen in de Nigerdelta kunnen van Bodo leren, zeker ook van onze fouten’, zegt Giadom. ‘En zelfs als Bodo mislukt, is dat voor andere vervuilde gemeenschappen geen reden van rechtszaken af te zien. Shell is gevoelig voor de strong arm-tactiek. Dus pas je die toe.’


Het Haagse gerechtshof doet op 29 januari uitspraak in de zaak van Milieudefensie en vier Nigeriaanse boeren tegen Shell. Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten