Wie hier binnengaat

Jacques Hamelink, Germania, een canto . € 24,95

Jacques Hamelink, Germania, een canto . € 20,00 (e-book)

De sneeuw ligt en licht. Men ervaart dat
alle lampen een armoedig schijnsel geven.

Op de ijzeren stoelleuning der dame streek
haar de koperwiek neer wordt gerapporteerd.

Van verdwenen een tegenwoordigheid; nimfe
grafje onder een pioen uit wit vilt geknipt.

Tegen de sneeuw brengt men niets in. Slechts de
sneeuw wijst. Om te beginnen, een heilige worden.

Honderd gedichten telt de nieuwe bundel van Jacques Hamelink (1939), elf reeksen van negen gedichten, gevolgd door een envoi. Alle gedichten bestaan uit vier strofen van twee regels, een vorm die Hamelink aan de Chinese klassieken heeft ontleend, en die hij de afgelopen tien jaar consequent heeft toegepast. De dame van de tapisserie (2007) had precies dezelfde structuur als Germania, dat veelzeggend ‘een canto’ als ondertitel draagt: Dante’s Goddelijke komedie is immers eveneens uit honderd canto’s opgebouwd. Hamelink is een systematisch dichter, die structuur tracht op te leggen aan een krankzinnig complexe wereld waarin ieder detail, iedere zandkorrel, iedere molecuul een functie heeft, al weten we doorgaans niet welke. De bijna dwangmatige ordening slaagt er niet in de baaierd te beheersen, maar maakt het wel mogelijk er betekenis aan te geven. Het ondoorgrondelijke krijgt zin.
De verwijzing naar Dante, en via hem ook naar Ezra Pound, waarschuwt de lezer bij voorbaat: wie hier binnengaat, dient in eerste instantie alle hoop te laten varen. Inderdaad kunnen de vier reeksen waarmee het boek begint, opgevat worden als een tocht door de hel. Daar staat aan het einde van de bundel een 'Paradiso Terrestre’ tegenover, dat weliswaar niet buitengewoon paradijselijk is, maar toch een vorm van schoonheid en sereniteit biedt. Tussen beide hoekdelen vinden we een hommage aan Hölderlin. Blijkbaar wordt de lectuur van zijn werk geacht een loutering tot stand te brengen.
Hamelink speelt, zoals alleen al de structuur van de bundel laat zien, een ernstig spel met de culturele traditie. Die traditie omvat voor hem ongeveer alles wat de mensheid aan belangwekkends heeft voortgebracht, van Homeros tot Baudelaire, van Du Fu tot Hans Faverey, van Praxiteles tot Vincent van Gogh, van Genesis tot Mohammed. Gelukkig heeft Hamelink wel de gewoonte per bundel bepaalde cultuurgebieden boven andere te benadrukken. In Germania gaat het vooral om de Germaanse traditie. Edda en Nibelungen, Hölderlin en Hadewijch, het veenlijkje van Yde en het gebulder van Hitler vertellen gezamenlijk het verhaal van een mensheid die in zekere zin nooit iets geleerd heeft. Iedere generatie is gedoemd dezelfde problemen te veroorzaken en op te lossen. Hoe gaan we om met de liefde, met God die nooit thuis geeft, met agressie, en vooral met dood en verlies? Daarom blijven de profeet Elisa, met wie de bundel begint, de Onnozele Kinderen die op 28 december herdacht worden, de sjamaan Väinämöinen uit de Kalevala en de mysticus Jan van Ruusbroec tijdgenoten die ons iets te leren hebben.
In een treurzang om de Twin Towers zegt Hamelink: 'Mijn lief redde van haar/ hortensia’s 2001 argeloos treurboeketten de elfde september; die heugt mij// om de okervlerken van op strijklicht zeilend de havik en omdat ik, geraakte/ stad en Broadway, in tranen om je was en mijn hart het nog is en zal wezen.’ De dichter verbindt de wereldgeschiedenis met het intieme. Sterker dan in vorige bundels laat Hamelink te midden van al het intertekstuele vuurwerk zijn eigen geschiedenis meeklinken. De bezetting en bevrijding van Zeeuws-Vlaanderen, kinderen die op het schoolplein onder een kastanjeboom zonder het te weten oeroude vruchtbaarheidsrituelen uitvoeren, een moeder die in de zomervakantie lokalen schoonboent, het zijn krachtige, hier en daar ontroerende beelden die opgeroepen worden, en die door de cultureel zwaarbeladen context tot archetypische scènes uitgroeien. Nadat moeder bijvoorbeeld de vloeren van het schoolgebouw in de was heeft gezet, worden de lokalen weer ingericht, maar de kleine Hamelink weet niet door wie, en vermoedt er de hand Gods in:

Haar geheime hulp heeft de banken herzet. Ze glanzen van het mahoniewoudige
van oeraanvang. Windasem over het veld en zielen, met de schaaf vlakgemaakt.

Een meesterlijk, volop rijmend miniatuurtje eert de nagedachtenis van Rowena Rikkers, 'het meisje van Nulde’, dat in 2001 op vierjarige leeftijd werd vermoord:

De onnozelen zijn apartgesteld. Missen
niet mistelgroen. Zijn zonder schulden.

Meteoriete vocalises tegen zwart hemelgruis,
geen oorschelp die die zanglijnen vervulden.

De liturgie als de sterren is over het over de vis-
wateren verdeeld osiriskind, rompje van Strand Nulde.

Ooitontsprongenzijn blijvende evenwel brengt in
het kiemwit dousa sabor aan de onthevenen hulde.

Hoewel wat hier staat ook bij herhaalde lezing niet al zijn geheimen prijsgeeft, is het duidelijk dat het gemaltraiteerde lijkje hoopgevend in verband wordt gebracht met de Egyptische vruchtbaarheidsgod Osiris, terwijl de 'dousa sabor’ (zoete smaak) in de laatste regel ontleend is aan een liefdeslied van de twaalfde-eeuwse troubadour Bernart de Ventadorn. Meteorieten aan de nachthemel zingen een onhoorbare hymne. Zo speelt ook dit schuldeloze kind haar onontbeerlijke rol in de goddelijke komedie.

Jacques Hamelink
Germania, een canto
Querido, 172 blz., € 24,95