The Man Booker Prize 2015

Wie is er bang voor Anne Tyler?

Anne Tyler zoomt ver in op een familie. Maar hoeveel intimiteit we ook door anderen over ons uitgestort krijgen, toch hebben we nooit enig idee. Een naast familielid is niet meer of minder kenbaar dan de toevallige jongen naast je in de trein.

A Spool of Blue Thread, in het Nederlands uitgekomen als De blauwe draad, is in feite de geschiedenis van een huis. In andere handen dan die van Anne Tyler een gevaarlijke exercitie: voor hij het weet denkt de schrijver een metafoor te pakken te hebben. Bij Anne Tyler is een huis gelukkig ook echt een huis, en omdat we de bouwer van het huis volgen weten we precies welke ramen erin komen, hoe de verdeling van de kamers is, waar de ingebouwde kasten staan, zelfs weten we welke verf er gekozen wordt om de veranda te doen schitteren, en vooral: de schommelstoel daarop. Al die gegevens brengt Tyler op het juiste moment in stelling, namelijk als we al geïnteresseerd zijn geraakt in de bewoners, zo niet van ze zijn gaan houden, en geen genoeg kunnen krijgen van hun levensdetails.

De blauwe draad begint – heel klassiek – met een onrust zaaiend telefoontje. Red en Abby worden laat op de avond gebeld door hun zoon Denny. Red neemt op, Abby moet machteloos toehoren hoe haar man het nieuws aan de andere kant van de lijn verwerkt.

‘Hoe bedoel je?’

‘Wát?’

‘Wat krijgen we nou?’

‘Hallo?’

‘Wacht. Hallo? Hallo?’

Ondertussen heeft Abby haar armen al laten zakken.

Binnen de luttele regels van één pagina is duidelijk dat Denny het zorgenkind is, zoals ieder gezin daar eentje van heeft; hoe lang dat kind al geen kind meer is, uit huis wonend bovendien, maakt helemaal niets uit. Wat het kind deze keer te melden had?

‘Hij zegt dat hij homo is.’

‘Wát?’

‘Hij zei dat hij iets moest vertellen: hij is homo.’

‘En dan hang jij zomaar op?’

Het geestige is, en dit is niet echt een plotspoiler, dat dat hele homo-zijn van Denny verder nooit meer ter sprake komt. Wel blijkt hij opeens een kind te hebben, zoals hij ook vroeger al een keer getrouwd blijkt te zijn geweest, en kan hij na jaren niks van zich te hebben laten horen op de stoep staan om voorlopig niet meer weg te gaan. Zijn beide zussen, en zijn ene broer die niet echt een broer blijkt te zijn, hebben het maar te pikken: tachtig procent van de aandacht van hun ouders, zo niet meer, gaat naar degene die zich altijd onmogelijk en onbetrouwbaar heeft gedragen.

Ik merk dat het lastig is om op een niet-defensieve manier over het werk van Anne Tyler te schrijven. En wat dat dan is?

Familiebetrekkingen, daarom draait het in deze roman. En om het huwelijk. Red en Abby zijn al een eeuwigheid samen; hun huwelijk is meer solide dan zij zelf. Abby begint aan geheugenverlies te lijden, en Red wordt gewoon oud. Als de ene, geadopteerde, zoon besluit bij hen in te trekken, vergezeld van zijn vrouw en kinderen, zodat hij ze in de gaten kan houden, wekt dat de jaloezie op van de andere zoon, Denny. En zo zijn we weer terug bij het startpunt: ‘Je wordt ’s ochtends wakker, je voelt je goed, maar opeens denk je: er is iets. Er is ergens iets mis, maar wat? En dan weet je weer dat het je kind is – het kind dat ongelukkig is.’ Tegelijkertijd is er helemaal niets opmerkelijks aan dat feit. Het is geen drama. Het is het leven.

Medium ann tyler color 2

In vier afzonderlijke delen trekt Tyler de geschiedenis op van de familie Whitshank. Een heel gewone familie, zoals de alwetende verteller niet nalaat te benadrukken. In snelle zinnen krijgen alle leden kleur, geschiedenis, smaak; er zijn verlangens, ambities en dromen, er zijn obstakels, wrijvingen en teleurstellingen. ‘De teleurstellingen leken echter aan de aandacht van de familie te ontsnappen. Dat was ook weer zo’n eigenaardigheid van hen: ze hadden de gave te doen alsof alles perfect in orde was. Maar misschien was dat helemaal geen eigenaardigheid. Misschien was het gewoon een bewijs te meer dat de Whitshanks in geen enkel opzicht opmerkelijk waren.’

Tyler geeft deze heel gewone familie onverdacht dramatische contouren door terug te gaan in de tijd. In het eerste deel draait het om de oude ouders, omringd door hun kinderen en kleinkinderen. In het tweede deel beginnen we met een jonge Abby, eind jaren vijftig, die op het punt staat Red te leren kennen. We zien door haar ogen het gezin waaruit Red komt, zijn ouders, Junior en Linnie, en hoe de mensen die zo’n grote rol gaan spelen in haar leven langzaam gecorrigeerd lijken te worden in haar blik.

‘Hij is een beter mens dan je denkt, beste Abby’, merkt Linnie op over haar eigen man.

‘Hm.’

In het derde deel volgen we het pad verder terug, en krijgt die man, Junior Whitshank, contouren, we zien hem langzaam zijn droomhuis gestalte geven, hoe hij boven zichzelf probeert uit te stijgen maar nooit bedacht kan zijn op een stoorzender van het formaat van de veel jongere Linnie, met de intens bleke ogen. ‘Ze stond te dicht bij hem en hield haar gezicht naar hem opgeheven. Hij voelde de warme wasem van haar adem en rook haar slaapgeur. Haar haar zag er vies en ongekamd uit en ze had een rode neus.’ Het is de start van weer zo’n huwelijkse geschiedenis tegen wil en dank, met een grote rol voor afweer, toeval, murwte. Wie krijgt wie uiteindelijk op de knieën? Is het Linnie, die jarenlang wacht tot ze meerderjarig is en haar ouderlijk huis kan ontvluchten om Junior terug te vinden in de grote stad, of is het Junior die in haar koppigheid zijn meerdere moet erkennen, gesymboliseerd door de kleur van de schommelstoel op de veranda?

In het vierde, laatste deel zijn we terug bij zorgenkind Denny, en het huis dat nu voorgoed verlaten dreigt te worden door de Whitshanks. Denny blijkt in zoverre de onverhoeds betrouwbare factor dat hij er weer op een onverwacht, en ongewenst, moment tussenuit piept, zijn familie in volstrekte onwetendheid achterlatend over waar en met wie hij ‘echt’ bezig is. Zoveel intimiteit als we over ons uitgestort hebben gekregen, op de laatste pagina lijkt Tyler te zeggen: je hebt nooit enig idee. Een naast familielid is niet meer of minder kenbaar dan de toevallige jongen die naast je zit in de trein. Huilt hij? Probeer hem met rust te laten.

Je moet er denk ik oog voor hebben, maar het is een keiharde boodschap van een roman die zich voordoet als door en door menselijk. De bedrieglijk lichte vertelstijl in combinatie met de grillige compositie, de behendige wisseling van perspectief, de overmaat aan details en dan toch ook de suggestieve leemtes, maken dit een roman die tot meer lezingen uitnodigt. Terecht dus dat Anne Tyler met De blauwe draad is genomineerd voor de Booker Prize, en toch mag het wel in de krant. Allereerst omdat het haar twintigste roman is, en de uitverkorenheid van juist déze, hoe fantastisch hij ook weer is, voelt als een random keuze. Tegelijkertijd: de Booker is nog maar sinds twee jaar ook ‘opengesteld’ voor Amerikaanse schrijvers, dus een eerdere nominatie was ook niet mogelijk geweest. Maar er is nog iets anders ook, dat zich niet zo makkelijk onder woorden laat brengen.

In het gezelschap van de andere genomineerden, werelds, postmodern, geëngageerd, jong, grotesk, voelt Tyler bijna huisbakken aan. In het voorgaande heb ik mijn best gedaan deze roman van Anne Tyler te beschouwen als een roman die op zichzelf staat, omdat ik een schrijver die al vijf decennia constante kwaliteit levert niet for granted wil nemen. Sowieso merk ik dat het lastig is om op een niet-defensieve manier over het werk van Anne Tyler te schrijven.

En wat dat dan is? Er kleeft iets vrouwelijks aan haar werk, en dat is literair gezien nooit goed nieuws. Voor je het weet ben je de queen of the domestic novel, of de grand old lady van de letteren, zoals Hella Haasse bij ons altijd werd genoemd, een zogenaamde eretitel die zijzelf verafschuwde. En terecht: literatuur kent geen leeftijd, geen sekse, geen kleur. Idealiter dan.

Wie kan zo unverfroren sentimenteel zijn zonder dat het gaat jeuken? Het is waarschijnlijk zoals John Updike in een stuk over haar schreef: haar proza heeft iets ‘waarlijks’. Wat iets anders is dan iets zoetsappigs, of vrouwelijks. Je denkt te weten wat je krijgt bij haar, en toch is het nooit helemaal dat. Dat huis dat centraal staat in De blauwe draad, natuurlijk is het óók een metafoor, voor het verglijden van de tijd.

Wat Jonathan Franzen over Alice Munro schreef, in een inleiding op haar verhalen, geldt precies zo voor Anne Tyler: ‘Haar onderwerp is mensen. Mensen mensen mensen.’ Op de een of andere manier wordt dat weerspiegeld in de auteursfoto, zoals Franzen ook opmerkt over die van Munro. Beide grote schrijvers tonen zich op de achterflap van hun boeken steevast vriendelijk glimlachend. Ze nodigen hun vriendinnen uit op de thee lijkt het, in plaats van dat ze met een onbewogen of chagrijnige blik geen twijfel laten bestaan over de grimmigheid van de wereld en de zwaarte van hun intenties. Laten we het erop houden dat dat een vorm van impression management is waarom zij niet anders kunnen dan lachen.

De jury zegt dat ze het er niet om heeft gedaan – de Booker Prize is er puur en alleen om de beste Engelstalige fictie te belonen – maar de shortlist had niet diverser kunnen zijn. Jamaica, Nigeria, Londen, New York, Baltimore, India – zo benijdenswaardig groot is het Engelse taalgebied nu eenmaal. Globalisering en immigratie zijn de belangrijkste actuele thema’s van de genomineerden, met op de achtergrond de universele thematiek van vriendschap en familie, leven en dood. Romans om bij te huilen en te huiveren, en soms een beetje te gapen, zoals onze dichters denkers op de komende bladzijden laten zien. En wie ’m gaat winnen? De bookmakers houden ’t op het epische A Little Life, van Hanyia Yanagihara. Op 13 oktober weten we het.