Wie is er bang voor de islam

De islam is een ‘religie voor nomaden en struikrovers’ en het moslimfundamentalisme is ‘de voornaamste bedreiging van de vrede en veiligheid in de wereld’. Zo heet het in de volksmond, maar vooral in de westerse studeerkamer. De Verlichting sinds Voltaire spreekt een taal van de vrijheid die vaak neerkomt op de taal van de brandstapel.

TER GELEGENHEID van een recent bezoek van de Brits- Indiase schrijver Salman Rushdie aan de Verenigde Staten sprak zijn Amerikaanse collega William Gass een rede uit, waarin hij de islamitische tegenstanders en vervolgers van de auteur als ‘onwetend en ver gepeupel’ aan de schandpaal nagelde. Hij schilderde het tafereel van de samenleving waarin dit gepeupel volgens hem gedijt: een samenleving van wrede stammen en grootfamilies die volledig in de ban zijn van vaderlijk gezag, bloedbanden, gedachteloos overgeleverde tradities en vreugdeloos materialisme. Kortom, een antropologisch gruwelkabinet.
Elke geografische aanduiding van deze samenleving ontbrak (Gass doelde wellicht op Iran) maar er ging kennelijk een haast onzegbare bedreiging voor de menselijke beschaving van uit. 'Zullen we toestaan dat de volledige grondslag van al het goede leven en alle schone kunsten wordt bezoedeld en zelfs verwijderd door naargeestige fanatici, door misleide dwazen, door lieden die zeker weten dat ze hun plaats naast God zullen kwijtraken als ze ons, anderen, niet van de tafel kunnen weghouden?’ aldus Gass.
De lezing was bedoeld als een blijk van solidariteit met Salman Rushdie, maar de verbouwereerde lezer of toehoorder kan niet anders dan concluderen dat Gass geen flauw benul had waarover hij sprak. Als hij zich ook maar een ogenblik in de affaire had verdiept, zou Gass hebben geweten dat het protest tegen Rushdie’s boek De duivelsverzen begon onder islamieten in Engeland - bij wijze van spreken naast de voordeur van de schrijver, en zelfs binnen zijn vriendenkring, die hoe dan ook niet tot het 'onwetend en ver gepeupel’ van deze wereld mag worden gerekend. Het is kenmerkend dat de schrijver 'hulp’ krijgt van mensen zoals Gass die in het geheel niet in zijn lot of in de aard en de beweegredenen van zijn tegenstanders zijn geinteresseerd maar kennelijk heel andere motieven hebben.
GASS GIET ZIJN overwegingen althans nog in een min of meer literaire vorm. De schrijver Anthony Burgess schold de Britse islamieten al meteen bij het begin van de affaire uit voor 'nazi’s’ en sprak de hoop uit dat ze allemaal zouden ophoepelen naar het Iran van Khomeiny. De Britse pers stortte zich met openlijk genoegen en nauwverholen racisme op de Rushdie-affaire. De aanvankelijke veroordeling van een groepje islamieten in Bradford dat exemplaren van De duivelsverzen had verbrand, groeide uit tot een veroordeling van alle islamieten in Engeland, daarna van alle islamieten en ten slotte van de islam als zodanig.
De feministe Fay Weldon ontpopte zich van de ene op de andere dag als islamkenner en had blijkbaar ook een appeltje met de profeet te schillen: 'Wie van ons heeft nog de moed om te verklaren wat we geloven? Bijvoorbeeld dat de bijbel als openbaring superieur is aan de koran - of in elk geval een zachtmoediger, interessanter, minder wraakzuchtige God openbaart, die de moeite waard is om te bestuderen en te aanbidden? (…) Een die je kunt interpreteren? Alles wat je met de koran kunt doen is hem uit het hoofd leren.’
Voor Rushdie was het allemaal niet erg helpful. De religieuze banvloek, de fatwa die de Iraanse leider over hem uitsprak, is nu meer dan vijf jaar oud en je vraagt je soms af wie er bij de hele affaire het meest baat heeft. De schrijver in elk geval niet. Ondanks alle hatelijke en stuurloze protesten van zijn medestanders is er in zijn positie helaas weinig verandering gekomen. En hoe kwalijk de fatwa tegen Rushdie ook is, zolang we zijn tegenstanders afdoen als 'nazi’s’ en 'onwetend en ver gepeupel’ zal die verandering ook beslist niet intreden.
Integendeel, de Rushdie-affaire dreigt volledig op te gaan in een bredere campagne tegen de veronderstelde dreiging van de fundamentalistische islam, waarin oneigenlijke motieven en politieke stemmingmakerij de boventoon voeren. Een voorbeeld van het laatste is de Amerikaanse publiciste Claire Hollingworth, die eind vorig jaar in een artikel in de International Herald Tribune onder de veelzeggende titel 'Een nieuw despotisme wil het Westen infiltreren’ alle registers opentrok: 'Het islamitisch fundamentalisme is hard bezig de voornaamste bedreiging te worden van de vrede en veiligheid in de wereld. (…) Deze bedreiging is verwant aan die van het nazisme en het fascisme van de jaren dertig, en die van het communisme van de jaren vijftig.’
HET IS ECHTER te gemakkelijk om alle veroordelingen van de islam toe te schrijven aan het verlangen naar een nieuwe vijand of een nieuwe Koude Oorlog tussen de westerse en islamitische wereld. De achterliggende gevoelens en angsten werden al lang voor de val van de Berlijnse Muur geuit en grijpen terug op eeuwenoude vooroordelen over de islam. Ook in ons land leven die vooroordelen al sinds de middeleeuwen. Jacob van Maerlant voert in zijn Spieghel Historiael de profeet als 'Mahomet den valschen dief’ ten tonele. De aaneenrijging van Europese beschuldigingen en verdachtmakingen aan het adres van de islam in de afgelopen honderd jaar is door orientalisten als Daniel, Rodinson en Brugman gelukkig uitvoerig gedocumenteerd, zodat we de hardnekkigheid en continuiteit ervan kunnen onderkennen.
Ook linkse coryfeeen maakten zich tot voor enkele jaren trouwens schuldig aan uitlatingen waarvoor vertegenwoordigers van CD en CP'86 tegenwoordig zware boetes krijgen opgelegd. Anton Constandse schreef in 1980 in De Nieuwe Linie over de islamitische gastarbeiders in Nederland: 'Men moet zich eens indenken, welke getto’s er zullen ontstaan van verouderde en voor ons gevaarlijke immigranten, als we niet alleen hun gruwelijke slachtgewoonten aanvaarden, maar ook hun discriminatie van vrouwen, hun patriarchaal- autoritaire aanmatiging, hun onderwerping van kinderen, hun stamveten.’ En de schrijver Theun de Vries vond 'dit ongelukkige mensensoort’ met zijn 'religie voor nomaden en struikrovers’ een ramp voor de Nederlandse bevolking.
Zoals gewoonlijk zijn zulke uitlatingen afzonderlijk niet allemaal onjuist en beledigend, maar het cumulatief effect is dat wel. Tegen de demagogische achtergrond van verhalen over een islamitische 'volksverhuizing’ (de uitdrukking die Bolkestein en Le Pen gebruiken), de dreiging van een 'Islamitische Internationale’ of een 'Groen Gevaar’ (termen uit de koker van Amerikaanse denktanks) dan wel een 'demografische tijdbom’ onder de westerse beschaving of een 'vijfde colonne’ binnen de Europese grenzen (waarvoor alle extreem-rechtse partijen in Europa waarschuwen), krijgen uitlatingen soms ongewild een bedenkelijke lading. Zeker als ze niet berusten op kennis van zaken. Toen op 14 februari jongstleden in Amsterdam het Rushdie Defence Committee Nederland werd opgericht onder voorzitterschap van de schrijver Van Dis, richtte dit gezelschap een afzonderlijke oproep aan islamieten in Nederland om zich tegen de fatwa uit te spreken. In een eerste reactie wees het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland op het feit dat de half miljoen islamieten in ons land bijna allemaal soennitische moslims zijn, zodat de fatwa voor hen geen rechtskracht heeft…
HET IS OOK OPMERKELIJK dat westerse aantijgingen en veroordelingen - die vaak even categorisch zijn als de uitspraken die fundamentalistische leiders in de islamitische wereld over het Westen doen - worden gerechtvaardigd met de traditie en het gedachtengoed van de Verlichting. De achttiende eeuw wordt nog altijd plichtmatig beschouwd als een tijdperk van geestelijke vernieuwing en bevrijding van fanatisme en obscurantisme. Aan dit tijdperk zou Europa, en meer in het algemeen het Westen, zijn wetenschappelijke vooruitgang en zijn liberale beginselen danken. Daar is veel voor te zeggen, maar het is goed om ook de schaduwzijden van deze traditie in het westerse denken in herinnering te brengen. Menig misdrijf tegen de mensheid is de afgelopen twee eeuwen voorbereid, uitgevoerd of gerechtvaardigd met een beroep op de Verlichting.
Het biologische rassenonderscheid dat als grondslag diende voor de massamoorden op zwarten, Armeniers, joden, zigeuners en Zuidamerikaanse Indianen is een oorspronkelijke verdienste van de Franse Encyclopedisten. De 'wetenschappelijke’ ontmaskering van de godsdienst kostte sedert de Franse Revolutie het leven aan miljoenen vreedzame gelovigen en maakte een serieus onderzoek van religie als verklarende en zingevende mythe lange tijd onmogelijk. De 'rationele’ ordening van de samenleving - een idee-fixe van alle Verlichtingsfilosofen - werd de hoeksteen van de Pruisische politiestaat, de stalinistische Goelag en niet te vergeten de koloniale slavenmaatschappij. Hedendaagse machthebbers als premier Lee Kuan Yew van Singapore of de communistische leiders in Peking baseren er hun eugenetische bevolkingspolitiek op.
Het feit dat de Rede zo'n bloedig spoor door de moderne geschiedenis heeft getrokken, stemt tot nadenken nu politici, filosofen, schrijvers en journalisten zich uit naam van de Verlichting tegen de islam keren - en des te meer als zij dat doen in bewoordingen als die van Gass, waaruit blijkt dat zij hun echte of vermeende tegenstanders nauwelijks of helemaal niet meer tot de menselijke soort willen rekenen.
De achttiende-eeuwse filosofen beschouwden inderdaad de strijd tegen het godsdienstig fanatisme - in welke gedaante dan ook - als hun voornaamste opgave. Weliswaar richtten ze hun pijlen voornamelijk op de christelijke geestelijkheid, maar het is geen toeval dat de vader van de beweging, Voltaire, in 1741 een toneelstuk wijdde aan de profeet Mohamed. In dit stuk, getiteld Mahomet of het fanatisme, wordt de profeet belachelijk gemaakt als een 'lompe kameeldrijver’ en een goedkope charlatan, die de mensen met zijn bedrieglijke leer achtervolgt en tracht te manipuleren. Het effect is zonder meer komisch, maar illustreert tegelijk het fatale tekort van een bepaald soort godsdienstkritiek die sindsdien ingang heeft gevonden en die bijvoorbeeld in de rede van Gass doorklinkt.
Het is een kritiek die zijn doel voorbijschiet omdat hij niet is gebaseerd op kennis van zaken (Voltaire had geen flauwe notie van de werkelijke betekenis van de profeet, zoals Gass geen idee heeft van de sjiitische islam) en omdat hij geen rekening houdt met de legitieme aspiraties van de gelovigen.
DE UITERSTE CONSEQUENTIE van zulke kritiek wordt meteen duidelijk als we Voltaire’s opvattingen aangaande de islam afzetten tegen zijn opvattingen over het jodendom. In zijn Dictionnaire philosophique noemt hij de joden 'een onwetend en barbaars volk dat al zeer lange tijd de smerigste hebzucht verbindt met het afschuwelijkste bijgeloof en een onoverwinnelijke haat tegen alle volken die hen dulden en waaraan zij zich verrijken’. Zij waren volgens Voltaire een 'minderwaardig mensensoort (…) wier wetten met geen woord reppen van geestelijk leven en de onsterfelijkheid van de ziel’. Maar, zo voegt hij eraan toe, 'men hoeft ze niet te verbranden’. In Voltaire’s tijd golden zulke verwijzingen naar het volk dat Christus had voortgebracht en waarvan de leden bij wijze van dank nog regelmatig door de christenen op de brandstapel ter dood werden gebracht, als geestig en scherpzinnig. In het licht van de twintigste eeuw zijn ze opeens niet zo komisch meer. Ze laten zich lezen als een catalogus van de Neurenbergse rassenwetten en de daaraan verbonden uitroeiingspolitiek van de nazi’s.
Het beeld dat Voltaire schetste van de profeet Mohamed is een beeld dat veel westerlingen nog altijd op de hele islam van toepassing achten. Gegeven de spanningen rond de Middellandse Zee en de vreemdelingenhaat binnen Europa is het niet ondenkbaar dat een beroep op de hoogste idealen van de beschaving wederom uitmondt in een appel aan de laagste aandriften van de mens, en uiteindelijk in moord en doodslag. De Britse Labour-politicus Gerald Kaufman heeft in 1989 als een van de eersten deze hypocrisie aan de kaak gesteld. De liberals zijn bereid tegen de discriminatie van islamieten te strijden, aldus Kaufman, zolang de slachtoffers maar voldoen aan hun eisen van godsdienstige onthechting en maatschappelijke passiviteit en zij de genoten bescherming in gepaste dankbaarheid aanvaarden. Voldoen zij daaraan niet, dan is verachting en uitstoting uit de kring der beschaafde volken hun deel, met alle gevolgen van dien. De rede van Gass komt zo in een ander licht te staan. Ogenschijnlijk spreekt hij de taal van de vrijheid. In werkelijkheid spreekt hij dezelfde taal als zijn tegenstanders: de taal van de brandstapel.
HET IS IN DIT verband de moeite waard om de Rushdie- interviews van de laatste jaren eens te lezen en te vergelijken. Daarin wordt de schrijver doorgaans niet afgeschilderd als een strijdbaar intellectueel die de Britse koloniale erfenis en de raciale wanverhoudingen in Engeland aan de kaak heeft gesteld, maar als een passief slachtoffer van een bijzonder noodlot dat hem juist aan het Westen en in het bijzonder aan Engeland bindt. Het is de ironie ten top dat de schrijver die zich in zijn boeken (ook in De duivelsverzen) teweerstelt tegen de raciale verdeel- en heerspolitiek van het Britse establishment, nu dienst doet als levend embleem van diezelfde verdeel- en heerspolitiek. Hij wordt bewonderd en gekoesterd als een gekooid specimen van de zeldzame soort waarop Kaufman doelde. Rushdie’s interviewers beschrijven hem als de voorbeeldige islamiet die voldoet aan de westerse eisen van aanpassing, emancipatie en zelfkritiek en die om die reden zijn 'eigen’ mensen heeft moeten ontvluchten en 'onze’ bescherming heeft moeten inroepen. Ze hebben zijn boeken niet gelezen en weigeren naar zijn gematigde en geweldloze islamitische tegenstanders te luisteren. Hij is niet eens hun held of hun idool. Hij is hun trofee.
Een geheel andere taal spreekt de Frans-Algerijnse Mohamed Arkoun, die aan de Universiteit van Amsterdam het bijzonder hoogleraarschap islam bekleedt. Hij heeft getracht zijn voornaamste denkbeelden over de verhouding tussen Europa en de islamitische wereld (zijn leeropdracht in Amsterdam) onder de aandacht van een groter publiek te brengen. Uiteraard werd ook hij onmiddellijk voor het blok gezet. Het was de liberale leider Bolkestein die hem in het kader van een publiek debat de nieren proefde: voor of tegen de fatwa? Arkoun legde meteen de vinger op het werkelijke dilemma van de Rushdie-affaire: het feit dat de schrijver tegen zijn wil een speelbal is geworden van politieke krachten en quasi-intellectuelen in zowel de westerse als de islamitische wereld. De gemakkelijke uitweg uit het dilemma is helaas afgesloten en alleen de moeilijke uitweg van de dialoog ligt nog open. 'Salman Rushdie dient volledig zijn vrijheid terug te krijgen om te leven, zich te verplaatsen, zich te uiten, te publiceren en met zijn schrijverstalent de grote debatten van vandaag te verrijken, vooral over religieuze en politieke vraagstukken’, aldus Arkoun, maar 'het eenrichtingsverkeer bij de Rushdie-affaire moet ophouden. De afwijzing en de demonstraties van honderdduizenden moslims zijn minder gericht tegen de persoon Rushdie dan tegen zijn boek, dat het symbool is geworden van alle agressie tegen de moslimse samenlevingen uit de recente geschiedenis.’
DE SLEUTEL TOT het probleem is de bijna ongrijpbare en voor westerlingen vaak echt onbegrijpelijke woede van de islamitische massa’s in landen als Iran, Algerije, Egypte en Pakistan. Tal van auteurs hebben getracht deze woede te verklaren. Het persoonlijke relaas van de schrijver V. S. Naipaul, die in 1979 en 1980 een reis door een aantal islamitische landen maakte, wijst als het ware vooruit naar de explosie van terreur die nu de straten van Algerije, Iran of Egypte in zijn greep houdt. In zijn boek Among the Believers uit 1981 (dus ruim voor de Rushdie-affaire) vatte hij zijn indrukken als volgt samen: 'Hun woede - de woede van een plattelandsbevolking met beperkte vaardigheden, beperkte rijkdom en een beperkt begrip van de wereld - is groot. Nu hebben ze een wapen: de islam. Het is hun manier om zich te wreken op de wereld. De islam komt tegemoet aan hun leed, hun gevoel van onvermogen, hun sociale woede en hun rassenhaat.’ Naipaul is een integer man en een briljant stilist die nooit toegeeft aan de waan van de dag en wiens figuren nooit tot karikaturen worden van de stellingen die hij verdedigt. Ondanks zijn uitgesproken verachting voor de islam legt hij de schuld dan ook niet in de eerste plaats bij de godsdienst, maar bij de sociale en economische achtergrond van de conflicten die de islamitische wereld verscheuren.
De islamoloog Lewis zoekt de oorzaak ook in de politieke sfeer, en wel in het verlies van gezag en zelfrespect in de islamitische wereld als gevolg van opeenvolgende politieke mislukkingen en vernederingen door het Westen. Arkoun sluit hier tot op zekere hoogte bij aan: 'De laatste drie decennia heeft het moderne denken vooral op het gebied van de politiek wel heel weinig effectiviteit aan de dag gelegd om oplossingen te zoeken voor de overdracht van technologieen en produktiewijzen, op het gebied van uitwisseling van juridische kennis, onderwijsmethoden, het vestigen van democratische instellingen enzovoort. Eerder was er sprake van brute uitbuiting en moordende concurrentie op de grondstoffenmarkten die van belang zijn voor de rijke landen.’
Daarnaast richt de woede van de fundamentalisten zich ook tegen de eigen regimes en politieke leiders. Dat is bijvoorbeeld het geval in Algerije. De Frans-Algerijnse schrijver Rachid Mimouni heeft een vurig pamflet tegen het Islamitisch Heilsfront in zijn vaderland geschreven, waarin hij de beweging vergelijkt met het Italiaanse fascisme en het Duitse nazisme uit de jaren dertig. Toch ontkomt hij niet aan een vernietigend oordeel over de francofone Algerijnse elite, die het land sedert de onafhankelijkheid van 1962 praktisch aan de rand van de afgrond heeft gebracht. De geforceerde arabisering en islamisering van de Algerijnse samenleving, de mislukte industrialisering naar stalinistisch voorbeeld en de volstrekte corruptie van de nationalistische elite leidden eind jaren tachtig tot het totale echec en een politieke impasse die schijnbaar alleen nog met geweld kan worden doorbroken. Volgens Amnesty International is martelen in Algerije al jaren een 'systematische en wijdverbreide’ praktijk. Mimouni is ook zo eerlijk om toe te geven dat de intellectuele elite, onder wie een aantal schrijvers en academici die nu het slachtoffer van de fundamentalistische terreur dreigt te worden, de laatste dertig jaar schromelijk verstek heeft laten gaan. De francofone intellectuelen hebben zich laten omkopen en hebben hand- en spandiensten verricht voor de machthebbers.
WELBESCHOUWD ZIJN DE uitbarstingen van woede vaak niet in eigenlijke, maar alleen in afgeleide zin islamitisch. Zelfs de Egyptische schrijver en Nobelprijswinnaar Nagib Mahfoez, die zeer weinig opheeft met het islamitisch fundamentalisme, verklaarde twee jaar geleden in een interview dat 'de islamitische stroming de enige is die beschikt over uitvoerbare principes en ideeen’. De Egyptische elite achtte hij 'volledig afgesneden van de massa’. Het is opvallend dat islamitische partijen die langs normale weg tot het politieke proces worden toegelaten, zoals het geval is geweest met de Hezbollah in Libanon of de islamitische oppositie in Jordanie, niet langer hun toevlucht nemen tot geweldpleging en dat zij hun totalitaire eisen laten vallen in ruil voor machtsdeling. Volgens de Franse onderzoeker Francois Burgat valt de politieke strijd in veel islamitische landen zelfs beter te beschrijven en te analyseren als een strijd tussen rivaliserende elites dan als een godsdienststrijd.
Mohamed Arkoun heeft in zijn lezingen en publikaties van de afgelopen jaren getracht de weg van de dialoog te bewandelen, in het volle besef dat die moeilijk begaanbaar en waarschijnlijk bijzonder lang zal zijn. Van Nederlandse kant staat daar tot nog toe bijzonder weinig tegenover. Eerder lijken de gelederen zich te sluiten, met het risico dat de fatale verstarring van ideologische en godsdienstige posities zal optreden die Arkoun voorziet: 'Wie een in wezen politieke, economische, psychologische en existentiele woede bestempelt als “islamitisch”, versterkt het ideologische versteningsproces van de islam dat is ingezet met de moslimstrijders van de afgelopen twintig jaar.’ In dat geval zullen nog vele schrijvers en intellectuelen gedwongen zijn het voorbeeld van Rushdie te volgen.