Wie is er bang voor J.D. Salinger

tekening: PJ Roggeband

De boeken die zijn geschreven over Salinger zijn vooral pogingen tot biografieën, aangezien de oude tovenaar niets te maken wil hebben met het literaire bedrijf. Maar met zijn oeuvre hebben we hem niet eens nodig.

Medium opening 1

Meer nog dan bewondering roept een bepaald type schrijver fascinatie op, grenzend aan idolatrie. Een obsessie die voorbehouden lijkt aan film- en rocksterren. Connie Palmen is het beste Nederlandse, hedendaagse voorbeeld, en misschien ook het enige. Mensen hangen aan haar lippen, willen haar aanraken, en sinds ze hierover schreef in haar essaybundel Een kleine filosofie van de moord (2003) weten we dat ze ook wel eens een kist champagne krijgt toegestuurd van een bewonderaar. Een aardige geste die alras minder aardig wordt als de gulle gever de volgende dag op de stoep staat en zozeer met de schrijfster bezig blijkt dat hij haar eigenlijk ook wel wilde vermoorden. Palmen heeft er last van, of hád, maar ook weer niet zodanig dat ze de publieke ruimte vermijdt.

Het is niet helemaal duidelijk of het overmatige aandacht was die J.D. Salinger richting kluizenaarschap dreef, vervelende ervaringen met journalisten, strikte opvattingen over het schrijverschap of een algehele minachting ten aanzien van het literaire bedrijf. Feit is dat zijn bestaan al ruim 25 jaar in mist is gehuld, en dat de obsessieve interesse in zijn werk én persoon alleen maar is gegroeid.

‘De vanger gevangen’ kopte The Observer boven een paginagroot artikel tien jaar geleden. De triomfkreet betrof zowel de aanleiding voor het stuk, de publicatie van de memoires van ex-minnares Joyce Maynard, als de foto die bijna de halve pagina in beslag nam. Op die foto is een bejaarde man te zien, druk doende samen met zijn vrouw boodschappen over te hevelen vanuit een winkelwagentje in hun auto. Lulliger kan het bijna niet, maar het is wel een van de schaarse recente foto’s van J.D. Salinger. Als het hem al is, natuurlijk. Want wie weet nog echt hoe hij eruitziet, de schrijver die er al sinds 1980 het absolute zwijgen toe doet en sowieso niet meer heeft gepubliceerd sedert 1965? Sterker nog: zou Jerome David Salinger, die nu 89 moet zijn, nog wel in leven zijn, daar boven op die heuvel in Cornish, New Hampshire, in zijn chalet-achtige huis uitkijkend over de weelderige Connecticut River Valley, samen met zijn – natuurlijk – ‘aanzienlijk jongere’ vrouw Colleen O’neill? Wie weet horen we over enige tijd van de erven Salinger (O’neill, of de zoon en dochter uit zijn eerste huwelijk die nu zo tegen de vijftig jaar oud moeten zijn) dat die de jaren na het overlijden van de schrijver hebben benut door de kamergrote kluis achter diens werkruimte uit te mesten, en worden we eindelijk getrakteerd op de minstens twee complete romans die daar al jaren zouden liggen te besterven.

Een beetje schrijversleven kan wel enige mythologisering gebruiken, en in het geval van Salinger kan daar altijd nog wel een schepje bovenop. De bittere boeken die bij gebrek aan medewerking van het bewonderde object over hem verschenen, hebben de populariteit van zijn werk geen kwaad gedaan. Het al genoemde wrokkige werk van de ex, Joyce Maynard, At Home in the World (Thuis in de wereld, De Arbeiderspers, 2000) is van het type ‘boekje open’ (de grote schrijver houdt van jonge meisjes, orale seks en is een neurotische gezondheidsfreak) dat uiteindelijk meer over haar zegt dan over degene van wie je wat zou willen weten. Toch is er iets in deze memoires dat blijft haken in het geheugen, en dat is altijd ook het akelige aan dit soort boeken. Maynard kreeg de halve literaire wereld over zich heen toen ze het had gewaagd de privacy van de grote meester te doorbreken. Ze was op geld uit, sensatie, en sowieso een schaamteloze heks die haar ‘claim to fame’ met terugwerkende kracht probeerde op te eisen. Maynards recapitulatie van haar kennismaking met Salinger – hij, 53 jaar oud, schreef haar, achttien jaar, een bewonderende brief naar aanleiding van haar eerste autobiografische verhaal, waar ook nog eens een aantrekkelijke foto bij stond – heeft echter iets ontegenzeggelijk wrangs. Te meer daar de geschiedenis, toen hij haar na tien maanden de wacht aanzegde, zich nog een paar keer zou herhalen met andere meisjes/vrouwen. Dit zegt meer over de bereidwilligheid waarmee vrouwen zich aanvankelijk laten inpakken door een wijzere, oudere man en de machteloosheid waarmee ze later proberen terug te slaan (denk ook aan Claire Bloom en Philip Roth, Liesbeth List en Cees Nooteboom, Mary McCarthy en Edmund Wilson) dan over de personen in kwestie.

Iets van een gefnuikte liefdesaffaire heeft ook de poging tot biografie die de Engelse criticus, dichter en Lowell-biograaf Ian Hamilton (1938-2001) twintig jaar geleden publiceerde, In Search of J.D. Salinger: A Writing Life (Op zoek naar J.D. Salinger, Meulenhoff, 1988). Een aangrijpend boos boek dat onbedoeld vooral aan het denken zet over de grenzen van de schrijversbiografie, de relatie tussen werk en leven, en waarom je daarover ook al weer wat te weten zou willen komen. Pas aan het eind van Hamiltons biografie kan de lezer de bittere toon van dit boek plaatsen. Dit is een heel ander boek dan de biograaf oorspronkelijk had geschreven; Salinger heeft hem behoorlijk dwarsgezeten, zozeer dat hij voor de rechtbank uiteindelijk publicatie heeft kunnen verbieden. Ook aan het eind wordt het pas duidelijk waarom Hamilton bij zoveel tegenwerking toch heeft proberen door te zetten. De verliefdheid die hem op zijn zeventiende overviel toen hij The Catcher in the Rye las, heeft hem nooit meer helemaal losgelaten. En toen zijn vijftienjarige zoon, product van de televisie- en computergeneratie, op een dag van school kwam en vertelde dat hij nú toch een boek aan het lezen was, wist hij het zeker: hij zou de magie van Salinger ontrafelen.

Het werken aan deze biografie heeft Hamilton voorgoed genezen van zijn liefde voor de schrijver. Ironisch genoeg keert die ontgoocheling zich echter meer tegen de gretige en vervolgens gefrustreerde biograaf, dan tegen zijn onderwerp. Weliswaar doet Hamilton veel moeite om het werk van Salinger van zijn magische glans te ontdoen door het te bestempelen als het gepredik van een hoogmoedige zonderling die een tik heeft opgelopen van oosterse godsdiensten, maar toch denk je bij ieder citaat en bij iedere titel: o ja! of: hoe zat dat ook alweer? en krijg je zin om het werk zelf er weer bij te pakken. Het maakt dan ook niet uit dat Hamilton Salinger neerzet als een streber die alles op alles zette om beroemd te worden, en die twee gezichten had: een commercieel en een intellectueel gezicht. En dat hij later, eenmaal beroemd, zijn boeken gebruikte om de goegemeente te doceren en belachelijk te maken.

De poging tot biografie van Hamilton is een mooie illustratie van het feit dat overspannen bewondering alleen maar kan omslaan in diepe afkeer. Met sardonisch genoegen citeert Hamilton bijna aan het einde van zijn boek Salingers criticasters van naam, want jawel, ook die bestonden al in de tijd dat het werk uitkwam. Norman Mailer: ‘Ik schijn de enige te zijn die hem slechts beschouwt als de grootste geest die ooit op school is blijven hangen…’ John Updike: ‘Salingers liefde voor de leden van de familie Glass is te exclusief. Hij bemint ze ten koste van artistieke matiging.’ Joan Didion: ‘Hoe briljant geschreven ook, Franny en Zooey is in laatste instantie onecht.’ Mary McCarthy: ‘Salingers wereld bevat niets dan Salinger.’ Hierbij moet aangetekend worden dat deze critici/tijdgenoten het gevoel gehad zullen hebben te moeten oproeien tegen een ware Salingermanie. Wel is eens en te meer duidelijk: je houdt van Salinger, of je vindt het helemaal niks. Een tussenweg is niet mogelijk, een overstap van het eerste naar het laatste wel. Zo komt P.F. Thomése in zijn onlangs verschenen essaybundel Nergensman: Autobiografieën en passant helemaal terug op zijn oorspronkelijke fascinatie voor Salinger. In het essay Toverlessen over Thomas Mann schrijft hij: ‘Er zijn schrijvers die denken dat het directer en intiemer is om de auctoriale verteller weg te laten en de hoofdpersoon (of zelfs meerdere personages) zich meteen tot de lezer te laten richten. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de fanclub van het personage Holden Caulfield, dat verwende New England-jongetje dat zo self-assured het woord neemt in Salingers The Catcher in the Rye. Maar er bestaat natuurlijk geen natuurlijkheid in de literatuur, een zich direct tot het publiek richtend personage is een linea recta van het toneel geplukte truc. Sla de Catcher er maar op na. Holden Caulfield spreekt niet tot jou, hij spreekt tot iedereen, zijn stem reikt met gemak tot aan de achterste rij, hij staat als het ware voor de rechtbank en houdt welbespraakt zijn requisitoir tegen het leven. Het zijn trouwens altijd de welbespraaktste personages die zelf het woord nemen, assertieve stadsjongetjes, verwende knapen. Stugge provinciejongens als Hans Castorp (de hoofdfiguur in Manns De Toverberg – mp) zouden het niet in hun hoofd halen.’

Verwend knaapje of niet, Caulfield zal de tovenaar aan wie hij zijn stem te danken heeft nog lang overleven.

Deze week verschijnt het complete oeuvre van J.D. Salinger in een pastelkleurig jasje bij De Bezige Bij, nog immer in de onvolprezen vertaling van Johan Hos, in vier gebonden deeltjes à € 18,90