René de Obaldia, De Graf Zeppelin of De lijdensweg van Émile

Wie is er wel een man of een vrouw?

Ergens zijn wij allemaal Émile Colinet. Alleen zijn we ons daar niet steeds van bewust, gelukkig. Lees De Obaldia’s roman over leven en lijden van Émile.

René de Obaldia, De Graf Zeppelin of De lijdensweg van Émile, Vertaald door Mirjam de Veth, € 22,00

Als zevenjarige werd mij voor het slapengaan het verhaal Kareltje Kromoor wil een andere naam van Sybren Polet voorgelezen en ik was meteen klaarwakker. ‘Wat is dit?’ Na afloop dwong ik mijn moeder opnieuw te beginnen. Daarna heb ik het nog ontelbare keren zelf gelezen.

Kareltje Kromoor bleek zonder naam niet meer te bestaan. Hij werd doorschijnend, mensen op straat liepen dwars door hem heen en toen hij dus maar terug naar huize Kromoor ging, konden zelfs zijn eigen ouders hem niet meer zien. Ik herinner me de paniek. Het betekende het definitieve einde van Kareltje, als het geen kinderverhaal was.

Het moet voor het eerst geweest zijn dat ik in aanraking kwam met proza dat niet helemaal realistisch was, maar toch ook geen fantasy.

Op de een of andere manier kwam zijn onzichtbaarheid mij werkelijker voor dan hoe het in de werkelijkheid ooit zou gaan. Het legde de vinger op een zere plek. Al had ik nog geen weet van zere plekken. Of waarom juist dit verhaal mij zo trof. Omdat ik Kareltje Kromoor was, natuurlijk. Omdat wij allemaal Kareltjes zijn. Maar daar dacht ik toen niet aan.

Als 37-jarige sloeg ik De Graf Zeppelin of de lijdensweg van Émile van de Franse auteur René de Obaldia open en kwam ik ineens Kareltje weer tegen. Deze keer was hij bijna veertig én hij had een andere naam.

Hij heette Emile Colinet, stond op het punt om vader te worden en daarmee op het punt ten onder te gaan in een zee van waanzin.

'Iedere nacht drukte de buik - maar was het wel echt een buik? - hem dichter tegen de muur aan. Een snel rekensommetje leerde dat men hem, de té meegaande echtgenoot, op een ochtend geplet tegen het bloemetjesbehang zou aantreffen, als een vlieg. En wie gaat er naar de begrafenis van een vlieg, dacht Emile die zijn einde zag naderen.’

Dit las ik op de eerste bladzijde en ik riep: 'Dit is goed.’

In deze korte roman maakt De Obaldia ons in een vlot tempo deelgenoot van de ondergang van Émile - de bijziende verzekeringsman, door niemand geliefd, door zichzelf nog het allerminst - die als hij hoort dat zijn vrouw Angélique zwanger is al zijn zekerheden kwijtraakt. Misschien is hij het zelf wel die in die zwellende buik zit? Zou dat niet veel aannemelijker zijn dan een zogenaamde nazaat? Oude journaalbeelden van de brandende neerstortende zeppelin beginnen door zijn hoofd te spoken en op kritieke momenten wenkt de man aan boord van het luchtschip hem aan boord te komen. Émile als vleesgeworden symbool voor de angst en zorgen die het prille ouderschap nu eenmaal met zich meebrengt. Deed hij er eerst al niet veel toe, nu is hij helemaal niet meer van belang. Werd hij voorheen nauwelijks gezien, als (aanstaande) vader wordt hij door helemaal niemand meer opgemerkt. Was het leven voor hem al een constante strijd om niet te worden overmand door duizeligheid, met de komst van zoon Baptiste zal hij zijn plek in de wereld definitief verliezen. Totdat zelfs op straat de mensen tegen hem opbotsen en hij wordt overmand door een vreemd gevoel van doorzichtigheid.

'Ik ben toch geen glazen ruit, zei Émile steeds bij zichzelf. Hij zou graag een moord hebben gepleegd, alleen maar om zich tegenover zichzelf te bewijzen.’

Terwijl Baptiste groter en ronder wordt, Angélique blijer en gelukkiger, gaat vader Émile er met de dag meer uitzien als een skelet. Je hoort zijn botten rammelen als hij loopt. Alleen de zeis ontbreekt nog om het beeld compleet te maken.

In deze tijd herkennen we in Émile Colinet onmiddellijk de hoogsensitieve persoonlijkheid, niet opgewassen tegen het leven, lijdend aan te groot inlevingsvermogen; het is Émile die na de geboorte nog weken uitgeput en totaal verzwakt in bed ligt, als was hij de kraamvrouw.

Neem de zwangerschap alleen al.

'Maar hoe wilt u dat een man met een normaal gestel, tenzij hij van tevoren is ingelicht of een vreemd realisme aanhangt, zich kan voorstellen dat de vrouw op sommige momenten de zee in haar buik bergt en dat het toekomstige lid van de Raad van Wetenschappen of de toekomstige stierenvechter of de Paus in eigen persoon zich daarin volkomen natuurlijk beweegt als een vis in het water…’

Het boek speelt zich af binnen één jaar. René de Obaldia heeft maar een paar beelden nodig om een hele wereld neer te zetten én weer af te breken. Hierin kunnen we de toneelauteur, die hij vooral is, herkennen. Ook al is het in 1956 geschreven (het verhaal van Polet stamt trouwens uit diezelfde tijd), het vaderschapsthema is nog steeds zeer herkenbaar, tragisch en geestig. Dat zit ’m vooral in de alledaagse en onbeduidende gebeurtenissen die in het hoofd van Émile volkomen uit de hand lopen en daardoor absurd worden. De kracht van de vertelling schuilt in de overdrijving, het consequent doortrekken van beelden, ze letterlijk maken, associatie op associatie stapelen, waardoor de waanzin voor de lezer invoelbaar wordt.

Kersverse ouders voor wie het leven na de geboorte alleen nog maar om de zuigeling lijkt te draaien - De Obaldia verbeeldt het treffend met een wieg die in Émile’s ogen steeds meer de proporties aanneemt van een (kapseizend) slagschip in een piepklein kamertje. Wie heeft er nooit als een dief in eigen huis rondgeslopen om het monstertje maar niet te wekken? Als Baptiste eindelijk slaapt, blijft Émile urenlang onbeweeglijk in het allerkleinste hoekje van de woonkamer zitten. Als een standbeeld. Hij wordt daarbij per ongeluk door zijn vrouw afgestoft.

Zelfs als hij, het water staat al aan zijn lippen, alsnog probeert te ontsnappen door een luciferdoosje te gaan halen - zoals dat gaat in de verhalen die hij over mannen vaak hoort: ze gaan een luciferdoosje halen bij de sigarenwinkel en komen nooit meer terug - lukt hem dat niet.

'Hoe flikten ze dat? Wie gaf hun geld? Kwamen er schepen uit Zweden aanleggen in de buurt van de sigarenwinkels…’

Na een paar doosjes lucifers komt Émile, de halve gare, ten slotte bij een hoertje terecht, waar hij vaste klant wordt. Alleen om in haar kamertje een afscheidsbrief aan Baptiste te kunnen schrijven. Voor het eerst geeft iemand hem een eigen plekje, al is het betaald.

Hij schrijft: 'Als je moeder je over mij vertelt, zegt ze - protesteer niet Baptiste, ik weet het - dat ik geen man ben. En dat is waar! Angélique heeft gelijk. Want als je mij het onmogelijke vraagt - aan mij die je het leven heeft gegeven - als je mij het onmogelijke vraagt, zeg ik, en ik kan het je niet geven, dan ben ik geen man. En als je lijf - je cherubijnenlijfje - als een worm kronkelt van de pijn en ik niets aan die pijn kan doen, dan ben ik geen man. En als je voor mijn ogen van de achtste verdieping valt en ik niet in staat ben je val tussen hemel en aarde te stoppen, je zachtjes tot rede te brengen, als ik niet in staat ben de zon in zijn baan te stuiten zoals Jozua heeft gedaan, dan ben ik geen man. Heel eenvoudig, mijn zoon, als ik niet kan verhinderen dat jij een lijk wordt, dan ben ik geen man. En wie is wel een man?’

Welnu, dat vraag ik me ook af. Wie is er wel een man of een vrouw?

Want ergens was ik Kareltje en ergens ben ik ook Émile. Dat kan ik dertig jaar later wel bedenken. Ergens zijn wij allemaal Émile. Alleen zijn we ons daar niet steeds van bewust, gelukkig. Wij aanhangers van een vreemd realisme, namelijk het leven zelf.

RENÉ DE OBALDIA
DE GRAF ZEPPELIN OF DE LIJDENSWEG VAN ÉMILE

Vertaald uit het Frans door Mirjam de Veth,
Coppens & Frenks, 112 blz., € 22,90