Identiteitspolitiek of het einde van de pluriforme samenleving

Wie is het meest gekwetst?

Steeds meer wedijveren de ‘boze blanke man’ en de ‘zwarte vrouw’ in gekwetstheid met elkaar en krijgt de ‘wegkijkende elite’, ‘de reaguurder’ of ‘de boosneger’ de schuld van alle ellende. Waardoor leeft de identiteitspolitiek zo op? En wat veroorzaakt de gekwetstheid van zoveel verschillende mensen?

Medium hh 53973729
Anti-islam-demonstratie van Pegida op de Dam, Amsterdam, 2016 © Amaury Miller / HH

In een vernietigende reactie op het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume schreef Volkskrant-columnist Elma Drayer dat het een typisch ‘product’ is ‘uit het giffabriekje dat identiteitspolitiek heet’. Op Twitter en Facebook was bijval Drayers deel. Eindelijk, zo luidde het oordeel, werden zwarte activisten en linkse elites die het maatschappelijke debat smoren in politiek correcte censuur eens flink op hun plaats gezet.

In de nasleep van de verkiezingen werd er in de VS ook felle kritiek geuit op identiteitspolitiek. In een artikel in The New York Times betoogde de gematigde Republikein David Brooks dat het politieke debat over filosofische en ideologische tegenstellingen zelfs helemaal was verdwenen. Ooit, stelde hij, was politiek vooral een debat tussen liberalen en conservatieven, tussen tegengestelde opvattingen over de markt, de staat, over waarden of over de rol die de VS in de wereld kunnen spelen: ‘But this year everything has been stripped down to the bone. Politics is dividing along crude identity lines – along race and class. Are you a native-born white or are you an outsider? Are you one of the people or one of the elites? Politics is no longer about argument or discussion; it’s about trying to put your opponents into the box of the untouchables.’ Daargelaten of zijn nostalgische beeld van de Amerikaanse politiek in de afgelopen decennia klopt, plaatst Brooks identity politics in het hart van de moderne Amerikaanse politiek. En, voegt hij eraan toe, Trump was er tijdens de verkiezingen weliswaar niet de uitvinder maar wel het symbool van.

Ook in Nederland beperkt identiteitspolitiek zich bepaald niet tot zwarte activisten, maar is het ook een handelsmerk van rechtse populisten en kruipt het geleidelijk vanuit de activistische marges naar het hart van de politiek. In publieke en politieke debatten wedijveren de ‘boze blanke man’ en de ‘zwarte vrouw’ in gekwetstheid met elkaar en krijgen de ‘wegkijkende elite’, ‘de reaguurder’, ‘de boosneger’, de ‘bakfietsmoeder’ of ‘tokkies’ de schuld van alle ellende. Iemand die zich als witte, zwarte, man, vrouw, Hollander of moslim gekrenkt voelt, vindt daarin de rechtvaardiging om de tegenstander te trakteren op spiegelbeeldige en vernederende typeringen.

Er lijkt een wedloop te ontstaan in gekrenkte identiteiten, in publiek breed uitgemeten slachtofferschap dat de opvattingen over maatschappelijke ontwikkelingen verdringt. Dit neemt absurde vormen aan als een 55-jarige, blanke Amsterdammer in een opinieartikel een Marokkaanse man voorhoudt dat hij net zo weinig kansen heeft gehad, maar ‘wat ik niet doe is jammeren over hoe oneerlijk het allemaal is geweest dat ik vanwege mijn afkomst, sociale status en accent allemaal kansen niet heb gekregen’.

Moderne identiteitspolitiek is een vluchtheuvel voor gekwetsten van heel verschillende signatuur. De vraag is waardoor identiteitspolitiek de laatste tijd zo opleeft, en vooral wat de gekwetstheid van zoveel verschillende mensen veroorzaakt. De vraag is ook of de maatschappelijke polarisatie die er het gevolg van is kan worden teruggedrongen.

***

Identiteitspolitiek is geen nieuw fenomeen. Het stamt uit de jaren zestig en zeventig toen de samenleving zich ontworstelde aan de ijzeren greep van standen en de dwingende autoriteit van staat en kerk. Journalist Henk Hofland schreef dat de burger gedekoloniseerd raakte: hij mocht zijn eigen lot bepalen en zou als individu met zijn hoogstpersoonlijke identiteit erkend en gerespecteerd worden. Er ontstonden nieuwe sociale verbanden en groepen, vaak beginnend als protestgroepen tegen de conventionele samenleving waarbij de net gedekoloniseerde burgers zich aansloten. Vrouwen, zwarten, homoseksuelen, jongeren wilden anders en vrij kunnen zijn. Zij maakten hun identiteit – hun sekse, kleur, seksuele voorkeur, leeftijd, handicaps – tot inzet van politieke strijd en eisten gelijke toegang tot de publieke sfeer. Het persoonlijke is politiek luidde de titel van de memoires van Hedy d’Ancona en daarmee verwees zij bewust naar de hoogtijdagen uit de tweede feministische golf toen vrouwen de slogan gebruikten om gelijktijdig thuis en in de publieke sfeer gelijkheid te eisen.

In identiteitspolitiek verenigden zich twee aan elkaar tegengestelde ambities. Het was een aanval op de beklemmende uniformiteit van de burgerlijke cultuur die in de Verenigde Staten en in Europa regeerde. Zwarten met afrokapsels, verliefde homoseksuelen, alleenstaande werkende moeders accepteerden niet langer dat ze onzichtbaar werden gemaakt en in de maatschappelijke en politieke marge werden gedrukt. Zij wilden hun stempel kunnen drukken op de mainstreamcultuur en deze met hun aanwezigheid veelkleuriger, opener en onconventioneler maken.

Tegelijkertijd moest identiteitspolitiek juist leiden tot de opheffing ervan. Uiteindelijk zou je etnische of seksuele identiteit geen verschil meer mogen maken voor je positie in de publieke sfeer. Democratisch burgerschap, invloed en medezeggenschap mochten niet langer zijn voorbehouden aan blanke, middelbare heren van stand maar moesten ook toegankelijk zijn voor bijvoorbeeld openlijk lesbische vrouwen. Het verschil in kleur of sekse zou niet verdwijnen, maar zou niet meer mogen leiden tot politieke hiërarchie of uitsluiting. Terwijl de persoonlijke identiteit dus werd ingezet als een politiek pressie-instrument moest deze uiteindelijk ook zijn politieke betekenis verliezen. Of zoals de Amerikaanse schrijver Ta-Nehisi Coates in 2015 in The Atlantic, als een late echo van het activisme uit de jaren zeventig, schreef: ‘Put differently, we should seek not a world where the black race and the white race live in harmony, but a world in which the terms black and white have no real political meaning.’

Identiteitspolitiek bleek buitengewoon effectief. De zwarte burgerrechtenbeweging in de VS, de vrouwenbeweging wereldwijd en de homobeweging in Amerika en West-Europa boekten grote resultaten in gelijkberechtiging en het afschaffen van discriminerende en beperkende wetgeving.

In Nederland vond de identiteitspolitiek uit die jaren haar hoogtepunt in de grondwetswijzigingen van 1983. Als eerste werd een nieuw artikel 1 toegevoegd: het discriminatieverbod. Daarmee werd officieel gemarkeerd dat discriminatie door de staat uit den boze was en dat iedereen in Nederland gelijk behandeld moest worden ongeacht zijn achtergrond en identiteit. Tegelijkertijd werd een aantal sociale grondrechten toegevoegd die de overheid verplichtten zich in te spannen voor de welvaart en het welzijn van alle burgers. De overheid had zorg te dragen voor voldoende werkgelegenheid, een bestaansminimum, goede volksgezondheid, huisvesting en onderwijs. Groepsachterstand en -achterstelling werden met andere woorden niet langer geaccepteerd. De staat ontfermde zich bovendien over de emancipatie en ontplooiing van met name die burgers die door hun klasse, huidskleur of sekse minder kansen hadden dan anderen. Het was Joop den Uyl die de slogan ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’ muntte en daarmee de gedachte voedde dat – niet alleen gelijkberechtiging maar ook – goede opleidingen en hoge functies door een eerlijker verdeling van welvaart in ieders bereik lagen.

Het was zoals Bas Heijne – die in die jaren volwassen werd – in het essay Onbehagen schreef, een tijd van vertrouwen en verwachtingen: ‘De mens, zo luidde de verwachting, zou zich langzaam maar zeker losmaken van zijn benauwde groepsgeest en zich verenigen met anderen op basis van gedeelde menselijkheid. Minderheden werden eveneens geaccepteerd als gelijken. Nationalisme en andere vormen van agressieve groepsgeest zouden hopeloos gedateerd raken, net als religieus fanatisme.’ Dit optimistische emancipatiestreven dreef op snel toenemende welvaart. Er was voldoende geld om een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen te ontwerpen, het onderwijs te verbeteren en sociale woningen te bouwen.

Ook de particuliere consumptie steeg. Mensen konden huizen en auto’s kopen. Reizen naar het buitenland kwamen plotseling in het bereik van midden- en arbeidsklassen. Met de welvaart democratiseerde het vooruitgangsgeloof tot alle lagen van de bevolking. De tijd leek definitief voorbij dat je als dubbeltje geboren nooit een kwartje kon worden. Dankzij een studiebeurs zou elk arbeiderskind vanaf nu de hoogste opleiding kunnen voltooien en er waren geen formele belemmeringen meer voor vrouwen om de bestuurskamers te bestormen of voor zwarten en migranten om deel uit te maken van de politieke macht. Ouders die voortkwamen uit de arbeidsklassen en tot de snel uitdijende middenklasse gingen behoren, vertelden hun kinderen dat zij het nog beter zouden krijgen dan zij.

Het was Joop den Uyl die de gedachte voedde dat goede opleidingen en hoge functies in ieders bereik lagen

In alle statistieken over de Amerikaanse verkiezingen vallen twee cijfers op. Van de stemmers op Trump is een ruime meerderheid boven de 45. En van alle karakteristieken is opleidingsniveau, meer nog dan leeftijd, inkomen en ras, het meest overheersend. Het zijn vooral middelbare en oudere mensen met een lagere opleiding die op Trump hebben gestemd. Zij hebben blijkbaar de hoop verloren dat het beter zal worden voor hen en hun kinderen en hun stem is er vooral een van weerzin tegen de loze beloftes van het politieke establishment.

Mij lijkt dat geen toeval. Dat is de generatie die is opgegroeid in de jaren zestig en zeventig, die de belofte van gelijkberechtiging, van persoonlijke lotsverbetering en democratisering met de paplepel ingegoten heeft gekregen en weer heeft doorgegeven aan haar kinderen. De vijftigers van nu hebben van kleins af aan verinnerlijkt dat je klasse, je ras of je sekse niet bepalend mag zijn voor je kansen, voor hoe je je ontwikkelt. Dit is ook wat hun is voorgehouden door hun ijverige en optimistische ouders in de snel uitdijende middenklassen: als je maar je best doet, dan ligt alles binnen je bereik, dan kun je worden wat je wil.

Dit idee van sociale en culturele mobiliteit, van open en democratische instituties die gezagsgetrouwheid en hard werken belonen met goede diploma’s, interessante banen en de regie over je bestaan, is diep verankerd geraakt in de moderne westerse cultuur. Elke Nederlander draagt, net als elke Amerikaan, de belofte van individuele ontplooiing met zich mee: je kunt je eigen toekomst maken, je kunt worden wat je wil. Alleen is de belofte voor heel veel mensen nooit waargemaakt. Naarmate de jaren vorderden, de jaren zestig en zeventig langer geleden waren, is deze belofte zelfs vals gaan klinken. En hierin ligt de kiem van de gekwetstheid die nu de politieke verhoudingen bepaalt.

Na de welvarende jaren zestig en zeventig volgden de jaren tachtig. De economische groei stagneerde, de werkloosheid nam snel toe en raakte allereerst de jongeren met de lagere opleidingen. Zowel in de Verenigde Staten en Engeland als in Nederland traden zogenaamde no nonsense-regeringen aan die het ideaal van ‘de spreiding van macht, kennis en inkomen’ aan de vrije markt overlieten. In Engeland zei Thatcher ‘there is no such thing as society’ en daarmee ontsloeg ze zichzelf en de regeringen na haar van de verplichting de armoede en achterstand in de Engelse arbeidersklassen te verminderen.

In Nederland introduceerde de nieuwe premier Lubbers de ‘BV Nederland’ als ideologische tegenhanger van het welzijnsideaal van de jaren zeventig. Onder het motto ‘meer markt, minder overheid’ probeerde hij met grote bezuinigingen, deregulering en privatiseringen de economie aan te jagen. De prijs daarvoor werd vooral betaald door de mensen met lagere opleidingen en kwetsbare maatschappelijke posities: de uitkeringen werden verlaagd, er werd fors bezuinigd op de gezondheidszorg en op het onderwijs, en de studiebeurzen werden soberder.

Het nog jonge en kwetsbare proces van emancipatie en democratisering kwam tot stilstand voordat het goed en wel gestart was. Sinds de jaren tachtig werd de ongelijkheid tussen mensen langzamerhand weer groter. En dat gold niet alleen voor de verschillen in inkomens maar ook voor het verschil in opleidingsniveau en de toegang tot de macht. In de afgelopen decennia raakten inkomen, kennis en macht juist meer geconcentreerd onder een relatief kleine, gestudeerde elite. Zo blijkt uit een recent onderzoek van de Onderwijsinspectie dat het onderwijsniveau van de ouders meer bepalend is voor het schooladvies dat kinderen krijgen dan hun intelligentie. Een kind met laagopgeleide ouders krijgt vaker een te laag advies omdat de docent veronderstelt dat de ouders niet in staat zijn te begeleiden. Dit geldt nog meer als het om een kind gaat van laagopgeleide, allochtone ouders.

Daarmee is de belofte gebroken dat in onze moderne cultuur elk mens, ongeacht zijn achtergrond, zich vrij kan ontwikkelen. Ongelijkheid reproduceert zich nog altijd langs lijnen van klasse en etniciteit: je postcode en het milieu en de herkomst van je ouders bepalen in belangrijke mate je toekomst.

Tegelijkertijd is de samenleving, en met name de staatsbureaucratie, ingewikkelder en ondoorzichtiger geworden. Om mee te kunnen komen in discussies over de toekomst van de gezondheidszorg of volkshuisvesting heb je kennis nodig van regels en van technocratisch jargon. Veelzeggend is dat het opleidingsniveau van Kamerleden almaar hoger wordt, tot aan de volledige afwezigheid van mensen zonder vervolgopleiding in het parlement. De uitoefening van de macht en de controle erop hebben zich evenmin gespreid over de bevolking. Een incidenteel adviserend referendum brengt daarin geen verandering; eerder bevestigt het de onmacht als de uitslag niet of maar deels door politici wordt overgenomen.

Medium hh 64435629
Ed van der Elsken / Nederlands Fotomuseum / HH © Dolle Mina- demonstratie op de Dam, Amsterdam, 1970

Inmiddels, in 2017, hebben we nog een grote economische crisis achter de rug. Het vooruitgangsgeloof dat de emancipatie van burgers in de jaren zeventig begeleidde is verdampt. De jongeren van destijds, vijftigers en zestigers van nu, geloven niet meer dat hun kinderen het beter kunnen krijgen dan zij. Eerder denken zij dat het slechter wordt en de jarenlange bezuinigingen op publieke voorzieningen waaraan zij altijd hebben bijgedragen en waarvan zij voor hun welzijn afhankelijk zijn – zoals de gezondheidszorg en het onderwijs – sterken hen ook in die bittere overtuiging. Er is hun een belofte gedaan en die is niet nagekomen. Dat stemt bitter.

***

Toen de Amerikaanse actrice Susan Sarandon werd gevraagd of zij, nadat de socialist Bernie Sanders uit de Amerikaanse verkiezingsrace was gevallen, nu op Hillary Clinton zou stemmen antwoordde zij: ‘I don’t vote with my vagina.’ Sarandon verwoordt daarmee kort en krachtig het grootste bezwaar tegen identiteitspolitiek: het terugbrengen van een politieke discussie tot een beperkt aantal uiterlijke of persoonlijkheidskenmerken. Of zoals Arnon Grunberg het mooi beschreef in een van zijn voetnoten in de Volkskrant: ‘Ieder individu heeft het recht niet gereduceerd te worden tot de groep waartoe zij of hij zou behoren, maar identity politics, of het nu gaat om vrouwen, zwarten of joden, is een doodlopende weg, juist omdat het individu weer gereduceerd wordt tot religie, huidkleur, geslacht.’

Het reduceren van mensen tot ras en uiterlijk vertroebelt politieke discussies. Hoewel er alle reden is om verontwaardigd te zijn over oplaaiend racisme en hardnekkige discriminatie hebben de aanhangers van ‘white privilege’ de neiging om elke ‘witte’ daarvoor verantwoordelijk te maken vanwege zijn kleur. Activisten die roepen dat ‘witte mensen eens moeten luisteren’ bestrijden kwaad met kwaad: tegenstanders worden gediskwalificeerd op kleur. Niet alleen leidt dat onnodig tot polarisatie, het botst ook met gevoelens van rechtvaardigheid waarop diezelfde white-privilege-activisten een beroep willen doen.

De belofte dat in onze moderne cultuur elk mens, ongeacht zijn achtergrond, zich vrij kan ontwikkelen, is gebroken

Ondanks de terechte bezwaren van het generaliseren en stigmatiseren van tegenstanders bezit de discussie over ‘white privilege’ nog hetzelfde hoopvolle elan als in de jaren zestig en zeventig. Als de Nederlandse wetenschapper Zihni Özdil in zijn essay Nederland mijn vaderland schrijft dat hij wil dat Özdil wordt aanvaard als een gewone Nederlandse naam, dan bedrijft hij identiteitspolitiek om uiteindelijk de politieke indeling in identiteiten juist op te heffen. Ook Nzume hoopt door ‘witte’ Nederlanders te bewegen tot zelfkritiek juist de tegenstellingen tussen wit en zwart op te heffen. Net zoals Ta-Nehisi Coates wil dat er een politieke gemeenschap ontstaat van burgers die juist zonder aanzien des persoons met elkaar van mening verschillen.

Dat verlangen naar gezamenlijkheid is niet (meer) aanwezig bij de arme plattelandsbevolking in middle America die de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschildt sprak voor haar boek Strangers in Their Own Land. Zij beschouwen hun identiteit ook als oorzaak van hun voortdurende achterstand: ze zijn blank, vaak wat ouder en hebben lagere opleidingen en inkomens. Ze beoordelen de identiteit van anderen – hoogopgeleid, vrouwelijk elitair, zwart, migrant – als een bedreiging. Er is geen wens om samen met die ‘anderen’ een gemeenschap van gelijkwaardige individuen te vormen. Ze vinden dat zij worden achtergesteld en de anderen worden voorgetrokken en aan die onrechtvaardigheid willen ze een einde maken door de anderen uit te stoten.

Het kost weinig voorstellingsvermogen om daar concurrerende groepen naast te plaatsen die worstelen met eenzelfde geknakt vooruitgangsgeloof, eenzelfde overtuiging achtergesteld te worden, zonder perspectief of hoop op verbetering. Jonge moslims bijvoorbeeld die zich afgesneden voelen, die het gevoel hebben dat zij niet welkom zijn, zich boos afkeren en gevoelig worden voor extremisme. Hun identiteit is niet een vaandel waarachter zij trots en zelfbewust marcheren, zoals Nzume en haar geestverwanten, maar een schild dat zij tussen zichzelf en de buitenwereld plaatsen en waar achter teleurstelling, gekwetstheid en boosheid zich ophopen. Zij hebben ook geen hoop op verbetering van hun lot, maar willen vooral dat degenen die zij verantwoordelijk houden voor hun miserabele omstandigheden worden veroordeeld en uitgesloten.

Het zijn vooral teleurgestelde, gekwetste en kwetsbare burgers die gevoelig zijn voor identiteitspolitiek nieuwe stijl die verleid kunnen worden door politici als Trump die de degradatie en uitsluiting van anderen beloven. De moderne politicus die identiteitspolitiek bedrijft biedt zijn potentiële kiezers geen vergezicht van sociale en culturele stijging en van gelijkberechtiging, maar de zekerheid dat hij de strijd met de ‘anderen’ aangaat, dat hij de vernedering van zijn achterban met gelijke munt betaalt.

Een klein maar opvallend voorbeeld hiervan gaf Tweede-Kamerlid Jacques Monasch toen hij zich afscheidde van de pvda. Hij wilde opkomen – zei hij – voor de ‘gewone boze, blanke mannen, de vroegere arbeidersklasse’. Hij bekende zich daarmee niet tot een politieke opvatting – een eerlijker inkomensverdeling, verbetering van het onderwijs, goede rechtshandhaving – maar vooral tot een groep: boos, blank en man. En die zette hij polemisch tegenover de groepen die hen zouden kwetsen: de migranten en asielzoekers, de linkse elite, zijn eigen pvda. Zij tegenover hen, onze mensen tegenover de vreemde indringer, de elite tegenover het gewone volk. Hij noemde dit – terecht – de strategie ‘pvv-light’.

Bij die andere afscheidingsbeweging van de pvda, de beweging denk, wordt vergelijkbare identiteitspolitiek bedreven. Gekwetste en boze migranten worden bediend met ‘vijanddenken’ en met de bevestiging dat ‘witte’ Nederlanders xenofoob en racistisch zijn, zoals Sylvana Simons en haar adviseur Ian van der Kooye meldden toen zij de partij verlieten.

Bij de identiteitspolitiek nieuwe stijl hoort het dankbaar uitvergroten van politieke uitspraken van tegenstanders als zouden zij kiezers kwetsen en vernederen. Zo wist Trump handig gebruik te maken van Clintons ongelukkige uitspraak dat zich onder zijn aanhang veel ‘deplorables’ bevonden: racisten, seksisten, homohaters, islamofoben… ‘you name it’. Trump reageerde dat zij ‘millions of amazing, hardworking people’ beledigde. Feilloos begreep hij dat Clinton met haar woordkeuze peuterde in de open wond van veel gewone Amerikanen met geknakte toekomstdromen die zich inderdaad miserabel voelen.

Exact dezelfde formule hanteerde Geert Wilders in de rechtszaak over zijn uitspraak ‘minder, minder, minder’ Marokkanen in Nederland. Niet alleen was hij geen racist, zei hij, maar zijn kiezers waren dat ook niet: ‘Hou op met het beledigen van mijn kiezers.’ Daardoor stond hij niet meer zelf terecht vanwege een discriminerende uitspraak maar ‘de helft van de Nederlandse bevolking’ die door ‘d66-rechters’ behandeld zouden worden als een vreemde in hun eigen land en niet meer voor hun mening kunnen uitkomen. Kenmerkend aan de politieke tactiek van Trump en Wilders is dat zij kiezers niet verleiden met een toekomstperspectief maar verenigen op hun gedeelde gekrenkte identiteit.

***

De Indiase econoom Amartya Sen beschrijft in zijn boek Identity and Violence de spanning die in een samenleving ontstaat als een gevolg van de ‘“miniaturization” of humanity, with everyone locked up in tight little boxes from which they emerge only to attack one another’. Het is een politiek van verdeeldheid: de ene groep, de ene stam, wordt tegenover de andere gezet.

Autoritaire populisten als Trump en Wilders maken gretig gebruik van identiteitspolitiek. Als woordvoerder van de eigen groep – een minderheid die de vorm aanneemt van ‘het volk’ – duwen zij andere (minderheids)groepen buiten de maatschappelijke orde. Van de Turkse premier Erdogan is bijvoorbeeld de uitspraak tegen kritische tegenstanders: ‘Wij zijn het volk dus wie ben jij?’ Een even veelzeggende uitspraak deed Donald Trump tijdens de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen: ‘The only important thing is the unification of the people – because the other people don’t mean anything.’

En nadat Trump had gewonnen trad Wilders ogenblikkelijk naar buiten met de slogan ‘Nederland weer van ons’. Het was duidelijk dat hij Marokkanen, moslims of andersdenkenden niet tot ‘ons’ rekent. Om dat nog eens te onderstrepen zei hij over de zwarte aspirant-politicus Sylvana Simons nadat zij ernstig werd bedreigd en geïntimideerd dat zij vooral tegen zichzelf in bescherming moest worden genomen. De rechtsstatelijke bescherming waarop hij en zijn aanhang moeten kunnen rekenen geldt dus niet voor anderen.

De strategie van Trump en Wilders en andere populisten, van het vernederen en uitsluiten van mensen die vanwege hun ras, etnische herkomst of geloof niet tot ‘ons volk’ behoren, ondermijnt de pluriforme samenleving die in de jaren zestig en zeventig door activisten is bevochten. De twee belangrijkste pijlers daarvan zijn de rechtsstatelijke bescherming van ‘gelijkheid voor de wet’ en het progressieve samenlevingsideaal van ‘gelijke kansen voor iedereen’. Voor populisten is het verschil in geslacht, huidskleur of klasse juist een argument voor ongelijke behandeling. Jan Werner Muller, auteur van een boek over modern populisme, beschrijft dat gevaar van populistische identiteitspolitiek treffend. Hij zegt: ‘The crucial difference is that populists deny or wish away the pluralism of contemporary societies. When they say equality, they mean sameness.’

Gekwetste burgers vertrouwen op autoritaire populisten in de hoop bij een homogene groep winnaars te mogen horen. Die hoop is ijdel

Er is een fundamenteel verschil tussen gelijkheid voor de wet en gelijke kansen, waarbij heel verschillende mensen, verschillende identiteiten en groepen juist in staat worden gesteld open met elkaar te praten, en de eenvormigheid die populisten wensen waarbij een gesprek alleen nog plaatsvindt binnen de eigen groep. Gekwetste burgers vertrouwen op autoritaire populisten in de hoop bij een homogene groep winnaars te mogen horen. Die hoop is ijdel. De autoritaire populisten die hun deze route wijzen zijn, zoals Muller overtuigend beargumenteert, niet werkelijk geïnteresseerd in het verbeteren van het lot van gekwetste burgers of in democratisering, maar vooral in politieke macht: ‘Populists are just different elites who try to grab power with the help of a collective fantasy of political purity.’ De dikwijls wat oudere Amerikanen uit de lagere middenklassen die op Trump hebben gestemd worden direct getroffen in hun portemonnee en welzijn, aangezien ‘Trumpcare’ hun zorgverzekering ondermijnt terwijl de rijke bovenlaag erop vooruit gaat.

Toen Wilders in 2010 de kans kreeg te regeren leverde hij direct zijn in beton gegoten belofte dat ouderen met 65 konden stoppen met werken in. Aangezien het populisme gedijt op maatschappelijke tegenstellingen hebben populistische leiders er weinig baat bij om deze te verminderen als zij eenmaal de macht hebben. Daarbij raakt de aantasting van vrijheden – zoals de vrijheid van religie en meningsuiting – uiteindelijk niet alleen ‘de anderen’ maar ook degenen die wel deel uitmaken van ‘ons volk’. Vrijheden hebben nu eenmaal geen selectieve werking maar zijn van toepassing op alle burgers, ongeacht of ze deel uitmaken van de minderheid of de meerderheid.

Het meest desastreuze effect van identiteitspolitiek in de handen van autoritaire populisten is wel dat slachtofferschap en gekwetstheid hardnekkiger worden. Het perspectief op sociale stijging en emancipatie vermindert verder. De maatschappelijke ongelijkheid die burgers juist in de armen dreef van populisten blijft in stand. Daarbij verslechtert het zelfbeeld van kwetsbare burgers alleen maar. Deel van de populistische argumentatie is namelijk dat mensen – en de natie waarvan zij deel uitmaken – één vaste en onbeweeglijke identiteit hebben. Dé Nederlander bestaat en die is een voorstander van Zwarte Piet (die nooit teloor mag gaan), een tegenstander van ‘multikul’ en ‘doet liever gewoon want dan doet-ie al gek genoeg’. Mensen raken opgezadeld met een onwrikbare identiteit die hen uiteindelijk juist meer vernedert: de hoop op groei en op verandering van het eigen leven valt definitief weg.

In een recente toespraak demonstreerde de Engelse schrijfster Zadie Smith aan de hand van het levensverhaal van haar vader hoe wezenlijk die hoop op verandering juist is. Haar vader, een joodse holocaustoverlevende, had in zijn leven weinig geluk gehad, maar hij weigerde zijn omstandigheden te veralgemeniseren: hij raakte werkloos maar verloor niet het geloof in zijn land, het schoolsysteem liet hem in de steek maar hij richtte zijn hoop op het onderwijs voor zijn kinderen en hij trouwde niet met een zwart meisje maar met ‘Yvonne’. Hij was, zegt Smith, een lid van de witte arbeidersklasse maar weigerde zich in het hokje te laten duwen van de ‘angry white man’: ‘He was a man often afflicted by despair who still managed to retain a core optimism.’ Misschien, concludeert Smith, was haar vader zeldzaam, maar zijn bestaan mag niet ontkend worden noch ‘the possibility of lives like his’.

Smith haalt haar vader niet aan als een lichtend, moralistisch voorbeeld voor anderen. Ze brengt hem in herinnering als één van velen, van mensen die zich niet willen laten reduceren tot een enkelvoudige identiteit. Zijn hoop is erop gericht dat je in de loop van je leven verandert, en dat je omstandigheden beter worden: je kunt jezelf vormgeven en meerdere identiteiten verzamelen die soms in elkaars verlengde liggen, maar soms juist ook niet. Je kunt gastarbeider zijn, Turk, moeder, feministe, zakenvrouw en dat allemaal tegelijkertijd of juist afwisselend.

De vraag is hoe de neerwaartse spiraal van oplopende gekwetstheid, identiteitspolitiek en populisme te stoppen.

Het eerste antwoord is dat burgers in staat moeten worden gesteld om gul te zijn jegens anderen. Zodra de elementaire angst over de eigen toekomst vermindert, er perspectief ontstaat op een beter leven voor hun kinderen, er toegang is tot welvaart, goed onderwijs en macht, vermindert de onvrede over de samenleving. Ook het verlangen anderen als onwelkome indringers weg te duwen vermindert als de samenleving meer egalitair is. Dat betekent dat ‘gelijke rechten’ niet enkel als een statisch, grondwettelijk beginsel moet worden gehandhaafd, maar ook moet worden gematerialiseerd.

Sinds de jaren tachtig zijn de verschillen tussen inkomens snel toegenomen terwijl de ongelijkheid in kansen tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’ geenszins is verminderd. Het emancipatie- en individualiseringsproject uit de jaren zestig en zeventig moet opnieuw ter hand worden genomen. En meer dan inkomensgelijkheid verdienen beter en toegankelijker onderwijs en verregaande democratisering van de macht en de politieke besluitvorming voorrang.

Als tweede zou ‘pluralisme’ als nationaal cultuurgoed en als maatschappelijke opdracht omhelsd moeten worden. Niet de starre ‘multiculturele samenleving’ waarin elke cultuur, religie en traditie haar onveranderlijke plekje krijgt toebedeeld, maar het idee dat onze cultuur doorlopend verandert, vernieuwt en wordt beïnvloed.

In een prachtig essay schreef journalist Hendrik Jan Schoo over de nationale identiteit dat het geen ‘merk’, geen onveranderlijke ‘harde kern’ is maar veel eerder een ‘werkhypothese over onszelf’: ‘Identiteit is net als de geschiedenis zelf “een gesprek zonder end”.’

Wat voor de nationale identiteit geldt, geldt, mutatis mutandis, ook voor ons, individuen. Wij allen ontwikkelen ons in de loop van ons leven, veranderen (hopelijk) vaak van gedachten, en hebben meervoudige identiteiten. Het was in de jaren zestig en zeventig die gedachte aan persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling, aan het kunnen veranderen van je lot en je omstandigheden en aan de hoop op een beter leven, die mensen vrij maakte.

Aan die gedachte is niets gedateerd.


Dit is een verkorte en geactualiseerde versie van een lezing die Femke Halsema uitsprak voor de Raad voor het Openbaar Bestuur