Wie is polen, waar ligt hitler?

Twee jaar geleden hield het Historisch Nieuwsblad een proefwerk geschiedenis onder leden van de Tweede Kamer. Het resultaat: een bonte verzameling misverstanden. De parlementari‰rs dachten dat Willem van Oranje bij Dokkum was vermoord, dat Alfrink de eerste bisschop van Nederland was en Jezus de apostel der arbeiders. Wanneer het actief vrouwenkiesrecht was ingevoerd en hoeveel Nederlandse vrijwilligers bij benadering hadden gediend bij de Waffen SS? Ook dat was gissen voor de leden van de Tweede Kamer. Gemiddeld haalden ze een 4+. Ze lagen er niet wakker van. Het ging, zeiden ze, om vaardigheden; feiten kon je opzoeken.

Maart dit jaar presenteerde professor Dolf Kohnstamm een onderzoek naar de algemene ontwikkeling van Leidse studenten. Ze hadden nog minder kennis dan de parlementari‰rs. Genocide? De studenten hadden geen idee wat dat was. Perestrojka, was dat niet een merk likeur? En Luther - had die niet de bijbel geschreven? De studenten vonden hun onwetendheid niets om je druk over te maken. Zij wisten dingen die de professor niet wist. Bijvoorbeeld wie de Spice Girls waren. Bovendien: alle informatie was te vinden op Internet.
Vooral in het voortgezet onderwijs is opzoeken in. Leerlingen moeten onderzoekers in de dop worden en zichzelf een weg door de geschiedenis banen in encyclopedie‰n en op Internet. De docent heeft alleen nog een rol als ‘procesbewaker’. Waartoe dat kan leiden, vertelde ooit een moeder van een middelbare scholiere. Thuisgekomen na een gecombineerde les geschiedenis/aardrijkskunde vroeg haar dochter: 'Wie is Polen, en waar ligt Hitler?’ Ze had dat nooit gehad, want 'ze kon alles opzoeken’.
Als het aan de commissie geschiedenisonderwijs ligt, die eind vorige week staatssecretaris Netelenbos adviseerde, zullen dergelijke voorvallen tot het verleden behoren. De commissie wil dat geschiedenis gewoon weer een overzicht geeft. In haar eigen woorden: historische feiten en chronologisch besef moeten weer belangrijk worden. Vaardigheden komen op de tweede plaats.
Geschiedenis mag dus weer. Rousseau, Robespierre, Napoleon, Lenin, Hitler, Abraham Kuyper, Domela Nieuwenhuis en Troelsta komen in plaats van de onderdrukte vrouw in de Romeinse Oudheid en de viking als allochtoon. De leerling krijgt weer een handvat om de wereld te begrijpen. Als het goed is leert hij dat Willem van Oranje - niet vermoord in Dokkum maar in Delft - een rasopportunist was en geeft hem dat te denken over hedendaagse vaders des vaderland als Lubbers en Kok. Als het goed is leert hij dat Colijn in 'ons Indi‰’ niet alleen in olie handelde, maar ook inlandse vrouwen en kinderen liet afschieten, waarschijnlijk omdat hem was geleerd dat ieder rechtgeaarde Nederlander dat zou doen. Als het goed is leert hij dat de belangrijkste vroege parlementaire enquˆte van eind negentiende eeuw ging over de miserabele werkomstandigheden van de arbeiders en dat die enquˆte gezien kan worden als een poging van de liberalen om de socialistische arbeidersbeweging de wind uit de zeilen te nemen. Als het goed is leert hij dat genocide te maken heeft met Hitler, maar ook met Stalin. Om kort te gaan: in het ideale geval wordt de leerling duidelijk dat geschiedenis een drama is in vele bedrijven, een machtsstrijd tussen edelen, burgers, industri‰len en arbeiders; tussen politici, denkers, geestelijken en godsdienstfanaten; tussen idealisten en moordenaars. En zo verder, en zo voort. Ook blijkt aan de leerling dat die 'chaos’ kan worden gezien als een proces, van Franse Revolutie tot Russische Revolutie, en van daar tot een parlementaire democratie met een waarachtig sociaal gezicht.
Maar het duurt nog even voor het zover is. De komende vijf jaar kan Netelenbos niets doen met het advies van de geschiedeniscommissie. De leerlingen zitten opgescheept met massa’s schoolboeken van de voorlaatste onderwijsvernieuwing, waarin weinig is te vinden over het verleden en veel over 'zelfwerkzaamheid’. De opzoekcultuur regeert over haar graf.