‘Wie kan macht het hoofd bieden?’
Cicero, De republiek of de dood

De vader hield zijn piepjonge baby in één arm, terwijl hij met de andere een slok nam van zijn biertje. Het was druk in de kroeg, en luid, men dronk alsof het vat ieder moment voorgoed leeg kon zijn. De vader was niet ouder dan halverwege de twintig, hij zat op een barkruk aan een hoge tafel met drie vrienden die halverwege ieder biertje een nieuwe ronde bestelden.

Pas toen de vader naar de kinderwagen liep om de baby erin terug te leggen, zagen we dat er nog een baby was. Het was een raadsel hoe die dubbele kinderwagen door de mensenmassa die smalle kroeg in was gekomen, maar daar stond hij, toegedekt met een hydrofiele doek, strijdvlag der jonge ouders.

Iedereen vroeg naar de baby’s, en zo vingen we op dat het een zeven weken oude tweeling betrof, drie weken te vroeg geboren. Ze bleven maar huilen en dus was de vader een rondje met ze gaan lopen. Hij was de kroeg gepasseerd en had zijn vrienden zien zitten. Ze haalden hem over wat te blijven drinken, en nu wilden ze even buiten roken. Of de dames – hij voerde dit gesprek met twee vrouwen van middelbare leeftijd, op de rand van vrolijk dronken en laveloos – een oogje in het zeil wilden houden. Toen de vader was vertrokken, lichtten de vrouwen giechelend de doek op, waarna hun hoofden in de wagen verdwenen.

Onbegrijpelijk, zei M, dat hij ons niet vroeg om op te passen. Wij vier waren inderdaad onmiskenbaar de meest nuchtere aanwezigen van het etablissement.

Met een half oog hielden we de dronken vrouwen in de gaten, ondertussen bespraken we de film die we net hadden gezien, Triangle of Sadness. Een half grappige, half flauwe satire over de superrijken waarvoor, daarover waren we het eens, Ruben Östlund niet per se een Gouden Palm had hoeven krijgen. Het kwam erop neer dat de rijken machtig waren, maar ook leeghoofdig en ongelukkig. Als je ze in een context plaatste waarin hun rijkdom er niet meer toe deed, bleven alleen die laatste twee kwaliteiten over.

Waar de rijken de eerste helft van de film verveeld en dronken op een luxecruise hadden doorgebracht, troffen we ze in de tweede helft aan op een tropisch en schijnbaar onbewoond eiland nadat het cruiseschip was opgeblazen door piraten. De rijken beschikten over nul vaardigheden om zichzelf in leven te houden en werden compleet afhankelijk van een vrouw die op het schip de toiletjuffrouw was geweest. Zij ving vissen met haar blote handen en roosterde die op het door haar aangemaakte vuur. Zodra ze zich, een uur na het aanspoelen, bewust was van haar plotselinge superioriteit greep ze zonder aarzelen de macht. Een mini-matriarchaat was geboren. Of eigenlijk, een crèche: de overlevingsinstincten van de rijken bleven beperkt tot het dociel aanvaarden van de nieuwe machtsverhoudingen. Ze waren hulpeloze peuters en konden er alleen het beste van hopen.

De dronken babysitters van de tweeling hadden hun interesse verloren. Zonder zelfs nog een blik te werpen op de kinderwagen pakten ze hun jassen en wiebelden ze naar de uitgang. De vader en zijn vrienden waren nergens te bekennen.

B liep op de kinderwagen af en lichtte voorzichtig een puntje van de doek op. Klaarwakker, rapporteerde ze. Ik dacht aan de moeder van de tweeling, vermoedelijk in een bed niet ver hier vandaan. Ik stelde me voor dat ze opgelucht was toen haar vriend even naar buiten ging met de huilende baby’s. Hoe die opluchting, naarmate het langer duurde, veranderde in verbazing, irritatie, boosheid, paniek. Ze appte hem maar hoorde zijn telefoon trillen op het nachtkastje. Waar de hel zijn mijn baby’s gebleven?

Als ik een baby had, zei M, zou ik er zo’n 24 uur per dag bovenop zitten om te zien of die nog wel ademt.

Zullen we ze anders uit die wagen halen en mee naar huis nemen? opperde F.

We keken elkaar aan, dachten aan de mogelijkheid, hoe we ons meteen in een heel ander soort film zouden bevinden.

Buiten zat de jonge vader ingeklemd tussen twee jonge vrouwen een sigaretje te roken. Ik snapte hem, en ik snapte de moeder, die met een bonzend hart door de woonkamer liep, denkend aan de dag dat ze naar buiten zou lopen, zonder baby’s, zonder wie dan ook, de kroeg in, en hoe ze zou zitten praten en lachen. Het fonkelende kleine ding terugpakte dat ze kortstondig uit handen had gegeven: haar macht.