Wie kijkt naar wie

De algoritmen van sociale media beantwoorden misschien wel ons diepste verlangen: gezien worden. Onvoorwaardelijk is hun erkenning echter niet.

Iedereen wil gezien worden. Voor Oprah Winfrey is dat de belangrijkste les die ze tijdens haar carrière leerde, zo vertelde ze de afgelopen tijd meermalen aan de pers. In totaal interviewde Oprah meer dan 37.000 mensen (!), maar hoe verschillend die ook waren, allemaal stelden ze haar na afloop van het gesprek dezelfde vraag. Of het nu Beyoncé was of een man die zijn hele familie verloor, Barack Obama of een zedendelinquent, wat ze wilden weten was: ‘How was it? Heb ik het goed gedaan? Kwamen mijn woorden over en hebben ze indruk op je gemaakt?’

Het is dit verlangen om gezien te worden dat volgens Oprah ‘de gemeenschappelijke draad van onze menselijkheid’ vormt. Wat we zoeken in de ogen van een ander is een erkenning van ons eigen bestaan. En misschien, denk ik soms, geldt dat zelfs als die blik enkel uit nullen en enen bestaat.

Het is een van de grootste klachten van deze tijd: niemand wil meer naar een ander luisteren, niemand is meer bereid naar een ander te kijken. ‘Een discussie tussen doven’, noemde Bas Heijne het onlangs in zijn NRC-essay ‘We zijn beter te manipuleren dan ooit’. Het enige wat mensen nog lijken te willen is hun emotie uiten. Oftewel: laten zien wie ze zijn. Dát ze er zijn.

Geen wonder, zou Oprah zeggen (neem ik aan): dat is dus die draad waar we allemaal van geweven zijn. En dat is ook precies wat sociale media voor veel gebruikers zo aantrekkelijk maakt. In theorie zijn die media immers de grootste podia ooit gebouwd. Met één grappige tweet, mooie foto of snedig commentaar is het in potentie mogelijk een miljoenenpubliek te bereiken. Aandacht is eindelijk gedemocratiseerd, de belangrijkste mening is die met de meeste likes. Voor het eerst in de geschiedenis is de schijnwerper voor iedereen bereikbaar.

Misschien is de mens dus helemaal niet narcistischer geworden, zoals tegenwoordig zo vaak wordt beweerd. Misschien is gewoon nu pas de technologie beschikbaar die tegemoetkomt aan zijn diepste drijfveer. Misschien is het probleem alleen dat het op dat podium zo ongelooflijk druk is. Want dat is de keerzijde van sociale media: hoe meer gebruikers, hoe groter het potentiële publiek, maar ook hoe harder je in die veelheid van stemmen moet schreeuwen om nog te worden gehoord. Uitspraken worden daarom extremer, ‘tegenstanders’ steeds feller aangevallen, de zelfimportantie uitvergroot: er woedt een strijd van allen tegen allen om aandacht.

‘Je hebt geen flauw idee hoe krachtig het voelt als iemand weet dat hij door je is gezien’

Maar als sociale media inderdaad een gigantisch podium zijn, wie zit er dan in de zaal? Als het God en de mens niet zijn, omdat de eerste dood is en de tweede doof, wie vormt dan het publiek?

Enter de almachtige algoritmen met hun blik van nullen en enen. Dat is tenslotte waar ze voor zijn, zo wordt ons steeds verteld: algoritmen moeten weten wie je bent, zodat ze weten wat je wilt. Of het nu informatie is, een geliefde of een nieuwe jas. Zij houden je daarom in de gaten. En, werd een paar jaar geleden verkondigd, zij kennen je ook echt. 150 likes, meer hebben de algoritmen van Facebook niet nodig om een betere inschatting te maken van iemands persoonlijkheid dan vrienden en familie konden, zo wees onderzoek van de universiteiten van Cambridge en Stanford uit. ‘Facebook kent je beter dan je moeder!’ kopten kranten wereldwijd.

Nu zijn er tientallen vraagtekens te zetten bij zulk onderzoek, al dan niet filosofisch (wat is een persoonlijkheid? Is kennen hetzelfde als voorspellen? Kunnen vlees en bloed in data worden gevat?), de reden dat de uitkomst volgens mij zo gretig gedeeld werd, was dat het op een bepaalde manier een geruststelling vormde: in de chaos van de online wereld is er tenminste iemand die wél op je let. Die elke klik belangrijk vindt, elke tweet en zelfs die foto van een zonsondergang die maar drie van je vrienden een hartje gaven: voor de algoritmen doet die zonsondergang ertoe.

Met dit verschil dat die algoritmen natuurlijk geprogrammeerd zijn om ons in groepen te categoriseren, of bubbels, die aan adverteerders kunnen worden verkocht. Als algoritmen iets doen, is het wel dat ze ons reduceren tot een kuddedier. Om maar niet te spreken over het gevaar van manipulatie, surveillance en te veel macht in te weinig handen. En zo worden we dus toch weer, heel ouderwets, teruggeworpen op onze medemens.

Is het nog mogelijk dat we zelf beter gaan kijken en luisteren? Dat we anderen gaan geven wat ze verlangen? Volgens Oprah wel. ‘Je hebt geen flauw idee hoe krachtig het voelt als iemand weet dat hij door je is gezien’, doceerde ze begin dit jaar tijdens een persconferentie. Maar daarvoor moet je wel eerst beseffen dat het hier dus om draait. Dat iedereen gezien wil worden. Je kunt pas gaan kijken, aldus Oprah (en wie kan er beter kijken en luisteren dan Oprah?), als je erkent ‘dat de kern van wie jij bent, de kern is van wie ik ben’. Zonder oordeel, zonder te zeggen dat de ander doof is, zonder hem naar beneden te halen als narcist. Want als hij het is, wat ben jij dan?