De homo economicus is een vrouw

Wie kookte voor Adam Smith?

Sinds vrouwen het mannenbolwerk van de economische wetenschap openbreken, wordt de economie menselijker, duurzamer en minder abstract. ‘Vrouwelijke economen hebben door dat economie een sociale wetenschap is en geen toegepaste wiskunde.’

‘Bij een econoom denken de meeste mensen aan een vent die wordt geïnterviewd in kranten of op televisie en die met afkortingen doorspekte bezweringsformules uitspreekt over 0,3 procent zus of tien procent zo. Hij is meestal een man, zelden stijlvol, om onduidelijke redenen overtuigd van zichzelf en ietwat saai.’ Aldus typeerde Diane Coyle, hoogleraar economie aan de University of Manchester, het aangezicht van haar vakgebied een paar jaar geleden in een opiniestuk in de Financial Times. Coyle’s stelling: de economische wetenschap heeft een probleem met vrouwen. Klinkt de stem van een invloedrijke econoom, dan hoor je in de regel een man.

Onderzoek na onderzoek heeft de afgelopen jaren aangetoond hoe dat economische mannenbolwerk functioneert. Op Nederlandse economiefaculteiten is slechts één op de tien hoogleraren vrouw. Bij wetenschappelijke seminars worden vrouwen eerder onderbroken en kritischer bevraagd dan hun mannelijke collega’s. In een enquête van de American Economics Association uit 2019 gaf een derde van de ondervraagde vrouwen aan seksediscriminatie ervaren te hebben. Vrouwelijke economen hebben meer moeite om hun artikelen door het proces van onderlinge beoordeling te loodsen en gepubliceerd te krijgen, terwijl ze vaak beter geschreven zijn. Van de honderd meest geciteerde auteurs in wetenschappelijke economietijdschriften zijn er 95 man.

Ontluisterend was het onderzoek van Alice Wu, een promovendus in de economie aan Harvard University. Ze bestudeerde duizenden bijdragen op Economics Job Market Rumors, een digitaal forum waar, veelal anoniem, informatie wordt uitgewisseld over de banenmarkt voor gepromoveerde economen. De meest gebruikte woorden als het ging over vrouwen verwezen naar primaire en secundaire geslachtskenmerken of gingen over zaken die weinig van doen hebben met een baan als econoom (‘lekker’, ‘zwangerschap’, ‘prostituee’). Dit waren de meest gebruikte woorden als het ging om mannelijke economen: ‘wiskundige’, ‘beprijzing’, ‘adviseur’, ‘tekstboek’, ‘gemotiveerd’, ‘doelen’, ‘nobel’, ‘filosoof’. Bij vrouwen kwamen deze termen nog niet in de buurt van de top-tien.

‘In het ene na het andere vakgebied zijn de afgelopen decennia vrouwen doorgedrongen tot de top van hun gebied’, zegt Linda Scott. ‘Maar in de economie wordt deze golf van intellectuele verandering tegengehouden.’ Scott is emeritus hoogleraar aan de Saïd Business School van de University of Oxford en auteur van De XX economie: Waarom vrouwen meer macht moeten krijgen. Daarin vergelijkt ze de ‘vrouweneconomie’ met de digitale economie of de informele economie; die is verweven met het mondiale systeem en vormt tegelijk een sector op zich. Tel alles wat vrouwen produceren en verdienen bij elkaar op en je komt op grofweg veertig procent van het wereldwijde bruto nationaal product. Dat maakt het des te pijnlijker, stelt Scott, dat de economische wetenschap vrouwen systematisch buitensluit, zowel in onderzoeken als in de bestuurskamers.

Toch lijken er barsten te ontstaan in het mannenbastion. Aan de top van internationale financiële instellingen staat steeds vaker een vrouw. En onder druk van de vele crises die de wereld de afgelopen vijftien jaar plaagden, wordt het geijkte denken binnen de economie op de schop genomen. Het zijn in het bijzonder vrouwen die de intellectuele revolutie aanjagen om de economie menselijker, duurzamer en minder abstract te maken. Zo ontstaan langzaam de contouren van een alternatief paradigma dat meer ruimte biedt voor de dragers van twee X-chromosomen.

Als gevolg daarvan wordt de economische lens waardoor we de wereld bezien opnieuw geslepen. Er lijkt een nieuw paradigma in opkomst dat mens en planeet centraal zet, waarin markten een middel zijn en geen doel, waarin ruimte is voor sociale winst die zich niet in geld laat uitdrukken. Ook is dit economische denken pragmatischer en meer empirisch, beter getoetst aan de ervaringen van de mensen over wie theorie uiteindelijk altijd gaat. ‘Het blinde streven naar bbp-groei is een wezenlijk kenmerk van de economie van het patriarchaat’, schrijft Linda Scott in De XX economie. ‘Dat zou niet ons hoofddoel moeten zijn.’

Een van de vormgevers van dit nieuwe paradigma is de Franse Esther Duflo. Tien jaar geleden schudde zij het vakgebied op met haar boek Poor Economics: A Radical Rethinking of the Way to Fight Global Poverty, waarin ze betoogde dat economen hun theorieën moeten testen in de praktijk, zeker waar het ontwikkelingsvraagstukken betreft. Economen laten zich te veel leiden door versimpelde aannames, vond Duflo. Ze beschouwen de wereld door de bril van theoretische modellen, in plaats van ervaringen en inzichten uit de echte wereld te nemen als bouwstenen voor een model. ‘Economen moeten meer het veld in’, was Duflo’s boodschap.

Dat advies kwam op een goed moment. De financiële crisis van 2007-2008 had de economische wetenschap in haar hemd gezet. Tot die tijd klonk vanuit het masculiene fort van topeconomen en ministers van Financiën de geruststelling dat zorgen over een huizenmarktbubbel overtrokken waren, dat de aandelen correct geprijsd waren en dat de economie eigenlijk niet stuk kon. Aan de universiteiten werden steeds verfijndere modellen over ‘frictieloze’ marktwerking ontwikkeld. Het bankwezen hield de façade omhoog en internationale instellingen keken recht over de zeepbellen heen. Dat economie gaat over echte mensen die zich niet gedragen volgens de wetmatigheden uit de modellen werd voor het gemak buiten beschouwing gelaten. Na het uiteenspatten van de zeepbel stelde koningin Elizabeth II, terwijl ze het lintje doorknipte bij een nieuwe aanbouw van de London School of Economics, de enige logische vraag: ‘Waarom zag niemand dit aankomen?’

‘Er waren wel vrouwen die waarschuwden voor een crash’, zegt Irene van Staveren, hoogleraar pluralistische ontwikkelingseconomie aan het International Institute of Social Studies in Den Haag. ‘Maar naar hen werd niet geluisterd.’ Twee jaar voor de val van Lehman Brothers publiceerde de Britse econoom Ann Pettifor een boek met de profetische titel The Coming First World Debt Crisis. De risicomanager bij Lehman, Madelyn Antoncic, luidde in datzelfde jaar intern de noodklok, omdat ze zich zorgen maakte over de kwetsbare positie van haar bank. De topmannen sloegen haar waarschuwingen in de wind.

Als er meer vrouwen aan het roer van banken hadden gestaan, had de crisis misschien wel vermeden kunnen worden, opperden feministische economen. Van Staveren deed onderzoek naar deze zogeheten ‘Lehman Sisters’-hypothese en ontdekte dat er een kern van waarheid in schuilt. Vrouwen zijn over het algemeen iets terughoudender in het nemen van risico’s, minder snel geneigd zichzelf te overschatten en weten beter om te gaan met onzekerheid. Natuurlijk is oestrogeen geen wondermiddel tegen wanbeleid, maar er is genoeg wetenschappelijk bewijs dat meer genderdiversiteit de besluitvorming ten goede komt.

De puinhopen van de crisis boden gelegenheid om afscheid te nemen van de zelfverzekerdheid waarmee de economie jarenlang een vorm van ultieme mansplaining was geworden. ‘Bij beleidsmakers en hoogleraren drong het besef door dat het dominante economische denken ons in de problemen had gebracht’, zegt Van Staveren. ‘De crisis was het startpunt van de opkomst van creatieve, andersdenkende en veelal vrouwelijke economen.’

De puinhopen van de crisis boden gelegenheid om afscheid te nemen van de zelfverzekerdheid waarmee de economie jarenlang een vorm van ultieme 'mansplaining' was geworden

Inmiddels ligt er een stevig aanbod aan nieuwe ideeën in de monetaire economie, de ontwikkelingseconomie, het denken over duurzaamheid en de rol van de staat. Stephanie Kelton, hoogleraar aan Stony Brook University, laat in The Deficit Myth zien dat de bezuinigingsprogramma’s waar regeringen de afgelopen jaren mee kwamen aanzetten op valse aannames berusten. Mariana Mazzucato, verbonden aan University College London, rekende in The Entrepreneurial State af met de mythe dat innovatie te danken is aan de vrije markt. En Kate Raworth, die doceert aan Oxford en Cambridge, biedt in Doughnut Economics een model voor een duurzame samenleving.

Esther Duflo is inmiddels een van twee vrouwen die ooit de officieuze Nobelprijs voor de Economie ontvingen. (Ze ontving de prijs samen met haar co-auteur en partner Abhijit Banerjee.) Vorig jaar publiceerde ze Good Economics for Hard Times, een boek waarin ze de laatste empirische inzichten in de grote vraagstukken van deze tijd boekstaaft. Wie denkt dat migranten banen inpikken van autochtonen, schuift stapels bewijs voor het tegendeel terzijde, zo blijkt. Het idee dat belastingverlaging een manier is om groei aan te jagen doorstaat de empirische toets evenmin. En het tegengaan van klimaatopwarming lukt alleen als we consumptie aan banden durven te leggen. Net als andere prominente vrouwen in het publieke debat schrikt Duflo er niet voor terug om heilige huisjes te bestormen.

Stephanie Kelton © University of Massachusetts Amherst CISDM Research Conference

‘Forget business as usual!’ schreef de Nigeriaanse econoom Ngozi Okonjo-Iweala onlangs op Twitter onder een foto van haarzelf met een blauwe doek om haar hoofd gewikkeld. Ze was op dat moment net gekozen tot de eerste vrouw die de Wereldhandelsorganisatie mag gaan leiden (na een tweestrijd met een andere vrouw, de Koreaanse Yoo Myung-hee). Daarmee is ze het laatste voorbeeld van een bredere trend: ook in de top van internationale economische organisaties wordt de mannelijke monocultuur stap voor stap teruggedrongen.

Christine Lagarde verruilde haar baan als directeur van het Internationaal Monetair Fonds voor de rol van voorzitter van de Europese Centrale Bank en werd opgevolgd door weer een andere vrouw: de Bulgaarse Kristalina Georgieva, die in de jaren tachtig promoveerde op Amerikaans milieubeleid en economische groei in haar geboortestad Sofia, aan wat destijds het Karl Marx Hoger Economisch Instituut heette. Bij het imf werd Georgieva welkom geheten door de Indiaas-Amerikaanse Gita Gopinath, sinds 2019 hoofdeconoom van deze ‘bank voor landen’. In de halls of power in Washington loopt ook Carmen Reinhart rond. In mei vorig jaar werd zij hoofdeconoom van de Wereldbank toen ze haar vrouwelijke voorganger Pinelopi Koujianou Goldberg opvolgde.

Janet Yellen, die al een carrière lang pleit om sociaal welzijn onderdeel van monetair beleid te maken, is aangetreden als minister van Financiën in de regering-Biden. Ze is de eerste vrouw ooit in die functie en heeft haar handtekening gezet onder een economisch steunpakket voor Amerikaanse gezinnen van ongekende omvang. ‘Door alle wiskunde vergeet men weleens dat economie uiteindelijk draait om het verbeteren van mensenlevens’, zei Yellen toen ze onlangs met Kristalina Georgieva in gesprek ging voor een podcast over ‘womenomics’. De imf-baas kon het alleen maar beamen: zelf besloot ze zich te richten op duurzame economie nadat een familielid ziek was geworden door vervuild grondwater. ‘Slecht beleid heeft een enorme impact op gewone mensen’, leerde Georgieva.

Inclusiever leiderschap helpt om de rol van vrouwen in de economie een wezenlijk onderdeel te maken van het vakgebied, zegt Linda Scott: ‘Met name Lagarde is zeer belangrijk geweest. Die zette genderongelijkheid op de kaart en werd daar vervolgens niet om afgemaakt.’

‘Het is goed dat er meer diversiteit is aan de top’, vindt ook Sandra Phlippen. Als hoofdeconoom van ABN-Amro schuift ze regelmatig aan bij televisieprogramma’s, net als haar ing-collega Marieke Blom en Barbara Baarsma, directievoorzitter van Rabobank Amsterdam. Het is belangrijk dat vrouwelijke rolmodellen vaker in beeld komen wanneer het over de economie gaat, vindt Phlippen, al merkte ze dat het voor sommige kijkers aanvankelijk even wennen was: ‘Toen ik een paar jaar geleden een maandelijkse rubriek had in Buitenhof, kreeg ik veel commentaar op mijn uiterlijk. Het was niet eens altijd vervelend bedoeld. Reacties als: “Goh, wat een leuk jurkje had je aan.” Nou, fijn, want ik vind een leuk jurkje ook belangrijk, maar het viel me wel op dat het weinig over de inhoud ging. Dat is bij een man toch anders.’

Het is opmerkelijk dat de opmars van vrouwelijke topbestuurders samenvalt met een turbulente periode in de wereldeconomie. Neem Ngozi Okonjo-Iweala. Zij treedt aan nu de Wereldhandelsorganisatie in een diepe crisis zit. Christine Lagarde werd gekozen als imf-topvrouw in de nasleep van de Grote Recessie en treft nu een ecb die zoekende is naar haar rol. Dat lijkt geen toeval. Britse wetenschappers ontdekten dat vrouwen vaker naar voren worden geschoven wanneer het slecht gaat met een bedrijf. In plaats van een glazen plafond worden deze topvrouwen in crisistijd geconfronteerd met een ‘glazen klif’. Zodra het misgaat, kunnen ze gemakkelijk worden geslachtofferd en als de rust terugkeert, worden ze ingeruild voor een man in pak. Maar er is ook een positieve uitleg: na een crisis volgt een heroriëntatie en dat vergt een ander type leiderschap. Ja, deze vrouwen treden aan op een lastig moment, maar dat biedt een uitgelezen kans om het roer om te gooien. Ze kunnen echt iets veranderen. Van Staveren is niet bang dat topvrouwen als Christine Lagarde en Gita Gopinath straks van de glazen klif worden geduwd. ‘Ik denk dat dit een blijvende doorbraak is.’

Linda Scott © Rick Bern

Bij de kritiek dat vrouwen worden buiten-gesloten kon de economie zich lange tijd verschuilen achter de eigen aannames. Een wetenschap die zich primair richt op hoe markten werken en hoe individuen op rationele wijze hun voorkeuren nastreven, zal zich niet snel achter de oren krabben over een oververtegenwoordiging van mannen. Zeker niet wanneer de dominante filosofie voorschrijft dat zo min mogelijk interventie het eerlijkste resultaat van het spel tussen vraag en aanbod oplevert.

Wie die logica volgt komt er snel op uit dat een gebrek aan invloed van vrouwen in de economie aan de vrouwen zelf moeten liggen, een probleem aan de aanbodzijde kortom. In 2005 beweerde Larry Summers, voormalig Amerikaans minister van Financiën en hoogleraar aan Harvard, nog dat vrouwen nu eenmaal niet over voldoende bèta-capaciteiten beschikken en meer talent hebben voor het opvoeden van kinderen.

‘De aanname is altijd geweest dat mannen en vrouwen precies dezelfde kansen hebben in de economische wetenschap’, zegt Linda Scott. ‘Daarin zie je hoezeer de economie uitgaat van neutrale individuen die leven in een vacuüm. Alsof structurele barrières en historische achterstelling niet bestaan. Zeggen dat ondervertegenwoordiging aan vrouwen zelf ligt is een excuus om het daar niet over te hoeven hebben.’

In de jaren negentig konden economen nog wegkomen met het ‘excuus’ dat vrouwen over het algemeen ondervertegenwoordigd waren in de universiteitsbanken. Als het beter zou gaan met de emancipatie in het onderwijs, zou de economische wetenschap vanzelf volgen. ‘Deze “pijnlijnverwachtig” is niet uitgekomen’, zegt Henriëtte Prast, hoogleraar gedragseconomie aan de Universiteit van Tilburg. Ons land telt intussen meer vrouwelijke dan mannelijke studenten, maar in economieopleidingen zijn vrouwen met 35 procent nog altijd ruim in de minderheid en nog minder stoot door in een wetenschappelijke carrière. ‘Met tien procent vrouwelijke economiehoogleraren in Nederland scoort de economische wetenschap slechter dan alle andere disciplines’, constateert Prast. >

Het gaat al fout in de onderbouw van de middelbare school, ontdekte ze. De lesboeken bevatten twee keer zoveel mannelijke personages en schetsen een gedateerde arbeidsverdeling, met vrouwen in ondergeschikte rollen. ‘Ze doen het vast niet expres, maar dit zegt veel over het wereldbeeld van de leraren en economen die het lesmateriaal samenstellen. Blijkbaar hebben ze een sterke gender bias’, zegt Prast. ‘En diezelfde leraren moeten jonge vrouwen wegwijs maken in de economie.’

‘De aanname is altijd geweest dat mannen en vrouwen precies dezelfde kansen hebben in de economische wetenschap. Daarin zie je hoezeer de economie uitgaat van neutrale individuen die leven in een vacuüm’

Een naam die in weinig economiehandboeken zal ontbreken, is die van Adam Smith. Met zijn idee van de onzichtbare hand vestigde de Schotse filosoof zijn reputatie als geestesvader van de moderne economie. Zijn meest fameuze citaat gaat als volgt: ‘Het is niet vanwege de goedheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij ons eten verwachten, maar vanwege hun eigen-belang.’ En hoewel het geen recht doet aan de veelzijdigheid van Smiths denken, domineert deze gedachte tot op de dag van vandaag het economische paradigma. De mens zou een homo economicus zijn, een rationeel individu dat in de eerste plaats zijn persoonlijke welvaart nastreeft, wat uiteindelijk de samenleving als geheel ten goede komt.

Maar als iedereen zich puur zou laten leiden door eigenbelang, had Adams maag ’s avonds geknord, merkt de Zweedse journalist Katrine Marçal fijntjes op in haar boek Who Cooked Adam Smith’s Dinner (2015). Het is te danken aan de zorgzaamheid van zijn moeder dat Smith zijn eten kon verwachten, alleen is dat een motief waarvoor de economische wetenschap nauwelijks aandacht heeft, omdat het niet voldoet aan het beeld van de calculerende, zelfzuchtige consument. Het is geen toeval, betoogt Marçal, dat kenmerken die we associëren met vrouwelijkheid – emoties, onderlinge afhankelijkheid, opoffering – ondergewaardeerd en onderbelicht blijven. De homo economicus is een man. De ware onzichtbare handen zijn die van vrouwen.

‘Sinds Adam Smith hebben witte mannen geprobeerd de economie tot steeds scherpere en nauwere natuurwetten te reduceren’, zegt Anne Kervers, die aan de Universiteit van Amsterdam promoveert op geldcreatie en de financiering van klimaatbeleid. ‘Een nieuwe generatie vrouwen problematiseert dat.’ Zoals de natuurkundige ontdekkingen van Isaac Newton het economische denken hebben beïnvloed, met de nadruk op mathematische zekerheden en universele wetmatigheden, zo kan dat ook het geval zijn bij de nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten, hoopt Kervers. Het concept van een autonoom individu is aan herziening toe, nu we onze plaats in het web des levens beter begrijpen. Het nastreven van eigenbelang levert helemaal geen collectieve voorspoed op wanneer onze hebzucht de voorwaarden van het leven op aarde dreigt te ondermijnen.

Kervers voelt zich geïnspireerd en gesterkt door de opkomst van grensverleggende denkers als Kelton, Mazzucato en Raworth. Toen die laatste een paar jaar terug in Nederland was, bezocht Kervers meerdere lezingen, waar ze zag hoe Raworth, ondanks felle kritiek, soeverein overeind bleef. ‘Dat deze vrouwen afwijken van de norm en oog hebben voor andere aspecten, maakt dat ik zelf ook groter durf te denken’, zegt ze. ‘De tendens binnen academisch onderzoek is om te focussen op één dimensie. Ik begrijp wel dat je onderzoek moet afbakenen, maar juist die intersectionele analyse van Raworth vind ik zo noodzakelijk. Zij neemt de ecologische crisis niet als bijzaak, maar als uitgangspunt. Het is begrijpelijk dat veel mainstream economen daarover vallen: ze dachten op stabiele grond te staan en opeens wordt het kleed onder hun voeten weggetrokken.’

Mariana Mazzucato © TED Conference 2019 / Flickr

Kelton, Mazzucato en Raworth lieten op Twitter hun onderlinge bewondering blijken door met elkaars boeken op de foto te gaan. De gebundelde kracht van hun ideeën over een circulaire economie, de ondernemende staat en geldcreatie kan een transformatie teweegbrengen in de economie, aldus het bijschrift van Raworth. ‘Wat ik zo treffend vind is dat ze elkaar niet willen beconcurreren, maar versterken’, zegt Kervers. ‘Dat zie je niet vaak onder economen.’

Niet dat deze iconoclasten onweersproken zijn. abn-econoom Sandra Phlippen maakt bezwaar tegen het gemakzuchtige gebash van de ‘modellen’. ‘Kwantitatief onderzoek is helemaal geen mannending. We moeten oppassen dat we niet doen alsof vrouwen zich vooral bezighouden met de soft stuff.’ Natuurlijk, ze erkent dat een gebrek aan diversiteit leidt tot gebrekkige theorievorming en ze heeft bewondering voor economen als Duflo die de aannames achter de economische modellen toetsen aan de empirie, maar de hype rondom Raworth stoort haar mateloos. ‘Doughnut Economics heb ik echt met afgrijzen gelezen’, zegt Phlippen. ‘Het maakt een karikatuur van ons vakgebied. Als je haar boek moet geloven zijn economen verantwoordelijk voor alle kwaad in de wereld.’

Ook Keltons ‘modern monetary theory’ oogst brede kritiek. Zij zou de geldpersen te makkelijk willen aanzetten waardoor de komende generaties verdrinken in schuldenlast. Mazzucato’s werk wordt vaak weggezet als gedegen onderzoeksjournalistiek zonder veel wetenschappelijke waarde. En criticasters zien Duflo’s pleidooi voor dubbelblinde testen van economische interventies als te beperkt en vaak zinloos.

De kritiek op de XX-economen, zo blijkt, spitst zich opvallend vaak toe op de methode, die afwijkt van het gangbare onderzoeksprocedé. Terwijl deze vrouwelijke succesauteurs vinden dat de economie zich te veel verliest in theoretische abstracties, krijgen zij vaak de kritiek dat ze te anekdotisch te werk gaan. Hier wreekt zich de lange traditie in de universitaire wereld waarin een kwantitatieve wetenschapsmethode hoger staat aangeschreven dan het kwalitatieve werk waarmee het dominante denken nu wordt opengebroken.

In De XX-economie doet Linda Scott geen moeite om haar ergernis daarover te verbergen. Haar veldwerk, waar veel mannelijke collega’s op neerkijken, vormt de basis voor de modellen en berekeningen: ‘Wij haalden onze tetanus- en hondsdolheidsprikken, slikten ons antimalariamedicijn, pakten onze antibiotica in en namen het vliegtuig voor een vlucht van tien tot dertig uur. Dan reden we nog urenlang in een busje, de laatste paar uur over slechte wegen, en maakten vervolgens werkdagen van twaalf uur zonder zelfs de mogelijkheid om onze handen te wassen en vaak zonder iets te eten. Elk project vereiste maanden van voorbereiding, er was nauwelijks geld, en we moesten altijd tientallen mensen tot medewerking zien te bewegen, maar er kwam altijd een grote hoeveelheid kwantitatieve en kwalitatieve data uit. In de ogen van extreme marktzeloten zijn de conclusies van de man (…) op grond van secundaire bronnen “hard”, en is ons onderzoek “zacht”. De groeten.’

Die aandacht voor de ‘echte’ wereld achter de statistieken is iets wat al deze vrouwelijke vernieuwers delen. Een van de redenen dat Esther Duflo gelauwerd wordt, is dat zij zorgvuldig opgezette proeven gebruikt om te onderzoeken welke vorm van armoedebestrijding het beste werkt in de praktijk. Voordat haar bestseller verscheen werkte Kate Raworth als onderzoeker bij ontwikkelingsorganisatie Oxfam, waar ze zag hoe ver de grafieken en formules die zijn ontwikkeld op westerse universiteiten af stonden van de uitdagingen van vrouwen in Bangladesh of boeren in Zambia. ‘Deze vrouwelijke economen hebben heel goed door dat economie een sociale wetenschap is en geen toegepaste wiskunde’, zegt Irene van Staveren. ‘Het gaat over gedrag en dat is enkel te verklaren in de menselijke context.’

Esther Duflo © Henrik Montgomery / TT News Agency via AP / ANP

Zal die menselijke blik ervoor zorgen dat we over tien jaar aan iets anders denken bij een econoom? Zal de omschrijving van Diane Coyle – een saaie maar zelfverzekerde man in pak die praat over procentpunten – straks gedateerd aanvoelen? Zeker is in ieder geval dat veel economen die de afgelopen jaren furore maakten niet aan dat beeld voldoen. Het zijn de vrouwelijke economen die niet zijn gekneed aan prestigieuze ‘Ivy League’-universiteiten die het denken doen kantelen, nu oude zekerheden aan het wankelen worden gebracht en conventionele theorieën tekortschieten. Waarom moet de economie almaar groeien? Hoezo heeft de overheid ‘geen geld’ om ambitieus klimaatbeleid en goede zorg te financieren? En wie zegt dat de private sector de broedplaats voor innovatie is? De heilige huisjes die lange tijd onverwoestbaar leken, zijn niet veilig voor de iconoclasten.

‘Wat ik zo treffend vind is dat Stephanie Kelton, Mariana Mazzucato en Kate Raworth elkaar niet willen beconcurreren, maar versterken. Dat zie je niet vaak onder economen’

‘Het perspectief dat deze vrouwen inbrengen is wat de wereld op dit moment nodig heeft’, schreef paus Franciscus in zijn nieuwe boek Let Us Dream. Mariana Mazzucato kreeg alvast een adviserende functie in de economische Covid-19-taskforce van het Vaticaan en ook veel andere vrouwen op internationale economische sleutelfuncties proberen de essentiële transitie naar een duurzame economie vorm te geven. ‘Ik wil elke mogelijkheid verkennen om klimaatverandering te bestrijden’, verklaarde ecb-voorzitter Christine Lagarde.

Linda Scott durft te spreken van een voorzichtige paradigmawisseling en verwijst naar The Structure of Scientific Revolutions van wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn. ‘Een nieuw paradigma komt op twee manieren tot stand’, zegt Scott. ‘Als er observaties worden gedaan die niet binnen de bestaande theorie passen, en als zich nieuwe stemmen mengen in het vakgebied. In de economie zijn beide nu aan de hand.’ Hoe dat nieuwe paradigma er precies uit zal zien, valt volgens Scott niet te voorspellen, maar dat het vrouwen binnen- in plaats van buitensluit staat volgens haar vast.

Die verandering begint met de bereidheid om de basale aannames van het vakgebied te bevragen, en dat is precies wat een nieuwe generatie vrouwelijke economen doet, ziet Scott: ‘Het idee was dat de economie een stevig bouwwerk was, dat soms hier en daar wat reparatie behoefde. Ik denk dat het tijd is om het huis af te breken en vanaf de grond opnieuw op te bouwen.’


Stephanie Kelton verjaagt het bezuinigingsspook

Haar boek The Deficit Myth had niet op een beter moment kunnen verschijnen, midden in een pandemie die overheden dwingt om duizelingwekkende bedragen in de economie te pompen. De EU-lidstaten gingen akkoord met een herstelfonds van 750 miljard euro. In Amerika krijgt iedere belastingbetaler een cheque van veertienhonderd dollar in de brievenbus. Gratis geld van Vadertje Staat. Voor iedereen die nerveus wordt van de oplopende begrotingstekorten heeft Stephanie Kelton een geruststellende boodschap: het idee dat de staatsschuld straks weer terugbetaald moet worden is een mythe.

Kelton is hoogleraar economie aan Stony Brook University in New York en aanhanger van de modern monetary theory (mmt), een eigenzinnige stroming die het denken over geld en schuld op zijn kop claimt te zetten. Landen met een eigen munt en centrale bank zouden nooit om cash verlegen hoeven te zitten. De huidige spendeerdrift van overheden zien mmt’ers als een bewijs daarvan: als de nood hoog genoeg is, kent de schatkist geen bodem. Het is te hopen dat dit besef na de coronacrisis beklijft, betoogt Kelton, want in plaats van te bezuinigen moeten overheden investeren om een socialere en schonere economie te creëren.

Haar succes werkt als een rode lap op economen die de modern monetary theory toch al met argwaan bekeken. Ze storen zich aan het gemak waarmee progressieve politici en opiniemakers weglopen met een theorie die gouden bergen belooft. Ontdaan van alle opsmuk zou Keltons betoog helemaal niet zo baanbrekend zijn. Door te doen alsof dat wel zo is zaaien mmt’ers verwarring. ‘Het probleem is dat ik Keltons argumenten totaal niet volg’, schreef econoom Paul Krugman op zijn New York Times-blog. ‘Als ze zegt wat ik denk dat ze zegt, lijkt me dat duidelijk onverdedigbaar. Maar als ik dat probeer uit te leggen, krijg ik te horen dat ik haar niet goed begrepen heb.’

Kelton lijkt niet onder de indruk van alle kritiek. Met verve vervult ze de rol van mediagenieke woordvoerder van de mmt-school. Ze is niet bang om te provoceren en zet zich fel af tegen de heren op prestigieuze economiefaculteiten die de waarheid in pacht menen te hebben. ‘De zogenaamde topuniversiteiten en de toptijdschriften kennen poortwachters’, zei Kelton eerder in een interview met dit blad. ‘Het is grotendeels een old boys network. Letterlijk.’ Een aanbod van een ‘topuniversiteit’ heeft Kelton ondanks haar bestseller nog niet gekregen, maar daar is ze niet rouwig om. Zo’n aanstelling heeft ze helemaal niet nodig om gehoord te worden. In april komt de Nederlandse vertaling van haar boek uit.

Kate Raworth © Jan Boeve / ANP

Kate Raworth breekt met het eindeloze groeidenken

Kate Raworth is al de John Maynard Keynes van de 21ste eeuw genoemd. Zoals Keynes de wereldeconomie vormgaf tijdens het interbellum, zo zou Raworth een antwoord bieden op de grote uitdagingen van onze tijd, zoals de toenemende ongelijkheid en de ecologische crisis. Maar waar Keynes zich in het centrum van de macht bevond, daar oefent Raworth invloed uit door zich direct tot het brede publiek te richten. Haar boek Doughnut Economics is beschikbaar in vijftien talen en bereikte in meerdere landen de bestsellerlijsten.

Dat succes valt deels te verklaren door Raworths retorische kracht; haar betoog is ook te volgen voor mensen die terugschrikken voor formules en grafieken. De wiskundige taal van veel vakgenoten maakt juist een gevaarlijke abstractie van de realiteit, stelt Raworth. Tegenover de verhandelingen over de rationele consument en externaliteiten plaatst zij een nieuw economisch verhaal dat oog heeft voor mens en planeet. Haar model laat zich samenvatten in één beeld: dat van de donut. De binnenste ring staat voor het sociale fundament, de buitenste voor de ecologische grenzen en daartussen bevindt zich de sweet spot: een economie die voorziet in de basisbehoeften van iedereen, zonder roofbouw te plegen op de aarde.

Dat rijke landen dwars door het ecologische plafond schieten komt doordat we verslaafd zijn aan economische groei. Vrijwel iedere econoom zal erkennen dat het bruto binnenlands product (bbp) een gemankeerde maatstaf is, maar bij het maken van beleid is dat cijfer nog altijd leidend. Raworth vergelijkt het bbp met een koekoeksjong, een parasitaire indringer die zich heeft genesteld in het hart van de economische wetenschap. Om een duurzame en rechtvaardige economie te creëren moeten we de koekoek uit het nest trappen. Dat vergt een grondige herziening van alle economische schoolboeken, want scholieren en studenten krijgen ingeprent dat groei goed is.

De reden dat Keynes 75 jaar na zijn dood nog altijd geldt als reus in zijn vakgebied is dat zijn opvattingen een politieke vertaling kregen. Of Raworth ooit die status zal bereiken is de vraag, maar er zijn al steden, gemeenten en regio’s die hun economieën willen omvormen tot donuts. Zo kent Amsterdam een ‘donutcoalitie’ die Raworths principes als leidraad neemt, al blijft het in de gemeentelijke beleidsplannen soms vaag wat al die passages over een ‘holistische benadering’ en ‘cocreatieve innovatie’ nu in de praktijk betekenen. Zo’n transformatie kost natuurlijk ook tijd, want zoals Keynes al schreef is de grootste uitdaging niet het introduceren van nieuwe ideeën, ‘maar ontsnappen aan de oude’.

Mariana Mazzucato leert dat een ambitieuze overheid onmisbaar is

Mariana Mazzucato voelt zich soms net een soort ‘life coach’. De hoogleraar aan University College London adviseert regelmatig hoge ambtenaren en politici aan wie jarenlang is verteld dat ze zich verre van innovatie moeten houden. Laat de markt zijn werk doen, werd hun ingepeperd, en zorg vooral dat je het bedrijfsleven niet in de weg loopt. Dat staat haaks op de boodschap van Mazzucato. De Italiaans-Amerikaanse econoom wil juist dat bestuurders hardop durven te dromen, want een ambitieuze en missiegedreven overheid is een voorwaarde voor een betere wereld. ‘Als ze dat horen lichten hun ogen helemaal op’, zei ze in 2019 tegen Wired.

De aandacht voor de ‘echte’ wereld achter de statistieken is iets wat de vrouwelijke vernieuwers delen. ‘Het gaat over gedrag en dat is enkel te verklaren in de menselijke context’

Mazzucato brak in 2013 door met het boek The Entrepreneurial State waarin ze haar gedachtegoed onderbouwt door de iPhone te ontleden. Steve Jobs, de oprichter van Apple, wordt alom geprezen als een groots innovator, maar zonder de overheid had hij niets bereikt, beargumenteert Mazzucato. Jobs was een meester in het combineren van bestaande innovaties tot een fantastisch product, maar als je alle losse onderdelen bekijkt ligt de oorsprong telkens bij een staatsgedreven innovatie: van Siri tot gps en van het touchscreen tot het hele internet zelf. Kortweg: zonder overheid geen innovatie.

En dus moet de overheid ambitieus zijn, groots denken en niet bang zijn fouten te maken, want ook dat hoort bij innovatie. Haar boodschap vindt weerklank bij de hoge politiek. Zo adviseert Mazzucato verschillende nationale overheden, de Europese Commissie, de Verenigde Naties en de OESO. Haar stempel is ook terug te zien in de Europese Green Deal. Commissie-voorzitter Ursula von der Leyen sprak tijdens de presentatie niet voor niets over het ‘man-op-de-maan-moment’ voor Europa, het favoriete voorbeeld van Mazzucato.

Wat we nodig hebben zijn leiders zoals de Amerikaanse president John F. Kennedy die in 1962 de ambitie uitsprak om de eerste mens op de maan te zetten. Slechts zeven jaar later was dit een feit. Volgens Mazzucato is de les dat overheden een inspirerende stip op de horizon moeten zetten, wat een proces van innovatie op gang brengt, in samenwerking met het bedrijfsleven. Economische formules zijn mooi, maar om daadwerkelijk wat gedaan te krijgen in de politiek heb je een aantrekkelijk verhaal nodig, weet Mazzucato. Het verklaart wellicht ook waarom de charismatische en welbespraakte hoogleraar zelf in enkele jaren is uitgegroeid tot een van de invloedrijkste economen wereldwijd.

Esther Duflo laat zien dat er geen economische ‘one size fits all’ bestaat

In een eeuw tijd ging de Prijs van de Zweedse Rijksdag voor de Economie (de ‘Nobelprijs’ in de volksmond) twee keer naar een vrouw. In 2009 werd Elinor Ostrom onderscheiden voor haar onderzoek naar de omgang met gemeenschappelijk bezit. Tien jaar later was Esther Duflo aan de beurt, de Franse econoom die haar collega’s lessen in nederigheid leert.

Volgens Duflo moeten economen vaker de rol van loodgieter aannemen. Niet omdat water zo essentieel is, maar omdat loodgieters een blik op hun werk hebben die bij economen vaak ontbreekt. In de economie wordt het binnenwerk als bekend verondersteld. Aan de ene kant gaan er variabelen in en aan de andere kant komen er voorspellingen uit. Te vaak, meent Duflo, rust de economie op de aanname dat, ondanks verschillende omstandigheden, de uitkomsten hetzelfde zullen zijn. Duflo’s voornaamste boodschap is dat er geen one size fits all bestaat in de economie.

Zoals een loodgieter hier en daar een leiding verlegt bij onvoldoende doorstroom of lekkage, zouden economen dat ook moeten doen. Dat betekent vastgeroeste aannames durven loslaten. Uit Duflo’s werk blijkt dat vrijwel niemand minder gaat werken als gevolg van hogere belastingen. Dat winstmaximalisatie het meestal aflegt tegen niet-materiële waarden zoals gezondheid, schone lucht of zelfrespect. En soms is de optimale prijs van een product nul, zoals in het geval van klamboes in Kenia, die totdat Duflo langskwam door ontwikkelingsorganisaties werden verkocht omdat de overtuiging was dat gratis in de ogen van de bevolking gelijk stond aan waardeloos.

Duflo maakte haar vakgebied vertrouwd met het gebruik van de randomised control trial, een methode geleend van de geneeskunde waarbij de populatie wordt opgedeeld in twee vergelijkbare groepen, waarbij de ene een behandeling ondergaat en de andere niet. Alleen door deze vergelijking kan de effectiviteit van beleid worden aangetoond. Succes of falen als gevolg van derde factoren wordt anders al snel over het hoofd gezien.

Als ontwikkelingseconoom trok ze het veld in en richtte ze een netwerk van onderzoekers op die studeerkamertheorieën van de economische wetenschap testen in de praktijk. Een van de resultaten waar de ‘randomnistas’ mee thuiskwamen was een onderzoek dat nu zeer relevant blijkt. De bereidheid om gevaccineerd te worden schiet omhoog als er een kleine beloning tegenover staat die voldoet aan directe behoefte. Op het platteland van India bleek dat een zak linzen te zijn.

Een eerste onderzoek naar de covid-aanpak waar Duflo aan meewerkte is net af. Om te zorgen dat informatie over het virus, preventieve maatregelen en vaccins doordringt, is het essentieel dat de expert die uitleg geeft een vergelijkbare achtergrond heeft als de ontvanger van de boodschap.

Linda Scott wil vrouwen de economische macht geven die ze verdienen

De Duitse vertaling van Linda Scotts boek The Double X Economy: The Epic Potential of Women’s Empowerment maakt nog duidelijker wat haar boodschap is. Das Weibliche Kapital, maakte de uitgever ervan. Denk het middelste woord weg en je begrijpt dat Scott een verhaal over uitsluiting en uitbuiting te vertellen heeft. Net als Marx bewijst Scott met haar werk dat economie een kwestie van macht en moraal is, voordat het over cijfers en modellen gaat.

Dat de economische wetenschap vrouwen buitensluit en dat vrouwen in een economisch ondergeschikte positie zitten zijn twee kanten van dezelfde medaille, laat Scott zien. Hoewel ze verantwoordelijk zijn voor bijna de helft van het mondiale bruto product, hebben ze zelden de productiemiddelen in handen. Een voorbeeld: minder dan twintig procent van de grondbezitters ter wereld is vrouw. Vrijwel overal ter wereld hebben vrouwen minder toegang tot spaartegoeden, crediteuren en kapitaal, de brandstof van de economie.

Scott laat ook weinig heel van de overtuiging dat genderongelijkheid vooral een probleem is in ontwikkelingslanden. In gelijkheidsparadijzen als Zweden en Denemarken liggen de inkomsten van vrouwen tien jaar na de geboorte van een kind een kwart lager. In Duitsland is dat zelfs zestig procent. Mannen leveren vrijwel niets in. Er staat een financiële straf op het moederschap, aldus Scott. Die lagere verdiensten lopen parallel aan de disproportionele hoeveelheid zorg en huishoudelijke taken die vrouwen op zich nemen. Zou deze activiteit, net als ‘echt’ werk, in geld worden uitgedrukt, dan zou de XX-economie nog veel groter zijn. Alleen doen economen dat niet. En raad eens welk geslacht er in dat vakgebied oververtegenwoordigd is?

Scott is een econoom die zich boos maakt, een kwaliteit die zeldzaam is in een vakgebied dat gelooft in de superioriteit van koele ratio (‘The truth will set you free, but first it will piss you off’, is een motto dat ze van feminist Gloria Steinem leent). Bijvoorbeeld bij onderzoeken die laten zien dat de economische gevolgen van een crisis vooral bij vrouwen terechtkomen. Dat gebeurde in 2008, zo is inmiddels gebleken uit de invloed van de Grote Recessie op de verdiensten van vrouwen. En dat is nu zo, tijdens de covid-crisis. Parttimewerk gaat er bij een tegenslag als eerste aan, en dat wordt vaker door een vrouw gedaan, zeker omdat kinderopvang duur is. ‘Covid heeft veel vrouwen weer terug in een positie van afhankelijkheid en dienstbaarheid gedrukt’, schreef Scott onlangs op haar blog.

Het zijn dit soort conclusies die het fundament leggen onder Scotts centrale stelling: je kunt met geen mogelijkheid naar onderzoeken kijken en beweren dat de economische achterstand van vrouwen aan henzelf ligt. ‘Vrouwen hebben hun economisch lot niet gekozen. De wereld heeft een keuze voor hen gemaakt’, aldus Scott.