DE SPAGATEN VAN DE PVDA 

Wie kust de sociaal-democratie wakker?

Arie van der Zwan geeft met zijn nieuwe boek een aanzet tot een debat binnen de PvdA als dat in de Duitse SPD. Maar onbesmette vertolkers van dit socialistisch reveil ontbreken.

Wie niet op ruim dertig jaar partijlidmaatschap kan bogen, leek de afgelopen week even niet aan de bak te komen in de discussie over de toekomst van de pvda. Zo was daar senator Klaas de Vries, in 1973 gedebuteerd in de Tweede Kamer, die de leiderschapskwaliteiten van Wouter Bos hekelde. ‘Er is grote spanning tussen de leider en de leden’, zei hij in een interview met De Pers. Tweede-Kamerlid Paul Kalma (sinds 1975 bij de partij) stelde in de jaarlijkse Wibautlezing niet voor het eerst dat de partij ‘is vervreemd van haar eigen wortels’. Maar centraal stond de presentatie van het boek over de geschiedenis van de pvda van Arie van der Zwan. Daarin noemt hij de partij ‘ideologisch uitgewoond’ en ‘losgeslagen van haar ankers’. De pvda ‘heeft ook geen hart meer’. En inderdaad, Van der Zwan was eind jaren zestig al actief binnen Nieuw Links en schreef mee aan het manifest Tien over rood.

Het pleidooi voor een linksere pvda is desondanks meer dan een archaïsche oprisping. In de Duitse spd, moeder aller sociaal-democratische partijen, woedt al maandenlang een debat hierover. Aanleiding zijn de electorale successen van ‘Die Linke’, de nieuwe concurrent op links. Om die opmars te stuiten, wist partijvoorzitter Kurt Beck de spd zo ver te krijgen de bakens te verzetten. De spd moest meer aandacht schenken aan de toegenomen inkomensverschillen, de nieuwe armoede en de topinkomens. Inmiddels verkeert Beck in grote problemen, maar het debat over de noodzaak van een linksere koers is niet voorbij.

In Nederland staat die discussie in de kinderschoenen. Van der Zwans nieuwe boek over de pvda, Van Drees tot Bos: Zestig jaar succes en mislukking, leest als een poging een fundament te leggen waarop een linkervleugel in het debat kan voortbouwen. Op de kwaliteit van de studie valt het nodige af te dingen. Het is in weerwil van de ondertitel geen geschiedenis van de pvda geworden. Daarvoor beperkt Van der Zwan, voormalig hoogleraar economie aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit en topman van Vendex International en de Nationale Investeringsbank, zich te veel tot een overzicht zonder bronvermeldingen van de rol van de pvda bij de diverse naoorlogse kabinetten. Het economische perspectief domineert. Voor culturele ontwikkelingen waarmee de partij een omgang moest zien te vinden – van de jongerenrevolte in de jaren zestig tot de kritiek op de multiculturele samenleving eind jaren negentig – heeft Van der Zwan nauwelijks aandacht. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen binnen de partijorganisatie, op de succesvolle revitalisering door zijn ‘eigen’ Nieuw Links na.

Als politiek betoog voor een drastische koerswijziging snijdt Van Drees tot Bos wel degelijk hout. De huidige crisis van de pvda komt volgens Van der Zwan voort uit het verloochenen van de sociaal-democratische idealen en de wens om koste wat kost mee te regeren. Dat is meteen ook de rode draad in zijn partijgeschiedenis. Iedere poging van de sociaal-democraten om op te schuiven naar het politieke midden en zo het cda en haar voorgangers uit hun dominante positie te verdrijven, liep uit op een electorale afstraffing. Dat kwam niet in de laatste plaats door het gat dat de pvda aan haar linkerflank liet vallen. Drees, Kok en Bos – Den Uyl vormt voor Van der Zwan de positieve, want polariserende uitzondering – maakten allen de fout de ideologische veren af te schudden. Het begon al direct na de oorlog met de wilde stakingen. De door de pvda gedomineerde regering besloot het protest te breken. Prompt kreeg zij bij de verkiezingen van 1946 de rekening gepresenteerd toen ter linkerzijde de cpn een historische winst behaalde.

Zelfs van de begeerde regeringsdeelname kwam zelden iets terecht. De nuchtere verklaring van Van der Zwan luidt dat de achterban van het cda en zijn voorgangers op de meeste punten rechts is. De christelijke partijen hebben dan ook meestal met de vvd geregeerd. Alleen als het niet anders kon, mocht de pvda aanschuiven. Liefst als de sociaal-democraten electoraal verzwakt waren en om de kastanjes uit het vuur te halen; denk aan de hervorming van de wao die Kok begin jaren negentig bijna de kop kostte.

Met het huidige kabinet is het niet veel anders. Na jaren van neoliberale hervormingen wil het cda het sociale gezicht oppoetsen, zonder al te veel af te wijken van de gevolgde koers, schrijft Van der Zwan. De pvda werkt daaraan mee. De SP heeft zich ondertussen meester gemaakt van de agenda van sociale bescherming en rechtvaardigheid, ‘waarvan Bos zich willens en wetens had afgekeerd’, aldus Van der Zwan. Hij is dan ook niet mals in zijn kritiek op de ‘Nederlandse Tony Blair’ en zijn ambities om de grootste te worden.

In plaats van zich daarop blind te staren, moet de pvda zich reanimeren door de strijd aan te binden met wat Van der Zwan, in navolging van de Amerikaanse voormalige onderminister Robert Reich, het superkapitalisme noemt. Maar Bos treedt onvoldoende op tegen topinkomens en hedgefondsen: ‘Bos kan of wil het verschil niet maken, zijn partij loopt daardoor het gerede risico tijdens deze regeringsperiode verder te worden gemarginaliseerd.’

Van Drees tot Bos vormt de laatste in een reeks rapporten, manifesten en andere discussiebijdragen die volgden op de verkiezingsnederlaag van november 2006. Zo concludeerde de vanuit de partij ingestelde commissie-Vreeman in haar onderzoek vorig jaar dat de pvda kampt met een onduidelijke identiteit. De partij zou weer als vanouds bruggen moeten slaan, ‘tussen kansarme groepen en het kansrijke midden’. Ook Frans Becker en René Cuperus van de Wiardi Beckman Stichting legden in hun onderzoek Verloren slag veel nadruk op het te boven komen van de ‘electorale spagaat’ waarin de pvda zich zou bevinden. Die spagaat is tussen hoger en lager opgeleiden, tussen ‘de winnaars en verliezers van de modernisering’. Het leidt tot een onduidelijke positionering van de pvda. ‘In de tijd van Paars boog de pvda mee met de westenwind, met de mood van markt en privatisering. In het kabinet-Balkenende IV buigt de pvda mee met het christen-democratisch communitarisme. Welke is nu de positie van de pvda?’

Daarover verschillen de meningen. Zo’n beetje alle relevante politieke stromingen zijn binnen de pvda terug te vinden. De partij huisvest niet alleen sociaal-democraten, maar ook sociaal-conservatieven, zoals Tweede-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem, en sociaal-liberalen. Hoewel hij de meeste affiniteit lijkt te hebben met de laatste heeft Wouter Bos zich tot doel gesteld al die groepen te verenigen. Van een meer sociaal-democratische koers kan dan ook geen sprake zijn. Jan Pronk, nog zo’n partijcoryfee die onlangs pleitte voor een heroriëntatie, werd er in Socialisme & Democratie door Bos van beschuldigd de prioriteit te willen verleggen van de middenklasse naar de onderklasse. ‘Dat zou niets minder betekenen dan dat we breken met de traditie van de pvda als partij die probeert om een coalitie te smeden van onderklasse, solidaire middenklasse en verlichte intellectuelen. Dat deden we en dat doen we omdat we de onderklasse alleen maar kunnen helpen en verheffen als de middenklasse bereid blijft om de portemonnee te trekken.’

Het is die hardnekkige visie op de middenklasse, van de winnaars van de globalisering die moeten lappen voor de verliezers, die Van der Zwan in zijn boek kritiseert. Hij wijst erop dat de SP met een uitgesproken sociaal-democratisch programma naast lager opgeleiden ook steeds meer kiezers trekt uit alle andere lagen van de bevolking. Hoe is dit mogelijk? Een verklaring is dat de middengroepen geen homogeen blok zijn. ‘De’ middenklasse bestaat niet. Grote delen hiervan zijn ook getroffen door de neoliberale hervormingen, door de verschraling in de zorg en het onderwijs. De kwaliteit daarvan is juist voor de middengroepen die hogerop willen essentieel. Niet voor niets noemde driekwart van de SP-kiezers bij de laatste verkiezingen de betaalbaarheid van de gezondheidszorg als voornaamste reden voor hun stemkeuze. Blijkbaar is een duurder stelsel van sociale zekerheid ook voor veel mensen uit de middengroepen verkieslijker dan toenemende sociale onzekerheid. Dat geldt dus niet alleen voor de ‘onderklasse’ – overigens een term die net als het denigrerende ‘verliezers’ of ‘de zwakkeren in de samenleving’ getuigt van de enorme afstand tussen politici en hun natuurlijke achterban.

Het werpt een ander licht op het debat binnen de pvda. Is de electorale spagaat werkelijk het grootste probleem? Of zijn het niet zozeer de kiezers die gespleten zijn maar is het de partij zelf, met een kloof tussen leiding en leden, partij en achterban, tussen de beheerders en de gebruikers van de verzorgingsstaat? Als dat het geval is, hoeft een koerswijziging ten gunste van de sociaal-democratie de spagaat niet te verergeren, zoals Bos waarschuwde. Zij kan deze ook verhelpen door duidelijkheid te scheppen en partij en kiezers weer op één lijn te brengen.

Waar het de pvda aan ontbreekt, zijn geloofwaardige vertolkers van zo’n nieuw, linkser geluid. Jan Pronk, Klaas de Vries, Paul Kalma en Van der Zwan behoren allen tot een vorige generatie. Zij praten niet alleen vanuit een ander politiek kader, maar zijn tot op verschillende hoogte ook politiek of ideologisch verantwoordelijk voor het vanaf eind jaren tachtig gevoerde hervormingsbeleid. Met hun huidige kritiek laden ze daarom al snel de verdenking van rancune of machtspolitiek op zich. Iemand als Jacques Monasch, de oud-campagnestrateeg van Kok, die met de groep ‘Rooie veren’ pleit voor een linksere, sociaal-democratische koers en herstel van de ledendemocratie, is al evenzeer besmet.

Dat hoeft niet te gelden voor nieuwe generaties. Zij zijn tot nu toe opvallend afwezig in het debat over de toekomst van de pvda. Misschien is dat omdat velen van hen achter Bos staan. Een herwaardering van de grote, sociaal-democratische verhalen beschouwen zij als misplaatst dogmatisme. Maar volgens diezelfde Jacques Monasch kampen zij met een soortgelijke kloof tot de kiezers als de rest van de partij. In een interview met het SP-partijblad Tribune sprak hij vorig jaar smalend over de in de documentaire De Wouter Tapes zichtbare jongeren rond Bos als rijkelui voor wie de globalisering een ‘uitdaging’ is. ‘Yup zijn, dat vinden ze het toppunt van emancipatie. Die houding mag je best hebben. Maar je bent out of touch als je meent dat de meerderheid zo leeft of denkt. Die komt thuis met een klein inkomen voor een heel gezin waar misschien ook nog eens schulden van moeten worden afbetaald. Maar wat zegt dat elitaire groepje over mensen die niet zo denken als zij? Ze kunnen de grote internationale ontwikkelingen niet aan, ze zijn bang en denken provinciaals.’

Het wachten is op de jonge politici die het tegendeel bewijzen, die de klassieke socialistische idealen weten aan te vullen met nieuwe antwoorden op de globalisering en de flexibilisering van de economie. De vraag is in hoeverre zulke mensen na twintig jaar Derde Weg nog hun heil bij de pvda zoeken.

Arie van der Zwan, Van Drees tot Bos: Zestig jaar succes en mislukking_, Balans, 362 blz., € 22,50_