Toneel op televisie

Wie Loek zoekt: die zit thuis

Terug van jaren weggeweest: toneel op televisie. Zes avonden Toneel op 2, met onder meer Het temmen van de feeks, Op Hoop van Zegen en De koopman van Venetië. Geheel gratis en ongesubsidieerd.

ALWEER ENKELE WEKEN is er toneel te zien op de televisie. Dat is lang niet meer gebeurd. Het roept nostalgische herinneringen op aan de jaren zestig in de vorige eeuw, toen het huwelijk tussen toneel en televisie nog gelukkig was. Dat lees ik tenminste in de kranten. En het is niet helemaal wat ik me ervan herinner. Om te beginnen: gelukkig huwelijk, voor wie? Het publiek? In veel huiskamers was toneel op televisie een zwaarbevochten kijkervaring. Ik groeide op in een cultuurarm gezin. Als er klassieke muziek, literatuur, toneel of (nog erger) ballet op tv was, ging bij ons op de boerderij aanvankelijk meteen de knop om.
Op den duur waren er twee dingen die (wat het toneel betrof) in mijn voordeel werkten. Om te beginnen was ik de oudste en de koppigste. Verder bleek mijn moeder ook van toneel te houden, onder invloed van haar vader, in het interbellum in ons dorp een gevierde karakterspeler bij de plaatselijke amateurtoneelvereniging. In 1963 heb ik samen met hem naar De kersentuin door de Haagse Comedie gekeken, voor de televisie bewerkt door Willy van Hemert. Opa had nooit in zo’n stuk gespeeld en aan zijn genotvol gegrom in kolossale wolken sigarenrook kon ik horen dat mijn liefde voor toneel niet uit een koekoeksnest was komen vallen.
Maar je moest opa ook weer geen ‘raar’ toneel voorzetten. Dus als Kees van Iersel voor de Vara of de VPRO een experimentele auteur de buis op gooide, Beckett of Ionesco, vertolkt door de toneelspelers van ‘zijn’ Toneelgroep Studio, rechtstreeks vanuit de Brakke Grond, dan kwam de liefde voor toneel op de televisie onder zware druk te staan. Bij Van Iersel zelf trouwens ook: als hij na zo’n avond met voor veel kijkers onbegrijpelijk piep-knor-existentie-toneel de volgende ochtend bij zijn slager of melkboer kwam, dan werd-ie stevig onder vuur genomen. Ook door zijn omroepbazen. Want toneel op de televisie stond in de jaren zestig in Hilversum reeds te boek als ‘geen echte televisie’. Toneel, dat waren pratende mensen, en pratende mensen, dat was radio, en radio dat was ‘kapotte televisie’.
Toen het toneel in 1969 zo’n beetje van binnen en van buiten was opgeblazen, de grote ensembles geleidelijk verdwenen en het ‘gemakkelijke’ toneel (komedies, kluchten) werd overgenomen door commerciële entrepreneurs met goeie contacten in Hilversum en omstreken, was het snel over met klassieke stukken op de buis. De juweeltjes die af en toe voorbij kwamen, zakten weg in het moeras van televisie-alledag-zonder-geheugen. Waarin iedereen nu iedereen napapegaait dat het zo’n schande is dat Pierre Bokma nog nooit op de televisie te zien was in een mooie toneelrol. Terwijl hij in de lente van zijn loopbaan, samen met Hans Dagelet, bijvoorbeeld speelde in het Heijermans-juweel Kwelling, gemaakt bij Toneelgroep Baal. Maar ja, dat was 25 jaar geleden en daarna nooit meer terug te zien. Want ‘raar’ toneel, dat herhalen ze nooit in Hilversum.
WANNEER u dit leest zijn de meeste van de zes registraties waaruit de reeks Toneel op 2 bestaat al uitgezonden, inclusief Het temmen van de feeks van William Shakespeare in de nieuwe vertaling van Hafid Bouazza en in de regie van Ivo van Hove, met Halina Reijn als de feeks en Hans Kesting als haar temmer. Het is ook de enige registratie waarin de televisieregisseurs Peter de Baan en Floor Maas gebruikmaakten van de splitscreen-techniek. Waarmee meteen wordt gedemonstreerd wat dat ene spaarzame streepje vóór is dat de televisiekijker kan hebben op de toneelkijker, namelijk dat het menselijk oog op meerdere plaatsen vanuit meerdere perspectieven tegelijk kan waarnemen. De camera als voyeur die met de toeschouwer complotteert en die brutaal mee de zaal in gaat, tussen het publiek, wanneer de toneelspelers daar ook te vinden zijn.
De onvermoeibare aanjager van de toneelregistraties op de televisie is televisieproducent Marc Nelissen. Hij geeft twee redenen voor zijn enthousiasme: ‘De drempel voor toneel moet naar beneden.’ En: ‘Belangwekkende kunstzinnige prestaties moeten worden vastgelegd, zodat we daar tot in lengte van jaren plezier van hebben.’ Achter beide argumenten gaat een slagveld van Hoekse en Kabeljauwse twisten schuil. Drempelverlaging voor de schouwburgkunsten moet de pioniers van de jaren zestig ook voor ogen hebben gestaan, ingegeven door het in die tijd gekoesterde ideaal van cultuurspreiding. Maar dan wel in de vorm van een doekje voor het bloeden. Mijn moeder ging bijvoorbeeld nooit naar de schouwburg, ze wist niet eens hoe je er moest komen en waar je kaartjes kon krijgen. Zij ging wel eens per jaar met de Katholieke Bond van Boeren- en Tuindersvrouwen per touringcar naar Carré, voor Snip & Snap of Anatevka. Door die televisieregistraties van voor haar onbereikbare toneelvoorstellingen zat ze thuis toch een keer of tien per jaar eerste rang ‘in de schouwburg’. Maar haar uitgaansgedrag of dat van haar boeren- en tuindersvrouwenvereniging veranderde er niet door: de touringcar ging het volgende jaar gewoon weer naar de Sleeswijkrevue en niet naar Op Hoop van Zegen of Shakespeare.
Dat ligt nu anders. Het toneel heeft de slag om het brede publiek al lang en breed verloren van de kleinkunst en de musical, de kunstvorm houdt zich desalniettemin aardig staande en kan juist daarom wel wat aantrekkelijkheidsinjecties gebruiken. Deze vorm van ‘reclame’ voor het medium toneel is ook relatief goedkoop: een ton per uitzending, het toneelgezelschap draagt tienduizend euro bij.
Het tweede argument van tv-producent Nelissen – mooie toneelstukken moeten we bewaren – gold bij de pioniers van de toneelregistraties in de jaren zestig niet. Ze kwamen vaak live vanuit een toneelzaal, opgenomen met drie camera’s (vergelijking met vandaag: voor de registratie van een solerende kleinkunstenaar staan er tegenwoordig al snel zes klaar). En er liep zelden een tape mee. Want de beelddragers van de jaren zestig (vaak ampexbanden) waren zo duur dat het ene programma over het andere heen werd opgenomen – op die manier zijn we alle afleveringen van Ja Zuster Nee Zuster ‘kwijtgeraakt’ en niet omdat een of andere sukkel per ongeluk alles wiste, zoals de mythe wil.
Ik kan zo een rijtje tamelijk historische live televisieregistraties van toneelvoorstellingen uit de jaren zestig noemen die niet in de archieven van Beeld & Geluid voorkomen en die ook niet in de kelders van het Toneelmuseum liggen. De meiden van Jean Genet, voor het eerst in volledige mannenbezetting (met onder anderen de onlangs overleden acteur Henk van Ulsen) en Als er geen zwarten bestonden moesten ze worden uitgevonden, een zeer omstreden stuk van Johnny (All in the Family) Speight, in een omstreden regie van John van der Rest. De thuiskomst van Harold Pinter in de door de auteur bewonderde enscenering van Toneelgroep Centrum (met Guus Hermus en Ton van Duinhoven). Prometheus van Aeschylos in de piste van Carré, met de reusachtige Albert van Dalsum in zijn (bijna) laatste toneelrol, regie: Erik Vos. Allemaal live uitgezonden, allemaal weg.
Overigens: tot vreugde van velen. Toneel, zo wil het cliché, is de vluchtige kunst van het hier en nu, en dat moet zo blijven. Waarom deze mythe van het ‘transitorische’ karakter der dramatische kunst wel opgaat voor het toneel en niet voor ballet, opera, historische politieke debatten en tennis heeft niemand mij ooit kunnen uitleggen.

HET PROJECT Toneel op 2 heeft gekozen voor registraties in toneelzalen. Mét publiek. Waarop onnozelaars uit de entertainmentindustrie meteen van alles begonnen te roepen over de galmende bombast van tóóóneelspelers die nu het televisiescherm onveilig gingen maken. Die mensen hebben heel lang geen Nederlands toneel gezien. En ze houden er waarschijnlijk ook niet van. De makers van de zes registraties duidelijk wel. Om te beginnen is de selectie scherp en zonder rekening te houden met de ontvangst – voorstellingen die door de pers lauw of slecht werden ontvangen, bleven binnenboord, onder het motto: dat zullen we dan nog wel eens zien. Het programma omvatte twee Shakespeares, een klassieke Nederlandse kaskraker, een nieuw Nederlands stuk, een fraai voorbeeld van muziektheater en een moderne klassieker op locatie (Kasimir en Karoline van Horvath door NTGent, een voorstelling die zich in de televisieregistratie door een documentaire vorm van regie zelfs beter laat genieten dan op de enorme locatie).
Een fraai voorbeeld van het wankel evenwicht tussen toneel en televisie was Heijermans’ Op Hoop van Zegen, de enige registratie die op prime time werd uitgezonden. Op het toneel was die voorstelling een puik staaltje ensemble-acteren (regie: Jaap Spijkers). De enscenering was even sober als het toneelbeeld: donker, kaal, met wat zeegezichten op de achtergrond, drie reusachtige klokken rechtsvoor, en in het midden een rond podium waar alles gebeurde, als in een boksarena. De toon van de spelers was direct, op het harde af, zonder al te veel illustratief acteren. Alle couleur locale was uit Heijermans’ tekst gefilterd, zijn taal was echter niet ‘gemoderniseerd’, wat op een mooie manier vervreemdend werkte. Televisieregisseur Eddy Habbema koos voor de afgebeulde visserskoppen, veel close-ups dus, weinig ‘totaaltjes’. In het begin was dat schrikken, mede door het ongepolijste, bitse geluid. De emotionele onderlaag van de tekst kwam juist binnen omdat de toneelspelers hun personages in grove penseelstreken toonden, met af en toe een scherp geëtst detail. Er was zodoende alle ruimte voor het vakmanschap van de auteur, die in Op Hoop van Zegen iets aan het uitproberen was dat in de Nederlandse toneeltraditie van de vorige eeuwwisseling nog niet bestond: naturalisme zonder noodlotsdreun, modern toneel als een nuchter gedemonstreerde keten van menselijke fouten en onmenselijke misrekeningen. Goed drama dus, dat je aan de stoel kluistert. Of die nu in de schouwburg stond of thuis.
Dat geldt zeker ook voor Shakespeare’s De koopman van Venetië door de Theatercompagnie in de regie van Theu Boermans. Hij had veel aarzelingen bij het plan voor een registratie, stemde uiteindelijk toe vanwege de publieksverbreding en het bewaarargument – terecht, deze voorstelling verdient het door heel veel mensen en tot in lengte van jaren te worden gezien. Marc Nelissen heeft er mooie televisie van gemaakt, met respect voor de theatergebeurtenis, je zou het bijna een reportage over een toneelevenement kunnen noemen, met camera’s (zeven in getal) die bijna terloops aanwezig en nonchalant quasi-afwezig zijn, het koele oog dat waarneemt met de onderhuidse opwinding van ‘moet je nou toch eens kijken’. Tijdens een viewing op bioscoopscherm in ‘zijn’ Compagnietheater vlak voor de zomer vertelde Theu Boermans dat hij zijn acteurs tijdens de opnames alleen heeft gevraagd iets minder ‘verreikend’ te spelen, in plaats van naar achter in de zaal nu mikken op het midden. Het is een onversneden plezier om toneelspelers zo dicht op de huid gezeten te zien, niet alleen de onvolprezen Pierre Bokma als Shylock, maar ook Loes Haverkort en Eva van der Gucht in de bijlijn van het stuk. En dat komt weer omdat Theu Boermans het spelletje wie-van-de-drie in die bijlijn net zo energiek ensceneerde als de met antisemitisme jonglerende hoofdlijn van het stuk. En door de ingreep de spelers uit de hoofdplot de belangrijke bijrollen te laten spelen in die bijlijn: de patjepeeërs die dingen naar de hand van Portia.
Zo zie je hoe Pierre Bokma uit nauwelijks drie pagina’s Shakespeare een hilarische kruising tovert tussen Kim Jung-il en de Mao-weduwe Jiang Qing, een komedienummer om in te lijsten. Vooral omdat je die knetterende lachovaties uit de zaal er geheel gratis en ongesubsidieerd bij cadeau krijgt.

De koopman van Venetië, vrijdag 11 september, 22.40 uur. Kasimir en Karoline, vrijdag 18 september, 22.40 uur. Uitzendingen op Nederland 2. Toneel op 2 wordt volgend seizoen voortgezet