Kunst: Maria Lassnig

‘Wie met een tijger slaapt, wordt door hem opgegeten’

Maria Lassnig, Krankenhaus, 2005. Privé collectie. © Hauser & Wirth Collection /Maria Lassnig Foundation

Maria Lassnig wilde met kunst de wereld mooier maken. In haar werk, met veel lichamelijkheid en seksualiteit, is geen ruimte voor pathetiek.

De titels die Maria Lassnig aan haar schilderijen gaf klinken als éénregelige gedichten: Selbstporträt mit Ohr, Frau mit Eierstock, Fußballerin, Illusion von der versäumten Mutterschaft. Voor een kunstenaar die precies honderd jaar geleden als buitenechtelijk kind in Oostenrijk geboren werd, en van 1940 tot 1945 in Wenen aan de kunstacademie studeerde, koos Lassnig bovendien opvallend moderne onderwerpen. Haar werk gaat over mensen van vlees en bloed, vaak vrouwen zoals zij zelf. Mensen die zichtbaar worstelen met de verwachtingen over schoonheid, liefdesrelaties en machtsverhoudingen, daarover kunnen wanhopen, maar altijd een manier vinden om zelf een uitweg te vinden. Vaak gebeurt dat met een knipoog of een gulle dosis ironie in het beeld of in de titels. En in stijl, een eigen stijl.

In het Amsterdamse Stedelijk is nu een stevige overzichtstentoonstelling te zien van Lassnigs levenswerk: schilderijen, tekeningen en (animatie)films, van haar Selbstporträt expressiv uit 1945 tot aan haar laatste Selbstporträt mit Pinsel van 2010-2013. De tentoonstelling kwam er op initiatief van oud-Stedelijk-directeur Beatrix Ruf, die ook het Weense Albertina Museum en de Maria Lassnig Foundation betrok bij het project. In de herfst reist de tentoonstelling naar Wenen. Het is niet de eerste keer dat het Stedelijk het werk van Lassnig toont: nadat ze in 1982 op ‘zijn’ Documenta 7 stond, had Rudi Fuchs haar in 1994 ook uitgenodigd voor zijn eerste Couplet-tentoonstelling. Das Innere nach Aussen heette Lassnigs presentatie toen, het innerlijk naar buiten. En net als toen is haar werk nu thematisch opgehangen, maar nu is het werk van haar zelf, zo’n tweehonderd stuks in totaal.

Bij het eerste schilderij van de tentoonstelling kijk je in de loop van een pistool in de hand van een zittende naakte oudere vrouw, in haar andere hand een tweede pistool dat ze tegen haar eigen slaap houdt: Du oder ich heet het schilderij uit 2005. Veel keuze is er niet, de kunstenaar eist volle aandacht voor haar werk, neemt je mee naar haar binnenwereld. Het ‘ik’ staat centraal in die ruimte. Hier hangen Lassnigs lichaamservaringsschilderijen, Körperempfindungsbilder, waarop ze alleen die lichaamsdelen schildert die ze voelt, waar ze zich bewust van is. Het zijn de werken die ze haar hele leven bleef maken.

De kleuren zijn er fel, het palet is weloverwogen gekozen, een pastel zonder zoet te worden, het turquoise neigt naar ziekenhuisblauw, de penseelstreken zijn overtuigd neergezet, de achtergrond is neutraal. Het naakt is bloot, de losse lichaamsdelen maken het een zoekplaatje. Bij Twee wijzen van zijn (Dubbelzelfportret) heeft de ene vrouw op de plaats van het hoofd iets wat een geslachtsdeel zou kunnen zijn en blote borsten, het portret ernaast is keurig gekleed, heeft een haarloos hoofd en staat er met open mond. Alsof het nooit anders is geweest.

Er zijn ook schilderijen die naar abstractie neigen, zoals de twee Be-Ziehungen (Schicksalslinien), in de tentoonstelling vertaald als Re-Laties (Lotslijnen), in de catalogus slimmer Be-trekkingen genoemd. Het zijn twee werken uit 1994 waarop Lassnig zichzelf schildert terwijl ze hurkt, je ziet gewrichten, een omgevallen kopje. En lijnen die kruisen, boven en onder liggen. Schilderijen waarvan je intuïtief begrijpt waar het over gaat zonder het te kunnen verwoorden. Inmiddels is body-art, kunst met het lijf van de kunstenaar, een bekende categorie in de hedendaagse kunst, toen Lassnig hier in de jaren zestig mee begon, was ze de enige.

Op een goed moment kreeg ze last van hoon omdat mensen ‘dachten dat die knoedels en vierkanten zelfportretten waren’. Je zou die observatie ook kunnen omkeren: hoe objectief is de blik van de kunstenaar die naar levend model schildert? Is het niet juist het menselijke, het onregelmatige, het veranderlijke dat daarbij relevant is? Lassnig toonde dat kunstenaars het hebben van een eigen lichaam, hun subjectiviteit, onmogelijk kunnen uitschakelen en dit dus altijd in beeld brengen, hoe onmerkbaar ook. Ze benoemde iets wat voor de meeste kunstenaars, vaker man dan vrouw, zo vanzelfsprekend was dat ze het nooit hadden opgemerkt.

Maria Lassnig, Du oder ich, 2005. Olieverf op canvas, 203 x 155 cm © Maria Lassnig Foundation / Courtesy Hauser & Wirth Collection Services / Privé collectie

Tussen 1968 en 1980 woonde Lassnig in New York. Ze had zelf een animatiestudio in elkaar geknutseld, de professionele variant kon ze zich niet veroorloven. De ‘animatie’, het bezielen van de getekende vormen, lag haar goed, de inspiratie voor bewegingen, onderwerpen en verhalen lijkt onuitputtelijk. Later gebruikt ze soms bewegend filmbeeld en zeefdrukbeelden die ze door positief-negatief-bewerking ook weer abstract maakt. Prachtig, grappig, met een goed verhaal en nog steeds een lust om naar te kijken. Het is de zit in de minibioscopen in de kleinere kabinetten waard.

Bij Froschkönigin heeft de naakte vrouw een grote kikker tussen haar benen, ze staart hem aan

In de eerste zaal is ook nog Couples te zien, een grappig door Lassnig getekend en geschreven animatiefilmpje uit 1972 van bijna tien minuten. Het gaat over de complexiteit van relaties, met tekeningen van herkenbare man-vrouwfiguurtjes maar ook op geslachtsdelen lijkende abstracte wezens. Op de achtergrond klinkt swingende muziek van een elektronisch orgel – dat relaties soms lastig zijn, betekent niet dat je er te ernstig over moet doen.

De tentoonstelling springt heen en weer door de tijd, maakt de tijd en levensloop daardoor soms erg ondergeschikt aan het werk. In de Maria Lassnig Kantate uit 1992 wordt dat gebrek opgelost op de Lassnig-manier: ze bezingt er haar eigen levensverhaal. Op de achtergrond steeds geïllustreerd door animaties, ze is ieder couplet gehuld in een ander toepasselijk kostuum en heeft steeds andere make-up. Door het gewelddadige huwelijk tussen haar moeder en haar stiefvader Jakob Lassnig wist ze al jong dat relaties moeilijk konden zijn. Ze was weliswaar niet de mooiste, ze had wel het talent gekregen om te tekenen en schilderen: met de kunst wilde ze de wereld mooier en gelukkiger maken.

Haar academietijd ontbreekt in de cantate. Ze was niet erg politiek bewust op dat moment, vult de catalogus aan, maar ze vond de artistieke isolatie wel storend. Omdat ze weigerde alleen in ‘rembrandteske bruintinten’ te schilderen werd ze in een andere klas gezet. Na de oorlog maakte ze een inhaalslag: ze stortte zich razendsnel op alle moderne stromingen, maakte eigen varianten met felle kleuren: een naakt dat ze schilderde van haar partner op dat moment, de schrijver Michael Guttenbrunner, werd vanwege het kleurgebruik zelfs bestempeld als pornografie.

Ze was bevriend met kunstenaar Arnulf Rainer, met wie ze in 1951 naar Parijs ging, ze ontmoette André Breton en maakte ook kennis met de Tsjechische transgender Toyen, net als zij een kunstenaar die veel met lichamelijkheid en seksualiteit werkte. Na een tweede studie aan de academie in Wenen verhuisde ze in 1960 naar Parijs. Daar sloot ze vriendschap met de dichter Paul Celan en schreef ze voor Oostenrijkse kranten over de Franse kunstscene. De populariteit van de Amerikaanse pop- en op-art vond ze maar niks, zelf lukte het haar niet om door te breken in het Franse kunstcircuit.

Ze trok naar de Verenigde Staten want, zo zingt ze in de cantate, ‘Frauen sind dort stark’. Ze woonde in New York op zolderkamers, richtte zich op het filmmaken. Sterke vrouwen verenigde ze zelf: in 1974 was ze mede-oprichtster van de Women/Artists/Filmmakers Inc., ze organiseerde reizen naar Europa voor filmmakers als Carolee Schneemann, nam deel aan feministische bijeenkomsten bij Louise Bourgeois. Haar eerste museumtentoonstelling was in 1977 in Oostenrijk, in 1980 vertegenwoordigde ze Oostenrijk op de Biënnale van Venetië, samen met Valie Export. Pas veel later, in 2013, kort voor haar overlijden, zou ze in Venetië de Gouden Leeuw krijgen voor haar oeuvre.

Het zijn biografische gegevens, die ver af staan van de kunst van Lassnig, van wat je ziet in het museum. Haar kunst is zo autobiografisch dat de buitenwereld, haar omgeving en tijdsaanduiding, er weinig toe lijkt te doen. Ze probeert veel verschillende benaderingen: abstract, met zwarte lijnen op een wit vlak, waarbij het wit het zwart omringt, wegdrukt. Er is een charmante serie van uitgesproken figuratieve schilderijen waarin Lassnig speelt met de transparantie van plastic folie, iets wat ze voor het eerst zag in de VS. Fabelachtige schilderijen van naakte vrouwen – meestal zichzelf – met dieren: er is een vrouwelijke Laokoön en bij Froschkönigin uit 2000 heeft de naakte vrouw een grote kikker tussen haar benen, ze staart hem vragend aan.

En dan is er het schilderij Mit einem Tiger schlafen uit 1975, het schilderij waarop een grote tijger een naakte vrouw – Lassnig – beklimt. Ze schreef later: ‘Wie met een tijger slaapt, wordt door hem opgegeten’, een sombere tekst over de offers die vrouwelijke kunstenaars moeten brengen om door te breken. Minder strijden en gewoon hard werken is geen optie, vindt Lassnig, want de gunstige omstandigheden van de mannen ontbreken. Er is tegenstand van buiten – verwachtingen om te trouwen met rijke mannen, kinderen te krijgen – en van binnen de onzekerheid, omdat men van meisjes toch niets groots verwacht. Een kunstenares moet een privéleven, van huwelijk en kinderen, vergeten, ze moet haar identiteit vinden, iets authentieks maken. ‘En als ze dan nog de nodige taaiheid bezit, zal ze vroeg of laat doordringen (als ze al niet eerder dood is).’

Identiteit heeft Lassnig. Op Frühstück mit Ohr uit 1967 zitten op melkpakken lijkende wezens naast elkaar bij het tafelkleed, het sluit prachtig aan bij het Selbstporträt als Playboystühl uit 1969, een uit een grote serie tekeningen en schilderijen waarbij een (vrouwen)lichaam een stoel vormt. Lassnig heeft steeds wéér nieuwe ideeën, werkt oudere thema’s verder uit, kan tegelijk huilen en lachen. Er is geen ruimte voor pathetiek, ook aan het eind van haar leven blijft ze scherp. Ze schildert mensen in het ziekenhuisbed wier lichamen in de lijn onder de dekens de meest absurdistische vormen hebben. Het lichaam dat haar zo trouw en vruchtbaar was geweest, ging het begeven. Op het laatste schilderij uit de tentoonstelling, Selbstporträt mit Pinse I , is alleen het gezicht in verf uitgewerkt. De arm, boven het hoofd geheven, bestaat uit drie lijnen, de kracht is weg. Ook haar laatste schilderij is een Körperemfindungsbild.


Maria Lassnig, t/m 11 augustus in het Stedelijk Museum Amsterdam, stedelijk.nl