Essay Een inspiratiebron van een terrorist

Wie moet de schuld krijgen?

Ook Theodore Dalrymple werd aangehaald in het manifest van Anders Breivik. De psychiater vraagt zich nu af of hij, onder meer door wat hij schreef over immigratie, heeft bijgedragen, hoe minimaal ook, aan de totstandkoming van Breiviks daad. En zou hij dan moeten zwijgen?

EEN PAAR JAAR TERUG had ik een patiënt die trouw op alle afspraken verscheen gekleed in een militair uniform, inclusief kistjes. In de straten van de stad was hij door zijn camouflage hoogst verdacht, maar hij was overduidelijk even veel een soldaat als Marie Antoinette een herderin was. Hij wilde net zo min onder een militair regime leven als Marie Anoinette schapen wilde hoeden. Op de mouw van zijn overhemd was een West-Duits vlaggetje genaaid, en ik vroeg me af of dat een metoniem was voor iets veel onheilspellenders. Hij hield enorm veel van dieren, net zoals veel leiders van de nazipartij dat deden en net zoals ik dat ook doe. Hij was zo verbolgen over vleeseters, zei hij, en over de wrede omstandigheden waarin vlees wordt geproduceerd, dat hij vaak zin had om de mensen die bij de vleesafdeling van zijn plaatselijke supermarkt stonden neer te schieten. Met dat voor ogen was hij bij een schietvereniging gegaan, aangezien er oefening vereist is om precies de carnivoren eruit te pikken om te vermoorden in een overvolle supermarkt.
Ik had niet het idee dat zijn dreigement geheel en al loos was; hij was een van die mensen voor wie de liefde voor het ene altijd vergezeld gaat van een gelijkwaardige haat jegens iets anders. Hij maakte dat ik me behoorlijk ongerust voelde, wat voor een groot deel (zeg ik tot mijn schaamte) te maken had met de publieke minachting die mij ten deel zou vallen als hij daadwerkelijk het vuur zou openen en mensen en masse zou doden: want iedereen zou vragen waarom ik, die toch zogenaamd de touwtjes in handen had, niets had gedaan om het te voorkomen. In een ijdele poging om de publieke verantwoordelijkheid voor wat hij zou kunnen doen te spreiden of te delen, won ik juridisch advies in: was het mijn plicht om de politie op de hoogte te stellen of om de vertrouwelijkheid van de arts-patiënt-relatie niet te schenden (ik hoopte het eerste)? Het advies zou tegenwoordig wellicht anders zijn, na zoveel terroristische incidenten en massamoordpartijen, maar toen werd me verteld dat ik geen grond had om naar de politie te gaan. De last van de ongerustheid moest ik geheel alleen dragen. Gelukkig heeft hij zijn dreigement niet uitgevoerd; maar zou het morele probleem van de behandeling van dieren die worden gefokt voor hun vlees geen echt probleem meer zijn geweest als hij het wél had gedaan? Als hij twintig mensen had doodgeschoten in een supermarkt, zogenaamd om verbetering te brengen in de behandeling van dieren die worden gefokt voor hun vlees, zou de wanstaltigheid van zijn daad dan hebben betekend dat we nu het recht zouden hebben de kwestie geheel en al te negeren?
Het is zonder meer een morele plicht (als iets een morele plicht kan zijn) om geen onnodig lijden toe te brengen aan bewuste wezens, als dat lijden in de eerste plaats wordt toegebracht om ons een of andere bevrediging te geven. Als we iemand zouden betrappen die een koe pijn doet of een varken of zelfs een kip, alleen vanwege het sadistisch genoegen van die daad zelf, zouden we geheel terecht walgen; daarom moeten we niet onze ogen sluiten voor de omstandigheden waarin vlees wordt grootgebracht opdat het makkelijk en goedkoop voor ons allemaal te verkrijgen is. Tot op die hoogte staan dierenrechtenactivisten in hun recht.

VOOR DE MEESTE mensen spreekt het vanzelf dat mishandeling van dieren op geen enkele manier het vermoorden van mensen zou kunnen rechtvaardigen, of het nu willekeurig is of niet, en of ze nu wel of niet, direct of indirect, persoonlijk verantwoordelijk waren voor de mishandeling. Een van de eerste morele grondregels die alle kinderen leren is dat als iemand anders een fout maakt dat geen excuus is om ook die fout te maken, dat kwaad niet met kwaad vergolden moet worden, a fortiori als het tweede kwaad groter is dan het eerste. En als er een groter tweede kwaad wordt gepleegd, dan betekent dat niet dat het eerste kwaad daardoor geen kwaad meer is. Om die reden kun je concluderen dat zelfs al had mijn patiënt zijn fantasie uitgeleefd, zelfs al had hij de wanstaltige misdaad gepleegd die hij in gedachten had, het morele probleem van de behandeling van dieren niet zou zijn opgelost. En evenmin betekent het feit dat er monomanen zijn die de hele wereld bezien door de vervormende lens van dat probleem dat het geen probleem meer is.
Zelfs monomanie heeft even goed nut of voordelen als nadelen, niet alleen voor individuen, maar voor de samenleving als geheel. Monomanie geeft antwoord op de moeilijke vraag voor individuen waar het leven toe dient: het leven is voor het nastreven van elk doel dat volgens de monomanie wenselijk is. Waar dat doel ongevaarlijk of voordelig is, is de monomanie ongevaarlijk of voordelig; het lijdt geen twijfel dat het voor de maatschappij iets buitengewoon goeds is dat een verscheidenheid van onderlegde of creatieve monomanen hun piepkleine lapjes grond bewerken met uitsluiting van alle andere, want anders zouden die stukjes grond helemaal niet worden bewerkt, in elk geval niet zo goed bewerkt. Het gevaar van monomanie ontstaat wanneer een enkel idee niet alleen andere onderwerpen uit de gedachten verdringt, maar zelfs voor de monomaan van uniek en zelfs exclusief moreel belang lijkt te zijn.
We moeten ook niet vergeten dat de psychologische oorsprong van een idee, of de politieke situatie waarin het wordt geopperd, niet de waarheid of redelijkheid ervan bepaalt. Zo werden de gevaren van roken voor het eerst ingezien in nazi-Duitsland, waar het eerste epidemiologisch onderzoek naar die risico’s werd gedaan. (Allemaal vastgelegd in Robert Proctors uitmuntende boek The Nazi War on Cancer.)
DIT ALLES IS is slechts een inleiding, niet exact tot een bekentenis, maar tot een erkenning van ongemak: want gisteravond vertelde een goede kennis van me dat ik werd geciteerd, zij het indirect en hoogstwaarschijnlijk onnauwkeurig, door Anders Breivik, in zijn vijftienhonderd pagina’s lange manifest, dat werd gepost op het internet kort voor hij zijn verschrikkelijke daad pleegde in Noorwegen. Ik werd alleen maar en passant geciteerd, en veel minder dan vele anderen (van wie enkele mijn kennissen zijn); maar niemand wil graag worden gezien als zelfs maar een vage inspirator van zo'n man of van zo'n daad.
Overbodig te zeggen dat ik er geheel van overtuigd ben dat niets dat ik ooit heb geschreven zou kunnen worden gebruikt als een rechtvaardiging voor, en al helemaal niet een aansporing tot, een massamoord. Niemand die ook maar een beetje bij zijn verstand is kan een reden voor zo'n slachting ontlenen aan mijn woorden. Maar dat maakt nog geen eind aan mijn ongemak, juist omdat ik gedurende een groot deel van mijn schrijfcarrière de opvatting heb verdedigd dat ideeën consequenties hebben, en dat veel hedendaagse onwenselijke sociale (of antisociale) verschijnselen niet worden veroorzaakt door ‘objectieve’ economische of fysieke omstandigheden, maar door de ideeën die mensen in hun hoofd hebben, vaak in hen geplant door intellectuelen die niet verder nadachten over de nadelige gevolgen als ze te letterlijk genomen of verdraaid worden.
Is het dan mogelijk dat door het benadrukken van de minder aantrekkelijke aspecten van de moderne maatschappij en cultuur, door herhaaldelijk de aandacht te vestigen op de schadelijke sociale en psychologische gevolgen van afhankelijkheid van sociale steun, door het bekritiseren van multiculturalisme als een doctrine en als corrupt bureaucratisch opportunisme, ik kan hebben bijgedragen, zij het een heel klein beetje, aan het giftige, paranoïde, narcistische, megalomane en rancuneuze brouwsel in het hoofd van Breivik, die dat wat ik schreef, zelfs uit de tweede hand, volkomen verkeerd opvatte en er belachelijke maar moorddadige conclusies uit trok? En als ik dat heel kleine beetje heb bijgedragen, betekent dit dat ik er nu het schuldig zwijgen toe moet doen, opdat de wereld geen andere Breiviks zal kennen? Bij het schrijven over het onderwerp immigratie, bijvoorbeeld, heb ik altijd een onderstroom van bezorgdheid en schuld gevoeld, niet alleen omdat ik zelf afstam van een lange lijn van vluchtelingen, maar omdat ik weet dat dit een onderwerp is dat al gauw de vuigste driften en laagste emoties losmaakt. Er bestaat tenslotte een lange geschiedenis van zulke vuige driften en lage emoties in vele, misschien zelfs de meeste, landen. Dus bieden uitspraken over massa-immigratie anders dan dat dat iets geweldigs is mogelijk intellectuele steun aan enkele zeer kwaadaardige mensen.
De geschiedenis levert ons analogieën, maar die kloppen nooit helemaal. Als mensen zijn we gedoemd - het is zowel onze glorie als ons juk - om te leven in een eeuwige bijna-nieuwheid, en dus om voortdurend sprongen te maken in het halfdonker, zo niet de totale duisternis. We kunnen niet met het heden omgaan alsof het puur een herhaling van het verleden is. Je laten biologeren door het voorafgegane is net zo onzinnig als het compleet negeren. Ze zeggen dat generaals altijd de huidige oorlog vechten met de strategie en tactiek van de vorige; op dezelfde manier willen sociale commentatoren en hervormers niet voorbije problemen loslaten ten faveure van de problemen van nu. Een verschijnsel - immigratie - kan zijn naam blijven behouden terwijl het wezen ervan verandert; en het is duidelijk dat de maatschappelijke gevolgen van immigratie afhangen van zowel de kwaliteiten van de immigranten als de kwaliteit van de samenleving waarin ze immigreren.
Als je tot zwijgen wordt gebracht over een belangrijk onderwerp, als in feite wordt verordonneerd dat slechts één opinie erover openlijk mag worden uitgedrukt, uit angst dat de geesten der instabielen worden gevoed met moorddadige rancune, worden een heleboel kwesties hors de combat geplaatst. Het is waar dat tot nu toe geen enkele milieuactivist mensen heeft vermoord, en dat 'slechts’ drie bankmedewerkers hun leven verloren bij de rellen in Athene (en waarschijnlijk niet omdat de demonstranten dat wilden doen), maar er is geen reden om aan te nemen dat extremistische milieuactivisten of demonstranten tegen aandeelhouderskapitalisme immuun zijn, en blijven, voor moorddadige neigingen. De mens is in staat een casus belli te vinden in bijna alles, en geweld te rechtvaardigen wanneer hij dat wil plegen. Als een milieuactivist zou handelen op dezelfde manier als Anders Breivik zou ik niet die mensen de schuld moeten geven die waarschuwden voor klimaatverandering, en zelfs niet Anders Breivik zelf.
Maar zoals alle mensen die hebben geleden onder angstige bezorgdheid weten, kunnen rationele argumenten die zelden helemaal wegnemen. En als ik er in dit geval geheel en al vrij van zou zijn, dan zou het me onverschillig laten dat Breivik naar mij verwijst in zijn idiote manifest; maar dat doet het niet. Ik zal moeten leven met die zorg en ongerustheid, zoals ik ooit moest leven met de angst dat mijn patiënt misschien winkelende mensen in de supermarkt zou neermaaien.


© New English Review
Theodore Dalrymple’s meest recente boek: Door en door verwend: Kritiek op de sentimentele samenleving (Nieuw Amsterdam, 256 blz., € 19,95)
Vertaling Rob van Erkelens