Wie naait nu eigenlijk wie?

Veertien jaar geleden nodigde een bevriend journalist mij eens uit om een kijkje te nemen in Den Haag. De Tweede Kamer dus. Ik moest beloven dat ik niets zou publiceren van wat ik zou horen en zien.

De eerste uren van mijn bezoek waren niet te harden. Ik zat in het bankje voor de pers en luisterde naar betogen waar ik niets van begreep. Ik weet zelfs niet meer naar wie ik heb gekeken, terwijl ik toen meer in de politiek was geinteresseerd dan tegenwoordig.
In een pauze liep ik met mijn vriend mee naar het kleine redactiehok van zijn krant; hij moest zijn stuk tikken. Er waren nog geen computers, maar nog gewoon die ouderwetse bakbeesten.
Op een gegeven moment zwaaide de deur van het redactielokaaltje open en stond daar Joop den Uyl. Aardige man. Hij keek op zijn horloge en vroeg aan mijn vriend de journalist: ‘Ben ik op tijd?’ 'Jawel’, zei mijn vriend en hij tikte door, want zijn stuk moest af. 'Ik heb ook weinig tijd’, zei Den Uyl. Hij ging toen achter een tikmachine zitten en tikte in rustig tempo een commentaar op van ongeveer zeven a acht regels. 'Meer wil ik er toch niet over kwijt’, zei Den Uyl.
'Dank je, Joop’, zei mijn vriend.
Waar het over ging - ik zou het niet weten. Wel steeg mijn bewondering voor Den Uyl.
Toen zwaaide de deur weer open en een niet onaantrekkelijke vrouw van een jaar of dertig stond nu op de plek waar even daarvoor Den Uyl had gestaan.
Ze zei tegen mijn vriend: 'Zeg, het is kwart over twee. Je zou me nog neuken vandaag!’
Hoewel ik nogal verbaasd was, zei ik meteen: 'Hij heeft het druk nu, maar ik heb niets te doen.’ Pas toen zag de aantrekkelijke dame mij. Ze schrok zich een ongeluk en smeet de deur dicht. Mijn vriend had een rood hoofd en ik beloofde - hand op hart - dat ik er met niemand over zou spreken.
'Maar wie was die dame?’ wilde ik weten. Er werd een naam genoemd die velen van u kennen.
Na een kwartier of zo was er weer een debat. Ik ging naar de perstribune. Ik moest vechten tegen de slaap en dacht: 'Ik ga terug naar Amsterdam.’ Door het doolhof van gangen liep ik terug naar het redactielokaaltje. U raadt het al: ik deed de deur open en ik zag mijn vriend de journalist de bekende politica 'op zijn Grieks’ nemen, waarbij het me opviel dat zij zo ver voorovergebogen stond, dat haar neus bijna het commentaar raakte dat Den Uyl had getypt.
'Jongelui, ik ga naar Amsterdam terug’, zei ik. 'Want ik val in slaap’, voegde ik er nog maar als reden aan toe.
Tot op de dag van vandaag durf ik niet te zeggen wie die journalist was en wie die politica. Uiter aard werd ik ’s avonds thuis gebeld. Of ik in godsnaam wilde zwijgen over wat ik had gezien.
Ik beloofde het.
'Waarom deden jullie de deur niet op slot?’ vroeg ik.
'Ik had de sleutel van dat hok thuis laten liggen.’
'Waarom ga je dan niet naar een hotel?’
'Ze wil altijd meteen, anders wordt ze kwaad. Maar zwijg erover, alsjeblieft, want ze is een goede bron.’
'Dat begrijp ik.’
Zo werkt de politiek en de pers, dacht ik. Ik moest in de journalistiek nog beginnen. Tot op heden heb ikzelf nog nooit zoiets meegemaakt. Zelfs in de verste verte niet. Wel ben ik tot twee keer toe zelf bijna verliefd geworden toen ik moest interviewen. De vrouwen die ik ondervroeg raakten door mijn krachtige vraagstelling dermate geemotioneerd dat ze begonnen te huilen.
Al veertien jaar lang houdt me de vraag bezig of het nou goed is, wat ik destijds zag. Wie naaide wie? Ik geloof dat het goed is, wat ik zag. Het kan geen kwaad. Het is goed als pers en politiek het met elkaar doen. Daar komen mooie kinderen van.