Radicalisme

‘Wie niet gelooft is al dood’

Wie het radicalisme en extremisme in de samenleving wil begrijpen en daarbij alleen op de islam focust, ziet belangrijke oorzaken over het hoofd. Zoals getraumatiseerde jongeren die zich sociaal geïsoleerd voelen.

IS-vrouwen nadat het laatste door IS gecontroleerde gebied in handen is gevallen van de door Amerika aangevoerde coalitie. Syrië, 12 februari 2019 © Chris McGrath / Getty Images

Op zondag 28 april publiceerde Welt am Sonntag onder de titel 18Jahre Terror een overzicht van de aanslagen gepleegd door islamitische extremisten sinds 9/11. De cijfers zijn overweldigend: wereldwijd ten minste 31.221 aanslagen waarbij 146.811 mensen werden vermoord. De meeste slachtoffers waren moslim. Het is dus niet gek dat het grootste deel van de discussie rond radicalisme en extremisme zich toespitst op de islam.

Het probleem is alleen dat wie zich uitsluitend op de islam richt, belangrijke oorzaken van radicalisering over het hoofd ziet omdat de oorzaken binnen de islamitische religie worden gezocht (zoals het fundamentalisme). Hetzelfde geldt voor mensen die het alleen maar over rechts-extremisme of links-extremisme hebben. Wie radicalisme en extremisme wil begrijpen moet hier bovenuit stijgen en alle vormen van radicalisme en extremisme onderzoeken. Het gaat niet om de unieke positie van de islam of extreem nationalisme, maar om dat wat radicalen en extremisten delen. Het zoeken naar deze gemeenschappelijkheid is noodzakelijk om het fenomeen te kunnen begrijpen en te bestrijden.

‘Radicalisme’ is een veel gebruikte term die zeer uiteenlopende betekenissen en klanken kan hebben. Zo heeft de term ‘radicaal’ in de combinatie ‘radicale feminist’ een andere connotatie dan in de combinatie ‘radicale moslim’.

De aivd heeft het over gewelddadig en niet-gewelddadig extremisme. Zo valt op haar website te lezen: ‘De aivd beschouwt extremisme als het actief nastreven en/of ondersteunen van diepingrijpende veranderingen in de samenleving die een gevaar kunnen opleveren voor (het voortbestaan van) de democratische rechtsorde, eventueel met het hanteren van ondemocratische methodes die afbreuk kunnen doen aan het functioneren van de democratische rechtsorde. De gebruikte ondemocratische methodes kunnen zowel gewelddadig als niet-gewelddadig zijn. Voorbeelden van niet-gewelddadige ondemocratische middelen zijn systematisch haatzaaien, verspreiden van angst, verspreiden van desinformatie, demoniseren en intimideren. Voorbeelden van gewelddadige methodes zijn geweldplegingen, mishandelingen of ernstiger vormen van geweld.’

Volgens de aivd is radicalisering het proces dat een activist tot een extremist maakt. Radicalisme kan ook worden beschreven in termen van legitimiteit. Het radicaliseringsproces wordt dan gezien als een toenemend verlies van legitimiteit van de democratische samenleving, waarbij de uiterste vorm van radicalisme (extremisme) wordt beschouwd als tegenpool van democratie. Democratie is namelijk gebaseerd op ideeën als volkssoevereiniteit en gelijkheid van alle burgers, evenals vrijheid van geloof en van meningsuiting.

Extremisme daarentegen wijst democratische waarden en processen af en presenteert daarbij de eigen ideologie als de universeel geldende, die eventueel met geweld aan de bevolking moet worden opgelegd. Ze stelt daarbij uniformiteit tegenover diversiteit, onverdraagzaamheid tegenover tolerantie en bevel tegenover dialoog. Legitimiteit van het systeem is een voorwaarde voor democratie. Democratie bestaat alleen bij gratie van het vertrouwen dat de burgers hebben in het politieke systeem, wat grotendeels afhangt van de manier waarop in de perceptie van de burgers basisfuncties vervuld worden en problemen aangepakt worden. Niet alle burgers hoeven alle democratische waarden, zoals diversiteit, tolerantie, dialoog en de bereidheid compromissen te sluiten, actief uit te dragen, maar wel moet een groot deel van de bevolking deze waarden op zijn minst passief ondersteunen.

Radicalisering is daarmee te beschouwen als een proces waarin de steun aan het systeem wordt ontzegd. Dit proces kent drie algemene ontwikkelingsstadia, die zich kenmerken door de mate van vertrouwen in het systeem en de daarbij horende terugtrekking op de eigen groep. Ondanks de grote verschillen tussen de verschillende soorten radicalen (links, rechts, religieus) doorlopen zij alle dit traject van een ‘vervreemdingstocht’.

Het eerste stadium is dat van een vertrouwenscrisis. Hierin wordt het bestaande vertrouwen sterk uitgehold en is er sprake van een conflict tussen een groep en specifieke machthebbers ten aanzien van specifiek beleid. De kritiek wordt geformuleerd in ideologische termen, en ‘tegenculturele’ aspecten worden ontwikkeld (taal, gedrag, opvattingen). Het tweede stadium is het stadium van legitimiteitsconflict. De legitimiteit van het systeem zelf wordt ter discussie gesteld. De oppositie ontwikkelt een alternatief ideologisch en cultureel systeem en zet frustratie en woede ten aanzien van het functioneren van het systeem om in delegitimerende ideologieën.

Het laatste stadium is dat van legitimiteitscrisis. De kritiek ten aanzien van het systeem wordt uitgebreid naar de personen die de maatschappij bevolken. Zij worden ontmenselijkt en de activisten ontwikkelen een nieuwe moraal, waarin zij zichzelf zien als de strijders die tot taak hebben het kwaad te bestrijden. De (gewelddadige) beweging is geïsoleerd van de buitenwereld en leeft in een eigen ‘realiteit’.

***

Bij de AIVD kom je pas in beeld als je extremist bent. Vanuit haar taak is dit wel te begrijpen, maar het helpt niet als we het radicaliseringsproces willen verklaren. Radicalisering kan een opmaat zijn naar extremisme wat impliceert dat extremisten ook radicalen zijn (andersom echter niet). Radicalisme en extremisme alleen beschrijven in termen van legitimiteit is mijns inziens te smal. Er zijn bredere structurele kenmerken die radicalen en extremisten delen waarbij er ook cruciale verschillen tussen radicalen en extremisten zijn.

Zelf geef ik de voorkeur aan de definitie waar de in 2007 veel te vroeg overleden radicalismedeskundige Frank Buijs aan werkte en waar we aan het einde van zijn leven samen veelvuldig over gediscussieerd hebben. Dat was letterlijk aan de hand van een bierviltje. Deze definitie legt de nadruk op de gedeelde structuur van het radicale en extremistische denken en erkent ook de gedeeltelijke overlap tussen radicalisme en extremisme.

Volgens Buijs kenmerkt radicalisme zich (binnen westerse landen) door de combinatie van zes kenmerken. Let op, het gaat om de combinatie van alle zes de kenmerken en niet om een selectie uit deze kenmerken. Allereerst vindt iedere radicaal dat de eigen groep onder vuur ligt en bedreigd wordt. De radicale moslim in Nederland vindt dat de moslims onder vuur liggen en bedreigd worden, de pvv en fvd-stemmer vindt dat autochtoon Nederland onder vuur ligt en bedreigd wordt.

Ten tweede, radicalen vinden dat de ‘eigen’ elite verraders zijn. Radicale moslims vinden Nederlandse imams verraders en Geert Wilders en Thierry Baudet vinden ‘de elite’ verraders.

Ten derde, de radicaal verdedigt een orthodoxe interpretatie van het eigen gedachtegoed. De radicale moslim stelt dat er maar één interpretatie van de koran is (wat we bij het salafisme terugzien) en de pvv-kiezer en Pegida verdedigen met hand en tand Zwarte Piet en de ‘echte’ Nederlandse cultuur.

Ten vierde, het eigen gedachtegoed is superieur. De radicale moslim vindt de koran superieur aan de Nederlandse wet en de pvv en fvd-kiezer vinden onze cultuur superieur aan die van de islam.

Democratie bestaat alleen bij gratie van het vertrouwen dat de burgers hebben in het politieke systeem

Ten vijfde, radicalen vinden dat verzet tegen de autoriteiten gerechtvaardigd is. Radicale moslims verdedigen de moslimgemeenschap actief (ik heb het hier over geweldloze actie) en Wilders twitterde #kominverzet.

Ten slotte, volgens de radicaal heeft het ‘echte’ lid van de groep een actieve rol. Radicale moslims vinden dat je actief moet zijn om de belangen van moslims te verdedigen en Wilders en Baudet vragen dat ook van hun achterban. Zoals de lezer ziet, zijn radicale moslims en pvv- en fvd-aanhangers in mijn ogen gelijk. Wie deze meetlat gebruikt ziet ook dat er behoorlijk wat radicale bewegingen zijn: radicale moslims, de pvv, fvd, maar ook de politiek correcte beweging aan Nederlandse universiteiten en de dierenactivisten van Meat the Victims.

Extremisme voegt hier drie kenmerken aan toe en heeft dus negen kenmerken. De extremist vindt, ten zevende, dat de creatie van de ideale samenleving het hoogste doel is. Het leven van Mohammed B. en Anders Breivik stond volledig in het teken van hun idealen.

Het achtste kenmerk van het extremisme is dat ‘de Ander’ het absolute kwaad, de duivel, is. Voor Mohammed B. vertegenwoordigde Theo van Gogh een duivels gedachtegoed. Voor Breivik waren de sociaaldemocraten in Noorwegen het absolute kwaad.

Ten negende, en cruciaal, de extremist vindt geweld geoorloofd om zijn of haar doel te bereiken. Dit leidde bij Mohammed B. tot de moord op Theo van Gogh en bij Breivik tot de bomaanslag in de regeringswijk in Oslo en de moordpartij op Utoya.

Demonstrant van de Nederlandse Volks-Unie, Den Bosch, 2009 © Jet Budelman / De Beeldunie
***

Als we kijken naar de zes kenmerken van het radicalisme (eigen groep onder vuur, eigen elite verraders, orthodox en superieur gedachtegoed, verzet gerechtvaardigd, actieve rol) dan zien we dat veel politieke ideologieën en alle religies zich lenen voor radicalisering. Om te kunnen spreken van een eigen groep die onder vuur ligt, moeten er ook andere groepen zijn. Met name de politieke ideologieën die de wereld indelen in twee groepen die lijnrecht tegenover elkaar staan, lenen zich dan voor radicalisering. Denk hier bijvoorbeeld aan het marxisme, maoïsme of etnisch nationalisme.

Religies bezien de wereld altijd in twee groepen, namelijk de gelovigen en de ongelovigen. Religies vinden hun eigen gedachtegoed ook altijd superieur (veel politieke ideologieën trouwens ook). Zoals een katholieke priester bij de zeswekendienst van mijn overleden moeder het verwoordde: ‘Wie niet gelooft is al dood.’

Dit maakt dat twee van de kenmerken van radicalisme standaard aanwezig zijn in alle religies en de meeste politieke ideologieën. Laten we maar zeggen dat het al te menselijk is om te kunnen radicaliseren. De radicalisering richt zich dan met name op de kenmerken eigen elite als verraders, het ontwikkelen van een orthodoxe variant van het gedachtegoed, gerechtvaardigd verzet om de eigen groep te verdedigen en een gevraagde actieve rol van de leden van de betreffende groep.

Dat de verhouding tussen radicalisme, extremisme en democratie uiterst complex is, komt al door het feit dat alle extremisten radicaal zijn, maar niet alle radicalen extremist. Én door het feit dat een democratie maar een beperkte hoeveelheid radicalisme kan verdragen.

Laat ik met het laatste punt beginnen. Zoals de voorbeelden hierboven laten zien, gaan radicalisme en democratie goed samen. Let op, het gaat er niet om of je het eens bent met de pvv of fvd. Het gaat erom dat zij in een parlementaire democratie kunnen functioneren. Wel worden zo nu en dan de grenzen van het democratische debat overschreden, bijvoorbeeld bij het gebruik van het woord ‘kopvoddentaks’ dat moslims als dieren ziet (dieren hebben koppen, mensen hebben een hoofd). Dus de overgang naar extremisme ligt altijd op de loer. Echter, als iedereen radicaal wordt, staat de boel op scherp. Er is dus een tipping point bij hoeveel radicalisme een democratie kan verdragen, al is het moeilijk om dat omslagpunt precies aan te wijzen.

Dan het extremisme. Zoals ik al schreef: iedere extremist is radicaal, maar niet alle radicalen zijn extremist. Extremisme en democratie zijn niet compatibel. Het is onacceptabel dat politieke of religieuze idealen binnen een democratie met geweld worden verdedigd. Radicale partijen verdienen dus continue aandacht. Het is zaak om ieder teken van extremisme tegen te spreken of te bestrijden. De eerste tekenen zijn meestal het zevende en achtste kenmerk: zij die hun hele leven ten doel van het ‘hogere’ ideaal stellen en de ander als het absolute kwaad gaan zien (waarbij dehumanisering een uitingsvorm kan zijn).

—————

De vraag die ook op tafel ligt is of radicalisme al dan niet een buffer tegen extremisme kan zijn. In het onderzoek naar salafisme in Nederland dat ik samen met Ineke Roex en Sjef van Stiphout in 2009 verrichtte, was de conclusie dat de religieuze variant van het salafisme een buffer tegen de jihadistische variant was. Dat is echter een precair evenwicht en hangt ook samen met de mate waarin, in dit geval, salafistische organisaties al dan niet geïsoleerd worden van democratische contexten.

Als we concluderen dat radicalisme één gedachtestructuur is met verschillende verschijningsvormen, dan is het de vraag waarom mensen radicaliseren. Hier is ondertussen zeer veel onderzoek naar gedaan, te veel om hier te bespreken. In mijn eigen onderzoek vind ik steeds drie kenmerken die in hun combinatie de kans op radicalisme vergroten: leeftijd, ‘levensgeluk’ en sociaal isolement.

Ik wil hier wel een popperiaanse correctie plaatsen: het is me tot op heden niet gelukt om te falsificeren dat de combinatie van deze drie kenmerken er niet toe doet. Jongeren tussen de 16 en 25 jaar blijken het meest vatbaar voor radicalisering. Maar dit is altijd in combinatie met ‘levensgeluk’ (wat meestal een enorm understatement is voor een trauma) en subjectief sociaal isolement (het gevoel dat als je echt in de problemen komt, je er uiteindelijk alleen voorstaat).

Anders Breivik had het eiland waar hij begon te moorden helemaal in zijn macht

Dus radicalisme ligt op de loer bij getraumatiseerde jongeren die zich sociaal geïsoleerd voelen. Ook als hij of zij vrienden heeft. De kwaliteit van die vriendschappen wordt uiteindelijk laag ingeschat. Nu blijkt uit criminologische literatuur dat de combinatie van dezelfde kenmerken ook de kans op criminaliteit vergroot. Het is dus niet verwonderlijk dat sommige criminelen zich plotseling ontpoppen als radicalen en dat sommige radicalen opeens crimineel worden.

***

Los van deze kenmerken is de tweede, vanuit democratisch oogpunt cruciale vraag wanneer iemand overgaat op geweld. Wanneer wordt iemand in een democratische context extremist? Ook dit is een uiterst ingewikkelde kwestie, maar ik wil wel op een aantal voorwaarden wijzen die de kans op geweld vergroten.

Allereerst is er de uitvergroting van de kenmerken die radicalisering verklaren. Als het trauma diep is en het sociaal isolement groot, ligt geweld op de loer.

Ten tweede is hier een onaangenaam gedachte-experiment noodzakelijk. Om de overgang naar geweld te begrijpen, moeten we ons verdiepen in de aantrekkelijkheid van geweld. Zeggen dat geweld afschuwelijk is, brengt ons niet verder bij het zoeken naar een verklaring. Als het alleen maar afschuwelijk is, waarom zouden mensen dan geweld gebruiken? Veel mensen vinden geweld ook aantrekkelijk, denk aan talloze games, gewelddadige films en het bekijken van onthoofdingsvideo’s.

Mijn stelling is dat het aantrekkelijke van geweld het grensoverschrijdende is. Wie geweld gebruikt valt samen met wat hij of zij doet. Het is de roes van zelfverlies te vergelijken met dronken worden, lang dansen, het met z’n allen bekijken van een wedstrijd van Ajax in de Champions League en, ja, seks. De Fransen noemen het klaarkomen la petite mort. Wie klaarkomt is even buiten zichzelf en even ‘dood’. De gewelddadige ervaring is hiermee te vergelijken. Naast zelfverlies is het aantrekkelijke aan geweld het machtsgevoel. Breivik had het eiland waar hij begon te moorden helemaal in zijn macht. Hij controleerde letterlijk de levens van vele jongeren. Voor een getraumatiseerd, eenzaam iemand is dat een wraak op de samenleving en controle nemen over het eigen leven.

Het laatste kenmerk dat ik hier wil noemen en dat de overgang naar geweld verklaart, is zelfverdediging. In 1975 schreef de Duitse terrorist Michael ‘Bommi’ Baumann het boek Wie alles anfing. Baumann was lid van de linkse 2de Juni en blikt in dit boek terug op zijn zeer gewelddadige leven. Hij beschrijft ook het moment waarop hij geweld ging gebruiken. Dat was na de aanslag in Berlijn op de Duitse studentenleider Rudi Dutschke (11 april 1968).

Baumann beschrijft zijn gevoel tijdens een demonstratie die na de aanslag gehouden werd: ‘Toen ik door de straten liep met al die fakkels en steeds dat “Rudi Dutschke”-geroep, was dat voor mij echt de verpersoonlijking van die hele geschiedenis. Die kogel geldt ook voor jou, hier hebben ze de eerste keer echt op jou geschoten. Wie hier schiet, doet er niet toe. Het was toen duidelijk, nu toeslaan, geen pardon meer. (…) We wilden nog naar het Wannsee-eiland Schwanenwerder, waar Springer (uitgever van het boulevardblad Bild – jt) een villa heeft, die wilden we in de fik steken, maar niemand wist precies waar die was. Zo werd de problematiek van de terreur meteen actueel. Je zag: zonder voorbereiding, zonder logistiek, zonder kennis, ervaring en zo, blijft het fantasie, maak je niks.’

Baumann ervaart dat de kogels die Dutschke troffen hem treffen. Hij wordt aangevallen (wat feitelijk natuurlijk niet zo is) en hij mag zich dus verdedigen. Die verdediging moet wel professioneel worden aangepakt, anders bereik je niets. Zie daar de geboorte van een terrorist. Als het geweld dat moslims treft, wordt opgevat als een persoonlijke aanval, zal de radicale moslim veranderen in een extremistische moslim. Anders Breivik vond dat hij als individuele persoon werd aangevallen. De multiculturele samenleving bedreigde zijn leven. En hoe geïsoleerder iemand is en hoe groter een persoonlijk trauma, hoe sneller dit gevoel van aangevallen zijn kan ontstaan. Of, zoals het op de posters stond die uit solidariteit gedrukt werden toen Bommi Baumann in de gevangenis zat: Macht kaputt, was euch kaputt macht.

***

Ik denk dat het onmogelijk is om radicalisme en extremisme in een samenleving volledig uit te roeien. Daarvoor zijn er te veel trauma’s, is er te veel sociaal isolement en zijn er te veel ideologieën en religies beschikbaar die zich lenen voor het radicale gedachtegoed. We leven ook in tijden die het subjectief sociaal isolement vergroten. Nieuwe technologieën, de ecologische crisis, de vluchtelingenproblematiek, de verschuivingen in het mondiale machtsevenwicht, maken dat mensen het overzicht totaal kwijtraken. De smartphone maakt dat we toegang hebben tot eindeloze stromen van informatie die we letterlijk alleen consumeren. Niets is zo deprimerend als continu Twitter of Instagram checken, continu laten zien welk een geweldig leven je leidt en via WhatsApp continu bereikbaar moeten zijn voor zeer veel mensen. Een menselijke reactie is dan om je uiteindelijk terug te trekken: wake me up when it is over.

Dat terugtrekken kan ook letterlijker: veel jongeren hebben een burn-out, veroorzaakt door de druk die anderen, maar ook zijzelf, voortdurend op hen leggen. Al deze ontwikkelingen verhogen het sociale isolement in de samenleving. Radicalisme en extremisme geheel laten verdwijnen kan dus niet. Wel kunnen we de kans op radicalisme en extremisme proberen te minimaliseren. Het kernwoord wordt dan sociale cohesie. Als sociaal isolement het probleem is, dan is sociale cohesie het antwoord.

Nu is het woord ‘sociale cohesie’ snel in de mond genomen, maar niets is zo moeilijk als de sociale samenhang in een gemeenschap te vergroten. Het bouwen van een Noord/Zuid-metrolijn is er niets bij. Sociale cohesie is gebaseerd op vertrouwensrelaties tussen mensen, wat in wezen een vrijwillig proces is. Men kan als overheid niet zeggen: gaat heen en vertrouwt elkaar!

In een multiculturele samenleving bestaat sociale cohesie uit bindend sociaal kapitaal (de verbondenheid binnen groepen) en overbruggend sociaal kapitaal (verbondenheid tussen bevolkingsgroepen). Verbondenheid tussen groepen veronderstelt dat er contacten en verbindingen zijn tussen verschillende bewoners die op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen hebben. Juist de zogenaamde ‘zwakke schakels’ versterken het sociaal kapitaal: je hoeft geen intensief contact te onderhouden met veel mensen. Het maakt al veel verschil als je elkaar oppervlakkig kent en af en toe op elkaar een beroep kunt doen. Het vergroten van sociale cohesie wordt dan het genereren van deze ‘zwakke schakels’ tussen mensen. Voorbeelden hiervan zijn: het realiseren van grote ontmoetingsruimten in een buurt, projecten om het sociaal isolement van mensen te doorbreken door het realiseren van concrete netwerken of de rol van bibliotheken of vrijwilligersorganisaties in een buurt te vergroten. Dit klinkt allemaal heel soft en dat is het ook. Maar alleen continue aandacht voor sociale cohesie maakt dat we de kans op radicalisme en extremisme verkleinen.

***

Het laatste wat ik wil noemen is de focus op een gemeenschappelijke toekomst. Wie spreekt over diversiteit of etniciteit legt de nadruk op een ongedeeld verleden. Maar iedereen die in Nederland woont heeft een gedeelde toekomst. De term ‘Marokkaanse Nederlander’ combineert in die zin een ongedeeld verleden en een gedeelde toekomst. We wonen in dezelfde wijken, in dezelfde steden en hebben dus dezelfde belangen.

In meer abstracte termen verdedig ik hier een contract-nationalistische visie op de gemeenschap (in tegenstelling tot een etnisch-nationalistische visie waar een gemeenschap bestaat uit mensen die dezelfde etniciteit hebben). In de contract-nationalistische visie is de natie een groep van solidair verbonden mensen die de bereidheid hebben om een gemeenschappelijk leven voort te zetten. Niet een gedeelde cultuur, maar gelijkheid voor de wet en het erkennen van de democratische instituties vormen de basis van de natie. Als er al een gezamenlijke ‘cultuur’ is, dan is dit de erkenning van de democratische rechtsstaat en de daarin verankerde normen en waarden. Men is het eens over de geweldloze procedures die tot gezamenlijke beslissingen moeten leiden. Een gemeenschappelijke toekomst dus gecombineerd met het werken aan sociale cohesie.

Het is als een theaterstuk dat ik laatst zag van Amsterdamse jongeren over hun stad. De regisseur stelde voor om diversiteit als thema te nemen. Dat vonden deze jongeren, met een zeer diverse achtergrond, grote onzin. Liever hadden ze het over het feit dat ze geen woning konden vinden in de stad waarin ze geboren en getogen waren.


Jean Tillie is decaan van de faculteit maatschappij en recht op de Hogeschool van Amsterdam en hoogleraar politicologie i.h.b. diversiteit en politieke integratie op de Universiteit van Amsterdam