Wie niet kijkt is schuldig

EEN FILMAMATEUR probeert zijn nieuwe videocamera uit. Hij loopt door een winkelcentrum, het is sluitingstijd. Hij filmt zomaar wat in het rond. We zien een boomlange man met zijn vriend. Ze maken zich boos over twee passanten. De passanten, een stel van in de dertig, wilden de zaktelefoon die de boom had laten vallen, aan hem teruggeven. Die was daar niet van gediend. Als het stel wegloopt, geeft de boom de man een zet in de rug. De vrouw draait zich kwaad om en voegt de boom iets toe. Met een machtige armzwaai wordt ze tegen een winkelpui gekwakt. Er ontstaat een handgemeen. Voorbijgangers maken een boog om de slachtpartij. De amateur filmt door. Het slotbeeld toont een totaal ontredderde vrouw, hurkend op de grond, naast haar mishandelde man, die half ontbloot op straat ligt.

De beelden zijn vele malen herhaald op televisie. Ze behoren tot de onverdraaglijkste beelden van het jaar 1997. Ze zijn werkelijk niet om aan te zien. Het verstand, het gevoel, alles staat stil.
Wat moet de televisiekijker met zulke beelden? Hoe moet hij met zijn verbijstering omgaan? Wat als hij zich bijvoorbeeld afwendt? Schaart hij zich dan onder de voorbijgangers die, in hun haast hun boodschappen veilig naar huis te loodsen, een paar passen opzij doen? En wat als hij verbijsterd blijft kijken? Moet hij de reden voor die verbijstering bij zichzelf zoeken, bij de oerfascinatie voor geweld die kennelijk in hem schuilt? Of bij de samenleving die dergelijke onverdraaglijke geweldspektakels opvoert?
VOOR EEN ANTWOORD op dat soort vragen moeten we, zo weten we, in Oostenrijk zijn. Oostenrijk is, in de woorden van de schrijfster Ingeborg Bachmann, ‘der allergrösste Mordschauplatz’. Filmer Michael Haneke is de koele registrator van dat moordtoneel. Vier speelfilms heeft hij er inmiddels aan gewijd, films waarin het gladde Oostenrijkse leven van alledag plotsklaps omslaat in een orgie van onbegrijpelijk geweld. Haneke laat zien dat het geweld zit meegebakken in de schone schijn. Alles lijkt keurig, proper en ordelijk in Oostenrijk. Het land kent de netste winkelcentra ter wereld. Maar de agressie zit dicht onder het oppervlak. De mensen sluipen met verkrampte koppen om elkaar heen. Elk moment kan de etterbuil knappen. En Haneke láát hem knappen.
In de eerste van de reeks, Der siebente Kontinent, zien we een gezinnetje het dagelijkse repertoire afwerken: opstaan, ontbijten, naar werk en naar school gaan, boodschappen doen, eten, televisie kijken en gaan slapen. We zien dat repertoire een paar keer, met tussenpozen van een jaar of meer. En elke keer zegt het dochtertje braaf haar avondgebed: 'Lieber Gott, mach mich fromm, dass ich in der Himmel komm.’ Even emotieloos als dat ritueel zich keer op keer voltrekt, hakt het gezin aan het slot van de film het eigen bestaan in mootjes.
De laatste van de reeks, Funny Games, begint al even onschuldig. Een gezinnetje arriveert in hun luxueuze vakantievilla aan een meer. Mechanisch pakken ze hun spullen uit en tuigen ze de boot op. Twee nette jongemannen komen eieren lenen. In werkelijkheid komen ze 'grappige spelletjes’ spelen, die het gezinnetje fataal zullen worden. Halverwege de geweldpleging dwingt een van de daders de vrouw een gebedje op te zeggen. 'Lieber Gott, mach mich fromm, dass ich in der Himmel komm.’ Tussen vrome onschuld en extreem geweld ligt een afstand van niets.
DE KWELPARTIJ IN Funny Games levert onverdraaglijke scènes op. Zelfs voor Oostenrijkers, die toch wel wat gewend zijn. Hoe vaak kijken ze in romans, op de bühne, op het witte doek niet in hun eigen zielespiegel? Zelfs Elfriede Jelinek, chroniqueur bij uitstek van de Oostenrijkse zelfdestructie, sloeg het verzoek van De Groene af om Hanekes Funny Games te bespreken. 'Ich finde den Film grauenhaft und kann und will nicht über ihn schreiben. Bitte um Verständnis!’
En dat terwijl ze, verzekert ze, 'Haneke sehr mag’. Dat ligt bij menigeen anders. Haneke, de boodschapper van het slechte nieuws over de menselijke modderpoel, wordt door publiek en critici met verwijten overladen. Hij zou zich stiekem verlustigen in het geweld dat hij toont. En daarbij ostentatief een stuitend moralisme tentoonspreiden. Haneke is een vieze huichelaar.
Als Haneke zich al verlustigt in het geweld dat hij toont, dan is het vreemd dat hij de kijker daar niet in laat delen. In de film is geen geweld te zien, het gebeurt altijd buiten beeld.
En dan Hanekes moralisme. Hij zou de kijkers met opgeheven vinger wijzen op hun gewenning aan het geweld dat via film en tv tot hen komt. En om hun die moraal zo krachtig mogelijk in te peperen, laat hij de kijker geen enkele uitweg. Funny Games biedt geen bevrijding, geen verlossing, geen loutering, geen catharsis, niets. De geweldplegers gaan vrijuit. Als ze de film binnenstappen, hebben ze net een ander gezin vermoord, aan het eind van de film zijn ze alweer op weg naar het volgende.
'Toch denk ik dat de film wel degelijk verlossing wil bieden’, schrijft de NRC-filmrecensente Bianca Stigter kwaadaardig. 'Het is de catharsis van de zelfkastijding die hier aangeboden wordt. Mijn herinnering aan Funny Games is verdreven door een ander beeld. Ik zie Haneke aan het hoofd van een stoet flagellanten door de straten trekken. Ze doen boete, boete voor het genot dat fictief geweld hun geschonken heeft, voor de afschuw, de fascinatie en de onverschilligheid die echt geweld op de televisie kan oproepen, en misschien wel voor dat geweld zelf.’
'De film is een film tegen film’, oordeelt Stigter. 'Misschien is het daarom zo vervelend om naar Funny Games te kijken.’ De film is inderdaad ook een film tegen film. Maar de film is allesbehalve vervelend om naar te kijken. En wel omdat hij eerst en vooral een film tegen Oostenrijk is, en via Oostenrijk tegen de afstomping, de gevoelsarmoede en de emotionele 'Vergletscherung’ (Haneke) die niet alleen de Oostenrijkse samenleving teisteren. Het gros van de filmkritiek, beroepsmatig gedeformeerd als ze is, ziet enkel het commentaar op de filmindustrie. Dat Funny Games ook nog over écht geweld gaat, vindt ze onverdraaglijk.
VEEL GEHOORD is het verwijt dat Funny Games de kijker medeplichtig maakt aan het geweld. Hoezo medeplichtig? 'U staat toch aan hún kant?’ zegt niet voor niets een der daders in de camera, met een knikje in de richting van het geteisterde gezin. Medeplichtig voelt de kijker zich niet aan het geweld maar aan het lijden. Aan de totale onmacht en het totale onbegrip waarmee de slachtoffers geslagen zijn. 'Waarom doet u dit?’ vraagt de echtgenoot een paar keer aan de daders. 'Weet ik niet’, luidt het onverteerbare antwoord.
Haneke zelf zegt het zo: 'Ik heb geprobeerd geweld te tonen als dat wat het is: onverteerbaar. Ik geef geweld terug wat het in de cinema heeft verloren: de pijn en de inbreuk op de persoonlijke integriteit.’ Daar ligt inderdaad de kracht van de film. Omdat we niet weten wat de reden voor het geweld tegen het gezin is, kijken we naar het naakte lijden. Niet het statement, niet de moraal, maar het lijden is het sterkste argument dat Funny Games tegen geweld inbrengt, zowel het echte geweld als het geweld in films en op tv. 'In de commerciële film’, betoogt Haneke, 'gaat het niet om het lijden van het slachtoffer maar om het plezier van de dader.’
Zoniet in Funny Games. Daarin maakt het lijden, niet het geweld de diepste indruk. Halverwege de marteling verlaten de kwelgeesten even het huis. Er volgt een minutenlang, stilstaand shot van de huiskamer, gehuld in vaalgeel licht. De mishandelde echtelieden lijden sprakeloos. Langzaam bevrijden ze zich van hun knevels. De kijker krijgt alle tijd om de verschrikking tot zich te laten doordringen. En om te beseffen dat er geen ontkomen aan is.
En dan de close-ups van actrice Susanne Lothar, de lijdende echtgenote. Moeiteloos is daarin het van verbijstering vertrokken gezicht te herkennen van de vrouw in het winkelcentrum, gehurkt naast haar ontredderde partner. Wat moet de kijker met zulke beelden? De raad van Hanekes critici opvolgen? Dus er omheen lopen, wegkijken, de zaal uitgaan? Of Haneke volgen, op het gevaar af voor geweldswellusteling te worden aangezien? Nee, niet wie kijkt maar wie niet kijkt is schuldig. Wie zich omdraait, vlucht niet voor het heimelijke genot van het vertoonde geweld, maar voor het onthutsende gelaat van het lijden.