Wie niet werkt zal niet genezen

Het debat over de voorrang van werknemers in de gezondheidszorg laat zich eenvoudig samenvatten met een parafrase op de bekende orwelliaanse these over gelijkheid. Het belang van een goede gezondheid is voor alle mensen gelijk, maar de gezondheid van sommige mensen is iets meer gelijk dan die van anderen. Die sommigen zijn werknemers. Die anderen zijn dat niet.

Afgelopen week gaven werkgevers en vakbeweging eendrachtig te kennen dat voorrang van werknemers in de gezondheidszorg wenselijk is. Daarmee gaf de FNV haar eerdere verzet tegen deze voorrangsbehandeling op. FNV-voorman Lodewijk de Waal, aangesproken op het verlaten van de solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden, legde de schuld daarvoor bij de overheid. Was die overheid niet verantwoordelijk voor de wachtlijsten in de gezondheidszorg? En had diezelfde overheid niet door de privatisering van de Ziektewet en de WAO de werkgevers verantwoordelijk gemaakt voor de bestrijding van het ziekteverzuim? Nou dan. Politici moeten, met andere woorden, niet zeuren als ze voor de onvermijdelijke gevolgen van hun beleid komen te staan.
Dat de overheid te weinig geld in de gezondheidszorg stopt, is juist. De 1,3 procent van het paarse regeerakkoord lag al bijna een procent onder de inflatie en kwam dus in feite neer op een bezuiniging. Dat soort dingen leidt tot wachtlijsten. Al duiden die niet alleen op een tekort aan capaciteit. Bekend is dat ze niet zelden ook gecreëerd worden om een ruimer budget af te dwingen.
Anders ligt dat met de introductie van marktwerking in de sociale zekerheid. Via de afschaffing van de Ziektewet en de premiedifferentiatie in de WAO heeft het kabinet de werkgevers verantwoordelijk gemaakt voor de kosten van het ziekteverzuim. Daarmee heeft de individuele werkgever een rechtstreeks financieel belang gekregen bij de beperking van het verzuim en daarmee bij een zo snel mogelijke terugkeer van de zieke werknemer. Wachtlijsten geven aan dat tijd het schaarse goed in de gezondheidszorg is. Het directe belang van de werkgever bij gezonde werknemers zorgt dan voor het ontstaan van twee soorten patiënten die met elkaar om dat schaarse goed concurreren: patiënten die zich alleen aan de poort melden en patiënten die zich melden in gezelschap van hun werkgever en diens verzekeraar, die bovendien bereid en in staat zijn te betalen.
Maar, zo betoogde De Waal met de andere voorstanders, daarvan hoeven niet-werknemers niet de dupe te worden. Tenminste zolang het gaat om het in avond- en weekenduren gebruiken van faciliteiten die normaal gesproken op die uren niet in gebruik zijn. En dus worden andere patiënten niet benadeeld: ze hoeven immers niet langer te wachten dan ze toch al zouden moeten. Dat laatste heeft een aantal voorstanders zelfs gebracht tot een vergelijking met een andere klassieker: Robin Hood. Door werkgevers de ruimte te bieden tegen betaling een ruimer gebruik te maken van de bestaande voorzieningen, kunnen ook anderen sneller worden geholpen. Op die manier komt het geld van de rijken (werkgevers) ten goede aan de armen.
Een redenering die even ontroerend is als onjuist. De extra ruimte komt immers niet in gelijke mate ter beschikking van alle wachtenden, maar slechts van een selectie daarvan. Dat zijn niet, zoals de Robin Hood-vergelijking suggereert, de zwaksten, maar juist de sterksten.
Wat in de discussie tot nu toe onderbelicht is gebleven, is dat langs deze weg langzaam maar zeker een heel ander begrip van gezondheid ontstaat. Gezondheid staat dan niet langer voor de terugkeer in het normale levenspatroon, waarbij het niet uitmaakt of dat de seniorenwoning of de baan is, maar wordt geherdefinieerd als ‘de bekwaamheid tot het verrichten van loonarbeid’. Deze verenging van het gezondheidsbegrip vormt het werkelijke risico van tweedeling in de gezondheidszorg. Ook in de terminologie waarin de discussie wordt gevoerd is die terug te vinden. Tegenstanders spreken van voorrangsbeleid, voorstanders hebben het over de problematiek van de 'wachtende werknemer’.
Het gevolg is dat het genezingsproces van de werknemer conceptueel beschouwd moet worden als werktijd. Dat betekent dat de relatie tussen arts en patiënt in een ander licht komt te staan. De vraag is dan in wiens opdracht de behandelend arts eigenlijk werkt. Blijft er sprake van een vrije artsenkeuze? Wat gebeurt er met patiëntenrechten als die in de context komen te staan van het arbeidscontract? Wat betekent dat voor de keuze van de therapie? Stel dat gekozen moet worden tussen langzaam herstel door middel van rust of een operatie - wie had het ook alweer over het terugdringen van onnodig gebruik van gezondheidsvoorzieningen?
In Amerika, waar de werkgever al langer in verregaande mate verantwoordelijk is voor de kosten van ziekte en verzuim, kan de werkgever zijn werknemer vertellen waar en door wie hij zich moet laten behandelen. Doet die dat niet, dan kan de werkgever vergoeding van de kosten van de behandeling weigeren.
Omgekeerd, als gezondheidszorg maatschappelijk de betekenis krijgt van het herstel van het vermogen tot werken, en als op grond daarvan selectie van de kansrijken plaatsvindt, wordt de zorg voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen onvermijdelijk van minder belang. Daarin komt nog een ander aspect van de tweedeling aan het licht. De zieke werknemer wordt uitsluitend benaderd vanuit zijn economisch belang. Daarmee komt hij in laatste instantie zelfs te staan tegenover zijn eigen zieke kind, vader of moeder.
Terug naar de orwelliaanse vergelijking. Die gaat mank. In het eerste deel ervan gaat het om (de gezondheid van) het individu. In het tweede deel om het maatschappelijk belang dat aan (de gezondheid van) bepaalde individuen wordt gehecht. Anders gezegd: maatschappelijke participatie is voor iedereen even belangrijk. Maar sommige vormen van participatie zijn belangrijker dan andere. Die sommige zijn betaald werk en het bezit van een vast arbeidscontract. Die andere zijn alle activiteiten die niet op geld waardeerbaar zijn. De gezondheidszorg wordt aan die maatschappelijke prioriteitstelling ondergeschikt gemaakt. Ook de vakbeweging, die zich inmiddels heeft teruggetrokken op de belangenbehartiging op terreinen van werk en inkomen, heeft deze consequentie aanvaard. Het besef dat maatschappelijke participatie meer is dan arbeidsparticipatie lijkt daarmee weer een stapje verder weg. De tweedeling zet door.