In Rotterdam wordt een borstbeeld van Pim Fortuyn onthuld, 2003 © Guido Benschop / De Beeldunie

Op 6 mei 2002 werd de omstreden politicus Pim Fortuyn op het Mediapark in Hilversum vermoord. Er was een politiek voor en een politiek na. Nu is algemeen bekend dat grote politieke kenteringen hun eigen beeldvorming en mythes genereren – deze comprimeren een veelvormige historische werkelijkheid tot een eenduidig verhaal dat houvast geeft in het heden. Twintig jaar na Fortuyns dood heeft zo een beeld postgevat dat op zijn best eenzijdig is en in het slechtste geval ronduit misleidend.

Al tijdens de geruchtmakende opkomst van Fortuyn was de communis opinio dat zijn denkbeelden weinig meer waren dan een mengsel van oppervlakkigheden, bijeengehouden door rancune en afgunst. De socioloog Jacques van Doorn versleet hem voor een ‘verzamelaar van borreltafelwijsheden’. NRC-journalist Hubert Smeets noemde Fortuyns laatste boek De puinhopen van acht jaar Paars ‘een carillon waar alle klokken tegelijk luiden maar nergens een klepel hangt’. Fortuyn werd vooral interessant gevonden vanwege zijn politieke stijl, zijn charisma en vanwege de wijze waarop zijn lpf met 26 zetels in de Tweede Kamer was gekomen – een novum in de Nederlandse politiek.

Daarmee verschoof al snel de aandacht van de ideeën van Fortuyn naar de verklaring van zijn ongekende populariteit. Het thema globalisering kreeg daarin een belangrijke plaats. Zo haalde Smeets de Engelse filosoof John Gray aan, die in zijn boek False Dawn (1998) waarschuwde tegen de utopie van de wereldwijde vrije markt. Gray voorspelde dat de neoliberale globalisering van de jaren negentig allerlei tegenkrachten zou oproepen: populisme, xenofobie, fundamentalisme en neo-communisme. Het werd een populair frame om de wereld te begrijpen: het rechts-populisme als verzetsbeweging tegen de neoliberale globalisering. De Britse journalist David Goodhart schreef over de opstand van de somewheres, de lokaal gewortelde gewone man, tegen de anywheres, de mondiaal georiënteerde stedelijke elites. Niet de tegenstelling tussen links en rechts, maar die tussen ‘open’ en ‘gesloten’ zou het toekomstige politieke strijdtoneel bepalen.

Zo ontstond het folkloristische beeld van Fortuyn als volkstribuun die ‘de mensen in de wijken’ in bescherming nam tegen het kosmopolitische marktdenken van Paars. Recent nog werkte de socioloog Gabriël van den Brink deze mythe verder uit in zijn boek Ruw ontwaken uit een neoliberale droom (2020): volgens Van den Brink had het neoliberalisme een proces van liberalisering, modernisering en individualisering in gang gezet, waartegen de ‘verworpenen’ inmiddels in opstand kwamen. Hun ‘ruw ontwaken’ begon met Pim Fortuyn, die het verzet inluidde tegen ‘het neoliberale enthousiasme van de bestuurlijke elite’. Fortuyn werd zo tot spreekbuis van de gewone man gemaakt, de verliezer van de globalisering. Twee weken geleden kreeg Fortuyns programma in de NRC zelfs een links karakter toegeschreven, toen Fortuyn-biograaf Leonard Ornstein hem in een opiniestuk schetste als een politicus die ‘tot aan zijn dood’ steeds ‘royaal op het sociaal-democratische gedachtegoed’ leunde en grote waarde hechtte aan de publieke sector. Ook Telegraaf-journalist Wierd Duk, een vaste verschijning bij Fortuyn-herdenkingen, draagt dat beeld uit. Een tijdje terug liet hij in een reportage vier arbeiders uit Deventer aan het woord die nauwelijks konden rondkomen van hun aow. ‘Pim was hun man’, stelde Duk vast.

Hadden de Deventer arbeiders in een seance de geest van Pim kunnen oproepen, dan waren ze van een koude kermis thuisgekomen. Toen radio-dj Ruud de Wild Fortuyn op die maandagmiddag 6 mei 2002 interviewde, antwoordde Fortuyn dat hij niet graag ‘de mensen naar de bek’ praatte. Hij meldde aan het begin van zijn campagne dat hij niet slechts wilde aantonen dat ‘de politiek waardeloos is, maar dat ook veel burgers dat zijn. Ze kijken te veel naar wat de overheid allemaal kan en moet doen, en veel te weinig naar wat ze zelf kunnen doen’.

Fortuyn was geen criticus maar juist een enthousiaste aanhanger van het neoliberalisme. Hij getuigde hiervan in woord en geschrift vanaf het moment dat hij zich bekeerde tot ondernemer, tot aan zijn tragische dood vijftien jaar later.

Zijn laatste boek, De puinhopen van acht jaar Paars, het officieuze verkiezingsprogramma van de lpf, is moeilijk anders te karakteriseren dan als een neoliberaal pamflet. Fortuyn keerde zich in dit boek tegen de overheid, die met de verzorgingsstaat ‘een waar monster [had] gebaard’. Uitkeringsgerechtigden beschouwde hij als ‘een dood gewicht in de samenleving’ die ook nog eens ‘voor de nodige maatschappelijke overlast zorgen’. Werkloosheid was vooral een mentaliteitsprobleem dat kon worden opgelost door het verlagen van uitkeringen, het afschaffen van huursubsidies en het inperken van de wao. Fortuyns oplossing voor de wachtlijsten in de zorg was meer marktwerking, een hoger eigen risico en meer ongelijkheid in de beloning van zorgpersoneel. Ook wilde hij het openbaar bestuur modelleren naar het bedrijfsleven en een kwart van alle ambtenaren ontslaan. De Nederlandse werknemer moest een ‘ondernemer van de eigen arbeid’ worden, een centraal motto in het neoliberale denken, zoals beschreven door de Franse filosoof Michel Foucault.

Fortuyns rechts-populisme ontstond dan ook niet uit verzet tegen het neoliberalisme, maar was juist een uitloper van de neoliberale golf die ons land in de jaren tachtig en negentig overspoelde. Professor Pim keerde zich niet tegen het ‘neoliberale enthousiasme van de bestuurlijke elite’, maar vond de Paarse coalities bij lange na niet neoliberaal genoeg. Fortuyns standpunten over immigratie en de islam zouden echter dermate beeldbepalend worden dat de neoliberale Fortuyn in de collectieve herinnering steeds verder naar de achtergrond verdween.

Zonder zijn vrijemarktagenda is Fortuyn echter niet goed te begrijpen. Met een geglobaliseerde economie had hij niet de minste moeite – integendeel. ‘Waarom mijn pleidooi om de heerlijk warme consensusdeken van ons Nederlandse bedje te halen?’ schreef Fortuyn op de openingspagina van Zonder ambtenaren (1991). ‘Mondialisering van cultuur en economie vragen een andere sturing van economie en samenleving, die wordt afgedwongen door het vrije verkeer van personen, geld en goederen.’ Al zijn voorstellen voor de modernisering van Nederland stonden in het teken van de globalisering en de mondiale concurrentiestrijd. Enkel op het gebied van cultuur zou Fortuyn midden jaren negentig een forse draai maken. Daar moest het nationalisme een anker bieden aan de ontheemde burger. De wegvallende materiële zekerheid kon zo gecompenseerd worden door de culturele zekerheid van de nationale identiteit en bijbehorend anti-immigratiebeleid.

Fortuyn pleitte, kortom, voor economische openheid en culturele geslotenheid. Daarin was hij verre van uitzonderlijk. Politicologen als Herbert Kitschelt en Hans-Georg Betz merkten al in de jaren negentig op dat een golf van rechts-populistische partijen Europa overspoelde, met eenzelfde combinatie van standpunten. Partijen als Berlusconi’s Forza Italia, de Zwitserse Volkspartij, de Noorse Vooruitgangspartij en de Deense Fremskrittspartiet stonden in deze jaren een ‘neoliberaal populisme’ voor. De combinatie van vrijemarktpolitiek en anti-immigratie was zelfs zo populair dat Kitschelt in zijn standaardwerk The Radical Right in Western Europe (1996) van een ‘winnende formule’ sprak. In het nieuwe millennium zouden populistische partijen hun marktagenda temperen, maar in de jaren negentig waren neoliberalisme en rechts-populisme loten aan dezelfde stam. In Nederland illustreert geen politicus hun verwantschap beter dan Pim Fortuyn.

Pim Fortuyn bij de presentatie van Lijst Pim Fortuyn. Rotterdam, maart 2002 © Martijn van de Griendt / ANP
In de jaren negentig waren neoliberalisme en rechts-populisme loten aan dezelfde stam, een verwantschap die Fortuyn illustreerde

In april 1987 had Fortuyn een ‘eureka-ervaring’ op de Lijnbaansgracht in Rotterdam, ‘likkend aan een ijsje’.

In zijn autobiografie beschrijft hij hoe hij door de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij als socioloog werkte, was gedetacheerd bij de gemeente Rotterdam. Als lid van de commissie-Albeda bracht hij daar advies uit over de sociale en economische vernieuwing van de stad. Fortuyn verbleef op kosten van de gemeente in het Rotterdamse Hilton Hotel. Daar genoot hij van het contact met de ondernemers in de commissie en leerde hij de ‘betere wijnen drinken en de geneugten van kaviaar en zalm waarderen’.

Nadat het rapport was afgerond besloot Fortuyn voor zichzelf te beginnen. Op Hilton-briefpapier schreef hij zijn ontslagbrief aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hierna trad hij toe tot een selecte groep bestuurders en consultants die de privatisering van de collectieve sector overzag. Hij leidde een bedrijf dat de ov-chipkaart ontwikkelde, maande de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten in een advies tot marktwerking en flexibilisering en schreef een rapport waarin hij marktwerking in de zorg bepleitte. ‘Nu kan er een auto met chauffeur af en die schaf ik me direct aan’, besloot Fortuyn in 1988. De transformatie was compleet.

In zijn boek De geest van Pim uit 2003, tot nu toe de grondigste analyse van Fortuyns gedachtegoed, beschrijft socioloog Dick Pels hoe de omslagen in diens denken vrijwel altijd samenvielen met ontwikkelingen in zijn persoonlijke levensloop. ‘Fortuyn privatiseert zichzelf en switcht om naar een neoliberale ideologie’, schreef Pels over die periode. De samenloop tussen Fortuyns eigen leven en zijn bekering tot de markt is inderdaad opmerkelijk, maar verklaart misschien minder dan Pels denkt. Je zou bijna vergeten dat Fortuyn in de pas liep met de dominante politieke trends.

Het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers in 1982 markeerde een grote omslag in het economische beleid van Nederland. De overheid trad terug: privatisering, deregulering en flexibilisering werden het devies. De gedachte van Nederland als gidsland van de jaren zeventig maakte plaats voor de BV Nederland, de metafoor waarmee het beeld van Nederland als bedrijf gevestigd werd. Zoals een noodlijdend bedrijf gesaneerd moest worden, moest de politiek terugkeren naar haar ‘core business’ door perifere activiteiten af te stoten.

De neoliberale golf die Nederland overspoelde kende in de jaren tachtig een sterk technocratisch karakter. Door haar positie in het politieke midden had het cda weinig te winnen bij een expliciete ideologische politiek à la Reagan of Thatcher. Lubbers moest de linkervleugel van zijn partij binnenboord houden. Het bezuinigingsbeleid werd vakkundig gedepolitiseerd als ‘no-nonsense-beleid’ en het initiatief werd door het kabinet uitbesteed aan beleidseconomen bij de ministeries van Financiën en Economische Zaken. ‘Onze filosofie is als volgt: de ambtenaren hebben oplossingen verzonnen en dan zijn wij aan de beurt’, analyseerde cda-minister Elco Brinkman van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de heersende teneur. Het was een tijd van ‘technocratische flinkheid’, meende ook politicoloog Hans Daalder, waarin de vakbonden en het sociaal overleg pas op de plaats moesten maken.

In 1989 kreeg deze flinkheid echter een knauw. Het cda verbrak de samenwerking met de vvd en formeerde een kabinet met de pvda. In de rechtervleugels van de Nederlandse middenpartijen leidde deze keuze tot onrust. pvda-leider Wim Kok had in een veelbesproken ‘Nijmeegse rede’ verkondigd dat ‘de slinger’ na tien jaar neoliberaal beleid ‘te ver was doorgeschoten’. Wat hem betreft was ‘de tijd van no-nonsense (…) voorbij’. Kok bekritiseerde de ‘autoritaire bestuursstijl’ uit de jaren tachtig en pleitte voor een herstel van de consensuspolitiek, zodat de vakbonden niet langer langs de kant zouden staan. Het nieuwe kabinet zou weer moeten investeren in de publieke sector. Op rechts overheerste de teleurstelling. De angst was dat Nederland door al dat gepolder de boot van marktwerking en liberalisering zou missen.

‘Hadden we maar een Margaret Thatcher in de Nederlandse politiek’, schreef de econoom en latere lpf-minister Eduard Bomhoff in zijn NRC-column. NRC-journalist Marc Chavannes viel hem al snel bij: de lessen van Thatcher waren in Nederland genegeerd, aldus Chavannes, ‘omdat wij ons gemakshalve voorhouden dat zij een mal gecoiffeerde dame is in een land vol vreemde types die uit een tv-serie lijken weggelopen’. Een thatcheriaans elan in Nederland was zo gek nog niet. ‘Hoe komen we af van laat-corporatistische structuren’, vroeg Chavannes, ‘die uitingen zijn van een vervet harmoniemodel dat welvaart en welzijn van de Nederlandse bevolking bedreigt?’ Chavannes wijdde een boek en een invloedrijke artikelenreeks aan ‘de stroperige staat’: ‘het nooit eindigend overleg met alle sociale en minder sociale partners’. Zijn kritiek op de consensuspolitiek vond veel weerklank, onder meer bij prominente rechtse politici als vvd-leider Frits Bolkestein en cda-kroonprins Elco Brinkman.

Ook Fortuyn zong mee in het koor van de teleurgestelde marktdenkers. In 1991 aanvaardde hij het bijzonder hoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en begon hij zijn loopbaan als rechtse polemist met zijn inaugurele rede Een toekomst zonder ambtenaren. Het werd de eerste van een reeks schotschriften waarin Fortuyn een frontale aanval opende op de consensuscultuur en bureaucratie in Nederland. Net als Bomhoff klaagde Fortuyn dat Lubbers een prachtige kans had laten liggen. De premier had met zijn ‘kabinet van vitale Machers’ de ambtenarenvakbonden getrotseerd, maar had verzuimd hun de nekslag te geven. ‘Het hoeft geen betoog dat we nu een stuk verder zouden zijn geweest als Lubbers I had gekozen voor de methode van amputatie in plaats van de toediening van een tijdelijk werkend medicijn.’

Fortuyn bepleitte een ‘eigen ijzeren dame’ om de vakbonden aan te pakken, wilde de helft van alle ambtenaren ontslaan en stelde voor om vaste contracten te verbieden. De neoliberale kritiek op het polderen, als sta-in-de-weg voor de verdere vermarkting van Nederland, zou een belangrijke bouwsteen worden van Fortuyns populisme.

Het was Fortuyn die hetneoliberalisme in Nederland voor het eerst van een populistisch narratief voorzag. In zijn boeken populariseerde hij de technocratische rapporten van het ministerie van Economische Zaken en vatte hij de laatste managementliteratuur samen. Hij groeide uit tot een vertegenwoordiger van wat de Amerikaanse schrijver Thomas Frank ‘marktpopulisme’ noemt, ‘het idee dat de markt niet enkel een ruilmechanisme is, maar ook een stemmechanisme. Dat markten een betere weerslag vormen van wat de bevolking wil dan verkiezingen.’

Fortuyn schreef badinerend over bestuurders die ‘de bankzitters in de gelegenheid stelden om op de bank te blijven zitten’

De overheid was in de greep geraakt van zelfzuchtige bureaucraten en pressiegroepen (vakbonden), die hun eigenbelang najoegen op kosten van de belastingbetaler. Markten daarentegen, zo vatte Frank het marktpopulisme samen, ‘zijn de steun en toeverlaat van de gewone man; markten stoten de arrogante elite van hun voetstuk; markten kijken om naar onze belangen’.

Dit marktpopulisme vormt de rode draad in het lpf-programma dat Fortuyn ontvouwde in De puinhopen van acht jaar Paars (2002). Hij opende dit boek met een vergelijking tussen markt en staat: in een marktomgeving wordt een bedrijf afgestraft als het slechte producten levert, constateerde Fortuyn. De consument bepaalt. Door de ict-revolutie zou de invloed van de consument enkel verder toenemen. Fortuyn schreef enthousiast over de ‘democratisering en individualisering van het materiële leven’ en stelde een toekomst in het vooruitzicht waarin ‘de hoogst individuele automobiel als het ware al letterlijk voor de deur [staat]’ en ‘iedereen zich maatkleding [kon] veroorloven’. Ook constateerde Fortuyn dat de traditionele bevelshuishouding in het bedrijfsleven plaatsmaakte voor het onderhandelingshuishouden van de nieuwe netwerkeconomie. Dankzij de zegeningen van de ict konden massaproducten voortaan worden toegesneden op persoonlijke wensen, terwijl nieuwe managementtechnieken plattere arbeidsverhoudingen mogelijk maakten. Hij ontpopte zich, kortom, als profeet van het laatkapitalisme.

Waar het bedrijfsleven zich volgens Fortuyn soepel aan de nieuwe tijdgeest aanpaste, was dit alles in de collectieve sector nog niet doorgedrongen. Daar leefde men nog in het industriële tijdperk met haar grootschalige productie. ‘Aan de consument-burger wordt slechts lippendienst bewezen’, klaagde Fortuyn. ‘Van democratie is geen sprake, of men zou het eens in de vier jaar een hokje rood maken democratie moeten noemen.’ Burgers hadden niets te zeggen over de producten die de overheid hun leverde. Dit alles werd nog verergerd door het corporatistische poldermodel, ‘een soort moesjawara-systeem waarin men net zo lang met elkaar praat totdat men het min of meer eens is en verantwoordelijkheden zijn verdampt’. Dit systeem werd draaiende gehouden door een kleine elite van Ons Soort Mensen (osm) die lid was van vakbonden en grote middenpartijen en de noodzakelijke vernieuwing tegenhield.

Ging Fortuyn in zijn marxistische tijd nog uit van een tegenstelling tussen de productieve arbeidersklasse en het parasitaire kapitaal, nu liet hij zich inspireren door een ‘neoliberale klasseleer’ (Pels). Aan de ene kant stond ‘ondernemend Nederland’, Fortuyns productieve klasse. Hiertegenover bevond zich een parasitaire klasse van bestuurders en uitkeringstrekkers. Voor deze laatste groepen had Fortuyn geen goed woord over. Hij schreef badinerend over polderende bestuurders uit het osm-circuit die onderling de baantjes verdeelden en intussen ‘de bankzitters in de gelegenheid stellen om op de bank te zitten’ en nog een ‘grote mond op te zetten’ ook. Dit alles was mogelijk gemaakt door ‘de subsidiesocialisten van de pvda, met Ad Melkert in het voorste gelid’.

Een achterhaalde, ondemocratische bestuursstructuur had Nederland lui en gemakzuchtig gemaakt. Dat moest veranderen. Fortuyn bepleitte een terugdringing van ambtelijke macht ten faveure van de burger-consument, die niet langer betutteld mocht worden maar zelf moest kunnen kiezen. Voor de zorgsector werkte hij dit pleidooi het meest concreet uit. Fortuyn streefde naar een ‘patiënt-cliënt’ die zijn eigen zorg inkocht, en hierdoor kostenbewust werd gemaakt. Daarom verlangde hij ‘een (substantiële) eigen bijdrage’ in de zorgkosten. Hij prees de commissie-Dekker, een in 1986 door Lubbers ingestelde adviescommissie die meer marktwerking in de zorg bepleitte. Fortuyn betreurde dat daar ‘zelfs op bescheiden schaal niets [was] terechtgekomen’. Zelf streefde Fortuyn naar ‘Dekker in het kwadraat, of preciezer: Dekker consequent doordacht’. Hij stelde voor om ‘de sector in zijn geheel open te breken en vatbaar te maken voor concurrentie’, zodat efficiency en klantgerichtheid konden gedijen.

Sociale zekerheid verdiende de Nederlandse burger volgens Fortuyn naar rato van inspanning. Wie niet werkte viel terug op het absolute bestaansminimum, wie weinig zorgpremie afdroeg hoefde niet op de beste zorg te rekenen. Fortuyn klaagde in De puinhopen dat hij dezelfde zorg ontving als zijn schoonmaakster, terwijl hij veel meer belasting betaalde. Fortuyn vergeleek de situatie met ‘de verzekeraar [die] uw total loss gereden en duur verzekerde Jaguar vervangt door een Fiat Uno en zegt: Klaar is Kees’.

Fortuyn doorspekte dit markgerichte betoog met een nostalgisch terugverlangen naar kleinschaligheid en ‘de menselijke maat’. Zijn voorstellen voor kleinere scholen, regionale ziekenhuizen en werk dicht bij huis leverden hem sceptische reacties op van critici: wilde professor Pim misschien terug naar zijn middelbareschooltijd uit de jaren vijftig, waarover hij in zijn autobiografie met weemoed schreef? Zelf zag de lpf-lijsttrekker zijn streven naar de menselijke maat echter als onderdeel van een omvangrijk moderniseringsprogramma. Kleine ziekenhuizen in de regio waren volgens hem mogelijk omdat de specialist vanuit een centrale regiekamer via een beeldverbinding kon meekijken met operaties die in de regio werden verricht. Werk dicht bij huis was mogelijk dankzij nieuw op te richten ict-paviljoens, waarin werknemers via internet permanent in contact stonden met hun collega’s elders. Het was een bijzonder amalgaam van jaren-vijftignostalgie en moderniseringsdrang, van spruitjes en van Zoom.

Maar Fortuyns streven naar een menselijke maat was óók een nauwelijks verhuld pleidooi voor meer ongelijkheid. Maatwerk betekende in zijn ogen dat op veel meer plekken de werkelijke marktprijs betaald moest worden en zou het einde inluiden van een ‘kunstmatige’ gelijkheid die de overheid via subsidies en cao’s in stand hield. Concreet betekende maatwerk in de zorg meer ongelijkheid tussen burgers op basis van hun premieafdracht en tussen personeel door grotere salarisverschillen. Op de gehele arbeidsmarkt streefde Fortuyn naar denivellering. Hij hekelde de archaïsche en betuttelende bevoegdheid van de overheid om cao’s algemeen verbindend te verklaren. Hiermee drong zij salarisschalen en arbeidsvoorwaarden op, terwijl bedrijven en werknemers beter zelf konden onderhandelen over de waarde van werk. Fortuyn wilde de arbeidsmarkt volledig openbreken. De vaste baan moest plaatsmaken voor het flexcontract. Dit maakte werkgevers en werknemers meer flexibel, leidde tot loonsverlagingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt en versterkte zo de mondiale concurrentiepositie van Nederland. Dit alles, schreef hij, volgens de aloude logica van ‘wie niet werkt zal ook niet eten’.

Fortuyn vermeldde trots dat hij ‘aan de wieg [had] gestaan van het bedrijfsmatiger werken bij de overheid en (…) van het idee van privatisering van overheidsdiensten’. Wel maakte hij op die regel enkele uitzonderingen. De privatisering van nutsbedrijven (gas, water, elektriciteit) wees Fortuyn af, net als de verzelfstandiging van de Nederlandse Spoorwegen. Waar volkomen concurrentie niet mogelijk was, bepleitte Fortuyn nationalisatie. In alle andere gevallen was marktwerking het recept.

Fortuyn was zich bewust dat het wegnemen van economische zekerheden tot onrust zou kunnen leiden. ‘Naast een grote mate van vrijheid en een zeer aanzienlijke verruiming van keuzemogelijkheden’, schreef hij in Tegen de islamisering van onze cultuur (1997), veroorzaakte de globalisering ‘ook angsten onder hen die maar zeer ten dele de vruchten kunnen plukken van deze internationalisering van de wereld’. Zijn nationalistische agenda bood hun een belangrijk compensatiemechanisme.

De onvrede en onrust die een losgeslagen kapitalisme op economisch terrein teweegbracht, werd zo op cultureel terrein geadresseerd. De eerder genoemde Thomas Frank beschreef een vergelijkbare ontwikkeling in de Verenigde Staten: politici mobiliseerden het electoraat met ‘controversiële culturele thema’s’ die werden vervlochten met ‘rechts economisch beleid’. De daaruit voortkomende culture wars hadden volgens Frank ‘de internationale consensus over de vrije markt mogelijk gemaakt, met al haar privatisering, deregulering en antivakbondsbeleid’.

Fortuyns politieke erfenis is dat hij deze cultuurstrijd in Nederland ontketende.

Bram Mellink is als historicus verbonden aan de UvA. Merijn Oudenampsen werkt als socioloog aan de Université Libre de Bruxelles. Dit essay is gebaseerd op hun boek Neoliberalisme: Een Nederlandse geschiedenis, dat op 12 mei verschijnt bij Boom Uitgevers