75 jaar bevrijding: Hoe de bevrijding uiteenvalt

Wie nog kan spreken, spreekt

Met de viering van 75 jaar bevrijding is er veel aandacht voor persoonlijke verhalen en lokale geschiedenissen. De gebeurtenis als eenduidig nationaal gedragen beeld bestaat niet meer.

De bevrijding in het Gelderse dorp Puiflijk, 3 juni 1945 © Alphons Hustinx / HH

De bevrijding van Nederland begon met een geintje. ‘Kommen sie heraus!’ riep de buurman van de familie Smeets boven aan de keldertrap van boerderij De Muggehof. De familie schrok zich rot. Vader, moeder, vier zoons en de huishoudster hadden zich in de kelder verschanst. De olijke buurman was een Belg wiens boerderij net over de grens lag. Hij was door de linies gelopen, voor de troepen uit. ‘Kom maar boven’, zei hij, ‘de Amerikanen komen eraan.’ En daar kwamen ze. Behoedzaam lopend aan weerszijden van de Schansweg, een smalle landweg die evenwijdig loopt aan de Maas.

De Muggehof ligt in het meest zuidwestelijke puntje van Limburg, op een halve kilometer van de Belgische grens, en is nog altijd in bezit van de familie Smeets. De vader van Willy Smeets (63) was een van de zoons die uit de kelder kroop. ‘We waren de eerste bevrijde Nederlanders. Zo’n verhaal blijft natuurlijk leven binnen de familie’, vertelt hij aan de telefoon.

De Amerikanen trokken nog vijftig meter verder om te controleren of er geen Duitsers zaten en keerden toen terug naar De Muggehof. Ze verstopten hun voertuigen in de boomgaard. ‘Daarna heeft mijn oma hun kleren gewassen. Ze kwamen uit de Ardennen, dus ze waren erg vies.’ ’s Avonds stuurden de Amerikanen de familie naar de buren in België. Ze vonden het te gevaarlijk om hen thuis te laten overnachten.

Zo verging het de eerste familie die in Nederland werd bevrijd. Maar Nederland zou Nederland niet zijn als er geen wenkbrauwen werden opgetrokken bij het verhaal van de familie Smeets. De Amerikanen kwamen op 11 september 1944, om half twaalf ’s ochtends, zegt Willy Smeets. ‘Dat werd ons altijd zo verteld.’ Het officiële verhaal is echter dat de bevrijding een dag later begon, op 12 september. Op die dag kwamen de Amerikanen immers aan in het kerkdorp Mesch, vijf kilometer verwijderd van De Muggehof. Dat blijkt uit Amerikaanse militaire documenten, zeggen streekhistorici. ‘Maar een dag eerder waren ze al hier op De Muggehof’, zegt Smeets.

Hij appt een foto van een informatieblad dat hing bij de recente bevrijdingsfeesten. Daarop staat dat al op 11 september een Amerikaans regiment over de Maas werd gezet ‘bij Argenteau’ (het Vlaamse d’Erckenteel). Daarvandaan duurt het te voet anderhalf uur om De Muggehof te bereiken. Bij de viering van vijftig jaar bevrijding weigerde hij een plaquette op De Muggehof te laten aanbrengen waarop de boerderij vermeld stond als eerste bevrijde huis van Nederland, maar met als datum 12 september 1944.

Decennialang bleef het bij lokaal gekissebis, maar inmiddels heeft het gesteggel over die ene dag de landelijke media gehaald. Dat zegt iets over hoe ons beeld van de bevrijding in de loop van de jaren is veranderd: het begint te ‘vergruizen’. De beeldspraak is van de historicus Jan Romein (1893-1962) die in zijn oratie ‘Het vergruisde beeld’ (1939) liet zien dat door een voortdurende historische belangstelling het eenduidige, nationaal gedragen beeld van hoe iets was, onvermijdelijk uiteenvalt in talloze nuances.

Zijn observatie lijkt van toepassing op de bevrijding. Loe de Jong besteedde in zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog weliswaar veel aandacht aan ‘het laatste jaar’ (delen 10a en 10b, verschenen in 1980 en 1981) en toonde dat de bevrijding zwaar moest worden bevochten, maar dat zette zich niet vast in het nationale geheugen. Het nationale beeld was dat van een explosie van vreugde op 5 mei 1945, toen de Duitse troepen in Nederland capituleerden. Daaraan vooraf gingen de mislukte Slag om Arnhem (17-25 september 1944) en de daaropvolgende Hongerwinter. Nog in 1995, toen de bevrijding een halve eeuw oud was, lag op die drieslag de nadruk. Of de eerste geallieerden een dag eerder of later in Nederland arriveerden, deed er weinig toe.

Nu, met de 75-jarige viering, is er meer dan ooit aandacht voor het proces dat de bevrijding van Nederland was. Er is veel aandacht voor persoonlijke verhalen en lokale geschiedenissen. Daarin is het moment waarop de geallieerden de grens over trokken juist wel van belang. Net als het einde van dat proces. Was dat wel op 5 mei 1945? Hoe kan het dan dat pas op 11 juni 1945, negen maanden nadat de Amerikanen op het erf van De Muggehof verschenen, de laatste Duitse troepen werden ontwapend en gevangengenomen?

Lang niet overal verloopt de bevrijding zo vredig als op De Muggehof. Al meteen de volgende dag raken Duitsers en Amerikanen met elkaar in gevecht bij Mesch. In hoog tempo wordt een reeks dorpen veroverd, waarbij stevig wordt gevochten. Op 14 september valt de eerste Nederlandse stad: Maastricht. Maastricht heeft geluk gehad. Als de Duitsers zich niet een nacht voor de aanval hadden teruggetrokken, zouden de Amerikanen de stad hebben bestookt met hun artillerie. Hun eigen heil was belangrijker dan dat van de burgers.

Het is een terugkerende factor in de acties rond de bevrijding: de inzet van zware artillerie en zelfs luchtbombardementen tegen Nederlandse dorpen en steden. Loe de Jong besteedde wel aandacht aan het leed dat die tactiek van brute force teweegbracht, maar ook al noemde hij zich een ‘volksopvoeder’, zijn les bleef niet hangen. De nodeloze vernietigingen door de geallieerden werden na de oorlog met de mantel der liefde bedekt – weggedacht door de bevolking die jaren had uitgekeken naar het einde van het naziregime. Het duurde jaren voordat tot de publieke opinie doordrong dat de geallieerden geen engeltjes waren, dat ook zij plunderden en dat het verslaan van Duitsland voor hen belangrijker was dan het bevrijden van Nederland.

Terwijl de Amerikanen doorgaan met het veroveren van Midden- en Noord-Limburg begint op 17 september 1944 operatie Market Garden, die uitmondt in de Slag om Arnhem, afgedwongen door de eigengereide Britse veldmaarschalk Bernard Montgomery. De operatie wordt een fiasco door felle Duitse tegenstand waardoor de Rijnbrug in Arnhem verloren gaat.

Minder bekend zijn de bombardementen rond de operatie. In Ede worden bij een luchtbombardement op Duitse stellingen 69 burgers gedood. Na de slag grijpt de Luftwaffe haar kans. Eindhoven is op 18 september bevrijd en er is nog geen luchtafweergeschut geïnstalleerd. Met een vloot van 85 bommenwerpers wordt de stad op 19 september gebombardeerd, terwijl de bevolking feestviert. Er vallen 227 doden en meer dan achthonderd mensen raken gewond.

Met het verstrijken der jaren komt boven water hoe catastrofaal ‘Monty’s’ Market Garden werkelijk was. De operatie was niet slechts een brug, maar een hele provincie te ver. In zijn haast om via Brabant en Gelderland door te stoten naar het Ruhrgebied, liet Montgomery Zeeland links liggen. Door het Duitse geschut op Zuid-Beveland en Walcheren kon er niet gevaren worden op de Westerschelde, waardoor de haven van Antwerpen niet gebruikt kon worden voor de aanval op Duitsland. Na ruim een maand vechten is de strijd beslecht. Bijna 7500 militairen vinden de dood, en 2283 burgers, onder wie 744 Belgen.

Decennialang werd de Slag om de Schelde slechts regionaal in Zeeland herdacht, ook al betrof het de grootste geallieerde operatie op Nederlands grondgebied met de zwaarste gevechten van de oorlog, en ook al was Zeeland in de oorlog de zwaarst getroffen provincie. De helft van de Zeeuwen raakte woning en landbouwgrond kwijt. Pas vorig jaar kwam er nationale erkenning toen in Terneuzen koning Willem-Alexander en het Belgische koningspaar de herdenking bijwoonden. ‘Soms lijkt het wel een beetje de vergeten slag te zijn geweest, en dat is jammer. Daarom is het goed dat we hier vandaag zijn’, zei minister van Defensie Ank Bijleveld bij die gelegenheid.

Inwoners van Walcheren rijden door land dat door Geallieerden onder water is gezet, 1945 © Carel Blazer / MAI

‘Het zou fijn zijn als mensen uit hun lokale cocon komen en zien wat de rest van Nederland heeft meegemaakt’, zegt historicus en journalist Bram de Graaf. Afgelopen maand publiceerde hij Ooggetuigen van de bevrijding, zijn derde boek over de oorlog, waarin hij de bevrijdingsverhalen van tien Nederlanders optekende. Ook de Slag om de Schelde komt aan bod, met het verhaal van Kees Pouwelse. Hij was twaalf jaar toen zijn woonplaats Westkapelle en de dijken door de Britten werden gebombardeerd. 152 mensen kwamen om, zeven procent van alle inwoners.

Voor de geallieerden was het verslaan van Duitsland belangrijker dan het bevrijden van Nederland – het duurde jaren voordat dat doordrong

De Graaf, die ook onderzoek deed voor de tv-serie In de voetsporen van de bevrijding van Omroep Max, was vaak aangewezen op lokale werkjes om de omstandigheden rond zijn hoofdpersonen te schetsen. Via zijn ooggetuigen toont hij de bevrijding van zo veel mogelijk kanten. Het geallieerde geweld en de Duitse terreur komen aan bod, de honger in het westen, de ondergrondse en de angst voor verraad. Maar ook het leed van zowel joodse als niet-joodse Nederlanders die terugkeerden uit de kampen en dat van een half-Duitse Nederlandse familie waarvan de mannelijke leden gedwongen werden in Duitse krijgsdienst te treden. Volledigheid is ondoenlijk. ‘Er waren destijds negen miljoen Nederlanders. Allemaal hebben ze hun eigen verhaal. Nog steeds weten we zoveel niet van elkaar.’

Zo leeft nog altijd het verhaal dat de Nederlanders in het zuiden een luizenleventje leidden terwijl het westen werd geteisterd door de Hongerwinter. In West-Brabant richtten de geallieerden echter grote verwoestingen aan. Het deel van Limburg tussen de oostelijke Maasoevers en de Duitse grens bleef zelfs tot maart 1945 frontgebied. Roermond en Venlo kenden hun eigen oorlogswinter met extreme kou, honger, Duitse razzia’s, liquidaties en voortdurende artilleriebombardementen.

Na de Slag om de Schelde richten de geallieerden zich volledig op Duitsland. De 120.000 goed bewapende Duitse militairen in FestungHolland hebben geen prioriteit. Eerst moeten in Limburg de gebieden ten oosten van de Maas worden veroverd. De winter is ongekend koud, met een vorstperiode van meer dan een maand, tot eind januari. Alles vriest dicht, zelfs het IJsselmeer. Uiteindelijk sterven 20.000 tot 25.000 mensen door honger, kou en ziektes.

In de laatste week van maart lukt het de geallieerden eindelijk de Rijn over te steken bij het Duitse Wesel, zo’n veertig kilometer van Nederland. Het Canadese 1ste Leger, met Poolse pantsereenheden in de gelederen, trekt op 30 maart 1945 de Achterhoek binnen. Doel is de linkerflank van de opmars door Duitsland te beveiligen. In de dorpen Megchelen, Aalten en Dinxperlo, waar de tanks als eerste doorheen trekken, verschijnen maar weinig Nederlandse vlaggen. Veel huizen zijn in puin geschoten door de Canadezen. Daarna razen de tankeenheden door Gelderland, Overijssel en door Drenthe. In die laatste provincie hebben dwangarbeiders echter uitgebreide verdedigingswerken moeten aanleggen. Toch lieten de Canadezen Drenthe in recordtempo achter zich. Hoe kan dat?

‘Het spijt me, meneer, we zijn gesloten’, zegt Johan Schurer vriendelijk tegen een vader die met zijn zoontje aan de hand het kunstcafé betreedt. Kunstplaza Schurer in Assen is leeg. Er zijn geen gasten wegens de coronamaatregelen. Maar er staat wel een manshoge pop, in gevechtspak, met een echt geweer en een rode baret. Het jongetje wil die graag zien. ‘We blijven op afstand’, zegt de vader. ‘Dan mag het wel even, hoor’, zegt Schurer.

Schurer runt een kunstcafé dat tevens dient als galerie en kunstuitleen. Aan de wanden hangen grote oorlogsfoto’s van geallieerde militairen, met een allegaartje aan wapens. Net als de pop dragen ze baretten in plaats van helmen. Dit zijn geen gewone militairen.

‘Dat klopt’, zegt kolonel Harold de Jong, die zich op veilige afstand bij ons heeft gevoegd. Hij legt uit dat het Fransen zijn, in dienst van de geduchte Britse Special Air Service. Opgeleid om operaties uit te voeren achter de vijandelijke linies. Zevenhonderd Fransen werden gedropt in de nacht van 7 op 8 april 1945. Ze stelden bruggen veilig door de explosieven te verwijderen en legden hinderlagen om chaos te creëren. Zo zorgden ze ervoor dat de Canadese opmars door Drenthe zó vlekkeloos verliep dat de provincie doorgaans wordt overgeslagen in verhalen over de bevrijding.

‘Mensen denken dat hier niet werd gevochten. Zo onbekend is operatie Amherst’, zegt De Jong. Hij blijft staan voor een foto met 33 portretten van de para’s die het niet overleefden. Hij kent ze allemaal bij naam. De Duitsers doodden tijdens de operatie ook 96 burgers. Deels verzetsmensen die ze eerder gevangennamen, maar ook mensen die voedsel of onderdak aan de para’s hadden gegeven. ‘Ook dat mogen we niet vergeten’, zegt De Jong.

Hij schreef Franse para’s in Drenthe, 8-12 april 1945, dat dit jaar verscheen. Een toegankelijk boek, met foto’s en kaarten. Ook geschikt voor het jongetje, dat met zijn vader inmiddels het kunstcafé heeft verlaten. Ook in andere winkels en cafés in het centrum van Assen heeft De Jong met militaire poppen, foto’s en tv-schermen een herdenkingsexpositie ingericht. ‘Je moet jonge mensen laten zien waar onze vrijheid vandaan komt.’

Op 17 april 1945 doen de Duitsers iets vreemds. Ze zetten de Wieringermeer onder water, een polder in de kop van Noord-Holland, net onder de monding van de Afsluitdijk. Een actie die in de vergetelheid is geraakt, wellicht omdat hij zo absurd was. Tot dusver was de oorlog op afstand gebleven in de Wieringermeer. Boeren werden met rust gelaten om de voedselvoorziening op peil te houden; onderduikers zaten verstopt in het hooi. Wel kwamen lange stoeten mensen uit de steden vragen om eten. Rein Koolen woonde met zijn ouders in de polder. Aan het einde van de oorlog was hij een peuter. ‘Ik herinner me dat ik achter mijn moeder stond in de deuropening, met een bordje harde broodkorstjes die ik niet lustte. Een man vroeg me of hij ze mocht hebben. Die mensen hadden niks. Dat fenomeen kenden we niet’, vertelt hij.

Rond twaalf uur ’s middags op 17 april dreunde een harde knal door de polder. De bewoners hadden om vijf uur ’s ochtends een waarschuwing gekregen, maar velen bleven wachten totdat ze het water werkelijk zagen opkomen. ‘Toen wij de polder uittrokken kwam het water al tot het wegdek’, vertelt Koolen. Hij herinnert zich de gele bloemenzee van overstroomde koolzaadvelden. Met paard, wagen en vee vluchtte de familie naar Medemblik.

‘Kijk, daar zie je het gat’, zegt Koolen. We staan op de IJsselmeerdijk, op het stuk dat is aangelegd na de oorlog, om het opgeblazen deel van de oude dijk heen. In de krater van zo’n honderd meter breed heeft zich een meertje gevormd. Midden in het water zijn de resten zichtbaar van een boerderij die destijds vlak achter de dijk stond. Nu nestelen er aalscholvers. ‘Ik denk dat het een waarschuwing was van de Duitsers: pas op, we kunnen de hele boel onder water zetten. In Friesland stonden de geallieerden al aan de Afsluitdijk.’

Pas in de lente van 1946 keerde Koolens familie terug, nadat de polder weer was drooggemalen. ‘De bomen waren verdronken. Er zaten geen blaadjes aan. Dat beeld vergeet ik nooit meer.’

Geholpen door de mysterieuze Franse para’s racet het Canadese 1ste Leger ongehinderd door Drenthe. In Groningen begint de misère. Om Groningen-stad wordt drie dagen hard gevochten, waarbij 43 Canadezen en 106 Groningse burgers worden gedood. Een deel van de historische binnenstad wordt verwoest. Als ze Groningen in handen hebben trekken de Canadezen verder. Doelwit is de haven van Delfzijl. Die moet worden ingenomen om te voorkomen dat Duitse troepen vluchten naar Emden, de Duitse haven aan de overzijde van de Eems.

Het is goed weer. We kunnen Emden vanuit Delfzijl zien liggen. We stappen in de auto en rijden vijftien kilometer naar het zuiden, naar het dorpje Wagenborgen. ‘Als je op zoek bent naar vergeten gebeurtenissen moet je echt naar Wagenborgen’, had Joël Stoppels (35) ons verteld. Hij is oprichter van Battlefield Tours en geeft rondleidingen langs de Tweede-Wereldoorlogslagvelden in Nederland. Hij heeft een archief opgebouwd van authentieke militaire verslagen en verdiepte zich in talloze operaties.

De bittere strijd om Groningen is redelijk bekend. Maar in Wagenborgen heeft zich een drama afgespeeld waarvan weinigen weet hebben. ‘De strijd was zo zwaar dat de Canadese militaire autoriteiten hem officieel erkenden als ‘slag’: the Battle for Wagenborgen’, vertelde Stoppels. Hij zou met ons meereizen, maar werd een dag voor vertrek geveld door koorts.

‘Duitsers waren moffen en moffen waren slecht’, zegt Kees Fielstra, wiens vader in 1945 werd vermoord. ‘Verder spraken we niet over de oorlog’

In Wagenborgen wacht Siep Bos (76) ons op. Jarenlang verzorgde hij de contacten met Canadese veteranen die tot enkele jaren geleden nog naar Wagenborgen kwamen om hun gevallen kameraden te gedenken. ‘Nu is er bijna niemand meer over’, zegt hij. Met behulp van de verhalen van de veteranen en de kennis van Joël Stoppels reconstrueerde hij de slag zo goed mogelijk. ‘Zodat de herinnering levend blijft.’

We staan op de oprit van een boerderij langs een smalle weg met aan weerszijden lager gelegen weilanden. Bos wijst naar het weiland links van ons. Op ongeveer tweehonderd meter afstand zien we de eerste huizen van het dorp. ‘Daar hadden minstens vijfhonderd Duitsers zich ingegraven, met talloze mitrailleurstellingen. De Canadezen kwamen van de andere kant.’ Hij wijst naar rechts, in de richting van het dorp Siddeburen. Zelfs voor een leek is te zien dat in dit vlakke land de aanvallers geen schijn van kans hadden. Op de plek waar we staan was in een boerderij de commandopost van de Canadezen gevestigd die tevens als hospitaal dienst deed. De boerderij werd door Duitse artillerie geraakt. De Canadese commandant sneuvelde en tien gewonden werden levend verbrand. Van de ongeveer tachtig Canadezen die op 21 april in de aanval gingen, sneuvelden er negentien in een halve dag. Een deel werd gevangengenomen.

‘De Duitsers probeerden uit alle macht hun vluchtweg via Delfzijl open te houden. Daarom waren ze zo fanatiek’, zegt Bos. Drie dagen duurde de strijd, nog vier Canadezen sneuvelden. In het dorp werden huis-aan-huis gevechten gevoerd. Hij wijst ons op de kogelgaten in de gevels. De bevrijding was geen feest in Wagenborgen, vertelt Bos. ‘Toen de Duitsers zich terugtrokken, staken ze de boerderijen in brand. Het was allemaal één bak ellende.’

De bevrijding van Delfzijl, 1945 © Beeldbank Groningen

Op 2 mei vallen de laatste schoten in Groningen als de Canadezen Duitse sluipschutters uit de kerktoren van Farmsum drijven, vlak bij de haven van Delfzijl. Friesland heeft zichzelf intussen bevrijd. Het verzet is er goed georganiseerd, waardoor ruim drieduizend leden van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) bruggen en installaties kunnen behoeden voor vernietiging. 23 BS’ers sneuvelen in gevechten met de Duitsers. De Canadezen kunnen plankgas doorstoten naar de Waddenzee en bereiken op 17 april de kop van de Afsluitdijk. Slechts één Canadees komt om het leven. Toch is Friesland de provincie die als laatste geheel bevrijd is. Pas op 11 juni geven de Duitsers op Schiermonnikoog zich over. Onder hen zijn beulen van de Sicherheitspolizei en Nederlandse SS’ers die via het eiland naar Duitsland hoopten te ontkomen.

Friesland is een van de provincies met veel onderduikers, zo’n 23.000 in totaal. Een deel daarvan is joods. Een van hen is Jack Eljon, die nog geen drie jaar oud is als de oorlog uitbreekt. Zijn ouders worden opgepakt, maar overleven de oorlog. Als Friesland bevrijd is, weigert hij zijn echte naam te zeggen als gepoogd wordt joodse kinderen met hun familie te herenigen.

Eljons verhaal is opgetekend in Andere Achterhuizen, door Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis (2010), met de verhalen van nog 14 andere joodse onderduikers. Ze beleefden hun bevrijding heel verschillend. Velen vonden hun ouders niet terug; sommigen wilden niet weg bij hun pleeggezin als hun vader of moeder hen kwamen halen. Eljon snakte juist naar zijn ouders. Maar hij had moeten beloven nooit zijn echte naam te zeggen, dus deed hij alsof hij die vergeten was. Uiteindelijk werd hij door het Rode Kruis meegenomen naar een lokaal in Sneek. ‘Daar zaten twintig kaalgeknipte vrouwen op een rij. Mijn moeder zat op de zeventiende plaats. Ik had haar allang gezien, maar ik moest bij één beginnen. Ga maar naar je mammie toe, werd er gezegd. Toen sprong ik bij haar op schoot, waar ik al die jaren naar verlangd had. Ik heb me nooit meer zo een met haar gevoeld als in dat lokaal in Sneek.’

Naderhand liep het mis tussen Eljon en zijn ouders. Hij kon het ze niet vergeven dat ze hem aan vreemden hadden meegegeven. ‘Dat doe je niet. Ik heb ze erom vervloekt. Het gevoel dat ze mij in de steek hebben gelaten, is nooit weggeëbd.’

28.000 Nederlandse joden overleefden de oorlog in de onderduik. 104.000 werden afgevoerd en vermoord: 75 procent van alle joden in Nederland.

In het westen verloopt de bevrijding anders dan in de rest van het land: de Duitsers worden er niet met militair geweld verslagen. In de avond van 4 mei capituleren alle Duitse troepen in Noordwest-Europa. Op 5 mei ondertekent generaal Johannes Blaskowitz, die de Duitsers in Nederland aanvoert, de capitulatiebevelen. De schimmige tijd die vervolgens aanbreekt is uit ons nationale geheugen verdwenen. ‘Je leest vaak: En toen vierde iedereen feest. Ik had er nooit over nagedacht dat het een proces is dat meerdere dagen duurt’, zegt Marjolein Bax. In haar boek Een wrang feest: Hoe velen de bevrijding niet overleefden toont ze hoe beperkt ons beeld van de bevrijding is. Neem 5 mei: we zien Canadese tanks voor ons met uitzinnige menigten in een met vlaggen versierd straatbeeld. Die beelden horen echter bij 7 en 8 mei, toen de Canadezen West-Nederland binnen trokken. In de tussentijd bleven de gespannen Duitse bezetters officieel verantwoordelijk voor de orde op straat. ‘Het was niet alleen maar feest, er werd ook gerouwd en er gebeurden verschrikkelijke dingen.’

Bax deed onderzoek naar de slachtoffers die tussen 4 en 8 mei 1945 het leven lieten in vuurgevechten. Het bleken er meer dan 160, Duitsers niet meegerekend. In de avond van 4 mei hoorden Nederlanders op de radio van de capitulatie. Henri Koot, commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, stuurde meteen het bevel uit dat de BS Duitsers mochten ontwapenen. In de vroege ochtend van 5 mei luidde een tweede bericht: ‘Alle acties onmiddellijk staken.’ Dat bevel bereikte niet alle BS’ers. Chaos was het gevolg.

In de vele vuurgevechten die tussen 4 en 8 mei uitbraken speelden het amateurisme van de BS’ers en hun frustratie volgens Bax een aanzienlijke rol. Omdat de machtsverhoudingen onduidelijk waren en de spanning vlak voor het einde van de oorlog te snijden was, grepen zowel de BS’ers als de Duitsers snel naar hun wapens. Daarbij blokkeerden de stenguns van de BS nog al eens en leidde een ongecontroleerd waarschuwingsschot meerdere keren tot slachtoffers.

Niet alle Nederlanders voelden zich bevrijd in 1945. Joden die de vernietigingskampen hadden overleefd wachtte vaak een kille ontvangst. Families die geliefden verloren door het geweld van de geallieerden of de chaotische schietpartijen in West-Nederland waren in rouw. nsb-families werden mishandeld en opgesloten in kampen, ‘moffenmeiden’ kaalgeschoren en uitgekotst.

‘Het verhaal over Nederlanders en de oorlog raakt nooit uitverteld’, zegt Bram de Graaf. ‘Er zijn zoveel perspectieven en belevenissen. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de oorlog in Nederlands-Indië.’ Tijdens het werken aan Ooggetuigen van de bevrijding vroeg hij zich soms af waarom veel mensen zo lang bleven zwijgen. Natuurlijk, tijdgenoten zaten niet te wachten op hun relaas, want er moest in die eerste jaren na de oorlog worden geknokt om het bestaan. Maar waarom komen veel verhalen pas de laatste jaren los? ‘Oudere mensen beseffen dat ze nog maar weinig tijd hebben. En misschien dachten ze aanvankelijk: met ons valt het wel mee. Historici richtten zich meestal op de holocaust. Ander leed viel daarbij in het niet. Ik zeg nadrukkelijk “misschien”, want je kunt leed niet vergelijken.’

De aandacht voor de oorlog neemt eerder toe dan af, zien Bax en De Graaf. Wie nog kan spreken, spreekt. De laatste ooggetuigen diepen herinneringen op, er komen dagboeken en memoires tevoorschijn. De nos, de Volkskrant en Omroep Max maken langlopende bevrijdingsseries en over de Slag om de Schelde is een speelfilm in de maak. Daarmee is ons beeld van oorlog en bevrijding uiteen aan het vallen in brokken die niet goed meer in elkaar passen, waardoor het soms wringt en schuurt. Dat is niet erg, vinden de mensen die we spraken. Geen interesse meer tonen en roepen dat we alles nu wel weten, dát zou erg zijn.

Kees Fielstra (76) heeft nog altijd moeite met het zwijgen van zijn familie over het verleden. Toen hij anderhalf jaar was, werd zijn vader vermoord. Hij maakte deel uit van een groep van vijf Groningse BS’ers die door de Canadezen op pad werden gestuurd om gevangenen op te halen uit Duitse strafkampen net over de grens, in het Bourtanger Moor. Gevangenen werden er uitgehongerd en gedwongen turf te steken. Dertigduizend van hen overleefden het niet. De vijf verzetslieden werden opgepakt door de Gestapo en op 25 april 1945 in het Duitse Leer geëxecuteerd door een groep doorgedraaide Duitsers die de chaos aangrepen om wreedheden te plegen.

‘Duitsers waren moffen en moffen waren slecht. Verder werd bij ons niet over de oorlog gesproken’, vertelt Fielstra. Pas in 2010 kwam hij meer te weten over de dood van zijn vader. Sindsdien is hij veel in Leer geweest en bezocht hij zijn cel en de executieplaats. ‘Toen stonden de haartjes in mijn nek wel overeind.’ Zijn moeder overleed twintig jaar geleden. ‘Het is triest dat ik niets wist. Anders had ik samen met haar naar de herdenkingen in Leer kunnen gaan.’ Tegenwoordig vertelt Fielstra het verhaal over de kampen en zijn vader zo vaak mogelijk, ook op Duitse scholen. ‘Dan ontstaan er weleens fluisterpartijtjes. Jongens die lachend zeggen: “Niet geloven hoor, daar klopt niks van.” Het borrelt daar nog steeds. Dan denk ik: die jongelui hebben dat niet van zichzelf, maar van hun ouders of grootouders.’

De bevrijding viert Kees niet echt, hoewel zijn vader is herbegraven op het Nationaal Ereveld in Loenen. ‘Bevrijding is voor mij een vreemd woord’, zegt hij. ‘Ik herdenk op 25 april.’