De wondere verhalen van Nasroeddin Hodja

‘Wie om zichzelf lacht, voelt zich naakt’

De vrolijke, moralistische vertellingen over Nasroeddin Hodja bieden een welkome ademzucht in het vaak verstikkende klimaat in het Midden-Oosten. Ze functioneren als spiegel voor de mens en zijn gepijnigde ziel.

Moella Nasroeddin ging met zijn zoon naar een ander dorp om daar bij het gebed in de moskee voor te gaan. Hij liet zijn zoon op zijn ezel rijden. Maar een voorbijganger zei: ‘Kijk nou eens naar de jeugd van tegenwoordig, hij laat die geleerde en bejaarde man lopen terwijl hij zelf prinsheerlijk op de ezel zit…’

De moella voelde zich onmiddellijk ongemakkelijk, hij wilde natuurlijk niet als een zwakke vader worden beschouwd. ‘Zoon, stap af’, zei hij bars en hij besteeg de ezel.

Zo reisden vader op de ezel en zijn zoon te voet samen verder. Na een tijdje kwamen ze opnieuw iemand tegen. ‘Kijk dat nou! Die moella laat zijn zoon zo’n lange afstand lopen en laat zichzelf als een pasja vervoeren. De geestelijken van tegenwoordig kennen geen maat meer. Wat een slechte man, wat een wrede vader.’

Onmiddellijk liet Nasroeddin de ezel stoppen en zijn zoon opstijgen. Nu zaten ze samen op de ezel, maar opnieuw was er luid commentaar. ‘Dat is toch niet normaal zeg!’ klonk er vanuit vele kelen. ‘Twee mensen op zo’n klein ezeltje! Kijk dan hoe die oren hangen! Dat arme beest. En dan moet die ene een moella voorstellen? Hij heeft duidelijk geen respect voor Gods heilige creatie. Wat een dierenbeul.’

Nasroeddin raakte geïrriteerd. ‘Als het zo moet dan gaan we maar lopen’, zei hij tegen zijn zoon en ze stapten af. Langzaam naderden ze het dorp. Het was een hete dag zonder een zuchtje wind. De zon brandde ongenadig op de tulband van de moella en het zweet gutste over zijn gezicht. Toen ze het dorp binnen liepen, stormden de mensen naar buiten en wezen lachend op dit gekke schouwspel van de vrolijke ezel die flink doorstapte en daarachter de moella en zijn zoon.

‘Allah! Kijk dan!’ riepen de mensen luid terwijl ze elkaar aanstootten. ‘Die laten de ezel voor zich uit gaan en lopen er zelf in het stof achteraan! Wat een rare mensen, wat een domme moella.’

Op dat moment was Nasroeddin zo kwaad dat hij besloot iedereen een les te leren. ‘Zoon’, zei hij, ‘kom, we dragen hem!’ En zo tilden ze de ezel op en sjokten met het dier op hun rug verder.

Aldus een van de bekendste grapjes over het wel en wee van Nasroeddin Hodja. Het ­verhaal van de dorpsimam met de ezel circuleert al ruim acht eeuwen van Noord-Afrika tot China waar hij als Chung-li Chu’an door het leven gaat.

Nasroeddin Hodja, of Nasrettin Hoca zoals hij in Turkije werd genoemd, is een legendarische antiheld, een mythisch figuur die rond­gezworven zou hebben in het Anatolië van de dertiende eeuw. Volgens de overleveringen werd hij in 1208 geboren in Hortu in Centraal-Anatolië en stierf hij in 1284. Andere bronnen stellen dat hij leefde in Groter Khorasan in het huidige Iran en Afghanistan. Zijn mausoleum staat in Aksehir in het hedendaagse Turkije waar ­jaarlijks in de periode tussen 5 en 10 juli feestelijkheden ter ere van hem worden georganiseerd.

In het Midden-Oosten en ver daarbuiten is Nasroeddin bekend als moella, moela of mula (dorpsimam) of hoca, hoja of hodja (leraar). Ook beoefende hij volgens de legendes een tijd lang het beroep van kadi (rechter). Zijn naam Nasroeddin of Nasrettin kan nog het best vertaald worden als ‘glorie van het geloof’. Zijn rol en functie zijn wellicht nog het best te vergelijken met de veertiende-eeuwse Willem Tell die de waarheid probeert te dienen door de mens een spiegel voor te houden.

Zowel in Ethiopië als Oeganda trof ik vazen aan met daarop kleurige afbeeldingen van de dwaze moella omgekeerd rijdend op zijn ezel. Aan zijn eigen leerlingen zou hij hierover hebben gezegd: ‘Als ik met mijn gezicht naar voren zou rijden, kijk ik jullie met de rug aan. Maar als jullie voor mij lopen, kijk ik zelf tegen jullie ruggen aan. Daarom denk ik dat dit de beste manier van rijden is en nog veel beleefder ook.’

De ezel neemt in de verhalen van Nasroeddin zo’n prominente plek in dat het dier wel meer moet zijn dan een simpele figurant. In de symboliek van het mystieke soefisme staat de ezel vaak voor de dierlijke – meestal oncontroleerbare – driften, de nafs (in het Hebreeuws nefesj) of ook wel het ‘valse’ of ‘kleine’ ego. De lage menselijke driften die getemd en gecontroleerd moeten worden om tot persoonlijke bloei en ontwikkeling te komen. Volgens de soefistische interpretatie rijdt Nasroeddin Hodja andersom op zijn ezel om het volk te leren niet blind toe te geven aan de dierlijke driften, hoewel die er soms letterlijk met hem vandoor gaan.

Als een pijl uit de boog ging de ezel ervandoor. Dat was nog tot daaraantoe, maar de moella zat er op! Angstig greep hij de staart van het dier vast en klemde die tussen zijn benen. In wilde vaart rende het beest over de markt. Kraampjes vielen om en de mensen stoven opzij.

‘Moella, wat doe je? Waar ga je naar toe?’ riepen de verkopers luid.

‘Dat weet ik niet’, schreeuwde Nasroeddin boven het geraas uit. ‘Dat moet je aan mijn ezel vragen!’

Staat de ezel voor de Midden-Oosterse variant van onze eigen heilige koe, de auto? Zit Nasroeddin andersom om zo beter zicht te hebben op zijn eigen daden? Of zou het verhaal willen leren dat je nooit blind op het lot moet vertrouwen? Om de woorden van de profeet Mohammed aan te halen: ‘Vertrouw op God maar bind wel je kameel vast.’ Zo zie je maar, ook met de ezel kan de luisteraar alle kanten op.

De verhalen over Nasroeddins doen en laten en zijn vele hoegenaamd naïeve uitspraken (die in feite een enorme wijsheid tentoonspreiden) worden tot op de dag van vandaag van generatie op generatie doorgegeven. Ook ik werd hier in Nederland als Egyptisch-Nederlandse meerbloed met de verhalen van Gôha – zoals Nasroeddin in Egypte wordt genoemd – opgevoed. In de weekenden vertelde mijn vader vaak een van de vele verhalen en leerde ons daarmee een vrolijk doch moralistisch lesje over mens en maatschappij en de grote valkuilen zoals ijdelheid en zelfingenomenheid. De verhalen van de hodja schuren vaak en zijn doorspekt met kritiek op de politieke elite en het religieuze establishment. In samenlevingen waarin politieke vrijheid niet zelden onder druk staat en religieuze discipline eerder norm dan uitzondering is, bieden de grappen van Nasroeddin een welkome ademzucht in een verder verstikkend klimaat.

De verhalen functioneren als een respectvolle kwinkslag die doet lachen dwars door de tranen heen. Geregeld lukte het mij om in buitengewoon ongemakkelijke situaties het ijs te breken door een van Nasroeddins uitspraken aan te halen. Of ik nu door opgewonden jongens werd belaagd in een Palestijns vluchtelingenkamp of verwikkeld was in vastgelopen onderhandelingen over een verblijfplaats bij een Jordaanse bedoeïenenstam: bij het noemen van Nasroeddin Hodja lichtten de ogen op, werd er luid gelachen, vrolijk in de handen geklapt en vervolgens weer overgegaan tot de orde van de dag. De situatie was ontzenuwd en het tijdelijke verschil in sekse, etniciteit of religieuze achtergrond opgeheven. Want zoals Gôha ons wijselijk leert: in de ogen van God is ieder mens gelijk, zelfs al weigeren veel mensen dit in te zien. >

Nasroeddin Hodja was voor een feestmaal uitgenodigd. Hij was aan het werk in zijn moestuintje en ging zonder zich om te kleden rechtstreeks naar het feest toe. Vanwege zijn sjofele uiterlijk werd hij echter niet eens binnengelaten. Nors wezen de bediendes hem de deur. Nasroeddin protesteerde en legde uit dat hij de dorpsimam was, maar niemand luisterde naar hem.

Hij keerde dus maar snel naar huis terug en trok zijn beste kleren aan. Op zijn hoofd zette hij zijn grootste tulband met daarop een groene smaragd uit India, hij kleedde zich in een purperen mantel en trok gouden muiltjes aan zijn voeten. Als een vorst keerde hij terug naar het feest. Ditmaal werd hij met alle egards ontvangen. De bedienden kropen haast in het stof en gaven Nasroeddin de meest voorname plek aan tafel, recht naast de verbaasde gastheer.

‘O moella, u verblijdt ons met uw komst! Wat een eer om naast u te mogen zitten’, sprak hij luid en hij kuste Nasroeddin op beide wangen.

Toen werd het eerste gerecht opgediend: soep. De moella sprak een kort dankgebed uit en doopte toen de mouw van zijn mantel in de kom terwijl hij de volgende woorden zei: ‘Eet mantel eet! Eet mantel eet.’

‘Maar grote moella wat doet u nu?’ riep de gastheer verbijsterd. ‘Waarom doopt u uw mantel in de soep?’

De zilveren lepels bevroren in de vele handen. Bedaard tilde Nasroeddin de punt van zijn mantel op. Met een indringende blik keek hij de verbouwereerde gasten een voor een aan.

‘Dit kostelijke voedsel is niet voor mij bedoeld maar voor mijn kleding. Laat mijn mantel dan maar eten’, sprak hij, en doopte toen zijn mouw weer in de warme brij.

Als de verhalen van Gôha ons iets laten zien, is het de tijdgeest en culturele setting waaruit ze voortgekomen zijn. Zo zijn de grapjes niet altijd even vrouwvriendelijk.

Het was een slecht jaar voor de moella, Allahs wegen zijn groot maar ondoorgrondelijk. Eerst verloor Nasroeddin zijn vrouw en nu was ook nog zijn ezel gestorven. Hij kwam maar niet over zijn verdriet heen. Al twee weken liep hij met roodomrande ogen en as op zijn hoofd rond door het dorp. Hoewel de mensen veel respect voor hem hadden werd hen dit enorme verdriet op een gegeven moment toch wat te gortig.

‘Overdrijf je niet een beetje Nasroeddin, je rouwt nu al langer om je ezel dan om je vrouw!’

‘Dat kan wel zo zijn’, reageerde Nasroeddin, ‘maar toen mijn vrouw overleed, spraken de mannen uit snel een nieuwe bruid voor mij te zoeken. Maar tot nu toe heeft niemand aangeboden mijn ezel te vervangen.’

Gelukkig zijn er ook genoeg anekdotes waarin de moella geen partij is voor zijn pittige vrouw, die hem regelmatig angst inboezemt. Overigens blijkt Allah in al zijn onmetelijke ondoorgrondelijkheid vaker dames in te zetten om de imam een lesje in nederigheid te leren.

Nasroeddin zat thee te drinken. Een vriend schoof aan en de twee raakten in gesprek.

‘Volgende week ga ik trouwen insj’allah’, vertelde de jonge vriend.

‘Mesj’allah, wat een geweldig nieuws!’ riep de moella verrukt.

‘Maar Nasroeddin, heb jij ooit aan een huwelijk gedacht?’

‘Nou en of…’

Nasroeddin ging er eens goed voor zitten. Toen begon hij op grootse toon te vertellen.

‘Heel mijn jeugd besteedde ik aan de zoektocht naar de volmaakte vrouw. Jaren reisde ik om haar te vinden. In Damascus vond ik een vrouw die vriendelijk en lief was. Van spirituele zaken wist ze alles af en ze was een goede moslima, maar van de wereldse geneugten wist ze niets dus reisde ik door.’

De moella kreeg de smaak van het vertellen te pakken en liet zijn stem wat dalen.

‘Verder reisde ik, tot de poorten van Esfahan. Daar in Perzië dacht ik de ware vrouw te hebben gevonden. Zo was zowel werelds als spiritueel, knap en lief. Alleen klikte het niet. Daarom reisde ik maar door. Heel Klein-Azië zag ik, ieder dorp en iedere stad deed ik aan, maar nergens vond ik de ware.’

Nasroeddin vond dat hij fantastisch vertelde. Hij keek omstandig om zich heen, liet een lange pauze vallen, nam een grote slok thee, slaakte toen een luide zucht en vervolgde fluisterend zijn verhaal zodat zijn vriend diep naar hem toe moest buigen om hem nog te horen.

‘Toen op een goede dag vond ik haar in Egypte. Ze was spiritueel en trouw, prachtig geschapen en een uitstekende kokkin. Ze had een evenwichtig en stralend humeur en alle narigheid lachte ze weg met haar stralende glimlach. Ze was welbespraakt, maar wist wanneer ze moest luisteren. Ze kende de koran uit het hoofd maar in al haar bescheidenheid bleef ze op de achtergrond en corrigeerde mijn fouten niet. Ze was in alle opzichten de ideale vrouw.’

‘Maar moella!’ riep de vriend uit, ‘waarom bent u dan niet met haar getrouwd?’

‘Ze was ongelukkig genoeg op zoek naar de ideale man.’

Uiteindelijk weet Gôha als geen ander hoe humor oplucht en geestelijke bevrijding biedt, al is een goede grap vaak nietsontziend. Misschien klopt de uitspraak wel dat er in elke grap een kern van waarheid schuilt. Dit geldt in ieder geval voor veel van Nasroeddins vertellingen die niet zelden functioneren als een spiegel voor de mens en zijn vaak gepijnigde ziel. Zoals hij zijn sleutel in het licht van een lantaarn zoekt omdat hij het in het donker toch niet kan vinden, bieden Nasroeddins grapjes en malle wetenswaardigheden wat licht te midden van duistere en donkere tijden.

‘Moella, waarom lachen de mensen toch altijd om je?’ vraagt een bezoeker op een dag.

‘Ik ben voor hen als een tulband. Lachen bevrijdt, maar onthult ook de waarheid. Wie om zichzelf lacht, voelt zich naakt, dus geef ik hem iets om z’n hoofd mee te bedekken.’

‘Maar moella, dan zijn ze eigenlijk toch nog steeds naakt?’

‘Sssssst, zeg maar niets’, antwoordde Nasroeddin en een geheimzinnig glimlachje speelde om zijn lippen…